Daderschap rechtspersoon opzettelijke overtreding zorgplicht ex art. 13 Wet bodemscherming

Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:240

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 10 juni 2014 veroordeeld tot een geldboete van € 4000 voor medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De verdediging heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet als dader van de ten laste gelegde gedraging kan worden aangemerkt. [betrokkene 3] , projectleider bij de verdachte rechtspersoon, hoefde redelijkerwijs niet te vermoeden dat de grond was verontreinigd en derhalve kon van hem niet gevergd worden dat hij maatregelen nam. [betrokkene 3] heeft zich door [A] BV laten overtuigen dat de grond mocht worden toegepast. Nu van [betrokkene 3] niet hoefde te worden gevergd dat hij maatregelen nam, dient ook verdachte te worden vrijgesproken. Indien het ten laste gelegde [betrokkene 3] wel kan worden toegerekend dan kunnen de gedragingen alsnog niet aan verdachte worden toegerekend, nu de gedragingen niet in de sfeer van de rechtspersoon zijn gepleegd.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte wordt onder feit 2 primair verweten dat door het toepassen van verontreinigde grond met PCB's de bodem kon worden verontreinigd of aangetast en verdachte haar zorgplicht ter voorkoming, beperking dan wel het ongedaan maken daarvan heeft geschonden.

[A] BV heeft met [D] BV een raamovereenkomst gesloten met betrekking tot het projectmanagement voor de bouw van diverse [D] . Hieronder viel ook het te realiseren project aan de [a-straat 1] te Veghel. [A] had in haar rol als 'bouwregisseur' de feitelijke zeggenschap over de wijze waarop het werk ter plaatse werd uitgevoerd. Verdachte, [verdachte] , was ter plaatse de hoofdaannemer en [F] BV (destijds [C] BV) de onderaannemer.

[verdachte] zette de contouren van de te ontgraven bouwput uit en liet [C] BV (later overgegaan in [F] BV) de bouwput ontgraven. Tijdens het ontgraven werd over een laag van 30 centimeter over een derde deel van de bouwput 'verdachte' grond aangetroffen. In opdracht van [A] BV is deze laag grond door [C] BV ontgraven en in depot gezet. De opgeslagen grond in dit depot is in opdracht van [A] BV vervolgens AP04 gekeurd door [B] BV. De grond wordt in deze rapportage als 'niet toepasbaar' gekwalificeerd. Betreffende rapportage is door [betrokkene 2] van [B] BV op 21 januari 2008 gemaild aan [betrokkene 7] van [A] BV en aan [betrokkene 3] van [verdachte] . Op 22 januari 2008 heeft [betrokkene 3] deze rapportage gemaild naar [betrokkene 5] van [C] BV. 
BV heeft tevens een deel van de door hen ontgraven grond indicatief laten keuren. Uit de analyseresultaten van de indicatieve keuring, welke aan [betrokkene 5] bij brief van 24 januari 2008 werden gemeld, valt op te maken dat er mogelijk sprake is van ernstig verontreinigde grond. Tijdens de bouwvergadering van 19 februari 2008 wordt, in aanwezigheid van onder andere [betrokkene 3] van [verdachte] , door [betrokkene 7] namens [betrokkene 1] , directeur bij [A] BV, medegedeeld dat de grond van het depot in de bouwput zal worden toegepast. [betrokkene 3] geeft hierop [C] BV de opdracht de grond in het depot in de bouwput toe te passen. 

BV voert deze opdracht vervolgens uit. Hierbij worden geen bodem beschermende maatregelen getroffen. Voorts is op 26 mei 2009 uit onderzoek van [E] gebleken dat de grond, welke reeds tussen de funderingen was aangebracht, sterk verontreinigd is met PCB's.

Het hof overweegt dat door het terugplaatsen van de verontreinigde grond in de bouwput een extra verontreiniging had kunnen ontstaan. Het feit dat de bodem reeds verontreinigd was doet hier niets aan af. Zo had er bijvoorbeeld doordat er geen bodem beschermende maatregelen waren getroffen, een piekbelasting van de verontreiniging kunnen optreden. Door het toepassen van de reeds verontreinigde grond heeft verdachte niet alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd, teneinde een verontreiniging of aantasting te voorkomen.

Het hof is - anders dan de verdediging - van oordeel dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op artikel 1, derde lid, van het Bouwstoffenbesluit. Dit artikellid plaatst daar genoemde activiteiten alleen buiten de werking van het Bouwstoffenbesluit. Andere regelgeving die van toepassing kan zijn, bijvoorbeeld betreffende het omgaan met verontreinigde bodem, blijft onverminderd van kracht.

Ten aanzien de strafrechtelijke aansprakelijkheid van [verdachte] stelt het hof het volgende (...)

Op grond van de eerder genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat het toepassen van de grond in de bodem valt onder de normale bedrijfsvoering van [verdachte] .

Het hof is van oordeel dat [verdachte] het ten laste gelegde opzettelijk heeft begaan. [betrokkene 3] was als projectleider op de hoogte van het rapport van [B] BV, derhalve had hij niet af mogen gaan op de mededeling van [A] dat de grond wel mocht worden toegepast. Hij wist dat de grond verontreinigd was met PCB's en heeft door gevolg te geven aan de opdracht van [betrokkene 7] namens [A] BV tot het hergebruiken van de grond uit het depot, zijn zorgplicht verzaakt. [betrokkene 3] heeft in casu aan [C] BV de opdracht gegeven de grond in het depot in de bouwput toe te passen.

[betrokkene 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het in zijn functie gebruikelijk was om beslissingen op eigen gezag te nemen. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat projectleiders bij haar in dienst in grote mate zelfstandig kunnen bepalen hoe zij projecten aanpakken. Onder deze omstandigheden kan het bewust handelen dan wel het nalaten van [betrokkene 3] aan verdachte worden toegerekend.

Ten slotte is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [A] BV, [verdachte] en [C] BV. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de feitelijke gang van zaken en de afgelegde verklaringen. Partijen hebben een ieder vanuit hun eigen rol en positie in de keten opdracht gegeven tot het uiteindelijk feitelijk uitvoeren van het ten laste gelegde.

Het verweer van de verdediging wordt op al zijn onderdelen verworpen."

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het Hof dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd, omdat het Hof de bewezenverklaring van dat opzet in de kern slechts heeft ontleend aan de omstandigheid dat betrokkene 3, in dienst bij de verdachte als projectleider, "niet af [had] mogen gaan op de mededeling van A dat de grond wel mocht worden toegepast".
 

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de weergegeven bewijsvoering was betrokkene 3 in de in de bewezenverklaring vermelde periode ervan op de hoogte dat de tijdens het ontgraven van de bouwput verwijderde en in depot geplaatste hoeveelheid grond was vervuild met PCB's en volgens B B.V. diende te worden afgevoerd. Voorts ligt in die bewijsvoering besloten dat de verdachte geen eigen/nader onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de effecten van het toepassen van die grond of anderszins maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van aantasting of vervuiling van de bodem. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de enkele mededeling van A aan betrokkene 3 dat de in depot geplaatste grond wel mocht worden gebruikt, niet in de weg staat aan het aannemen van opzet bij de verdachte, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient nog opmerking dat art. 36, derde lid, Besluit bodemkwaliteit niet afdoet aan de hier bewezenverklaarde, in art. 13 Wet bodembescherming geformuleerde zorgplicht.

De klacht faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF