Convergentie en divergentie tussen strafrecht en civiel recht

Als we minister Opstelten en staatssecretaris Teeven mogen geloven, hebben de verdachte en de dader al veel te lang centraal gestaan in het strafproces en is het nu de beurt aan het slachtoffer. Dat lijkt op het eerste gezicht in de pas te lopen met de voorstellen van een aantal schrijvers die al jaren – en niet zonder succes – pleiten voor een sterkere positie van het slachtoffer in het strafproces, maar gaat bij nader inzien een stuk verder. 

De kernvraag bij deze ontwikkeling is: hoeveel veerkracht heeft een publiekrechtelijk rechtsgebied als het straf(proces)recht om al die ideeën, voornemens, wetsvoorstellen en wetswijzigingen met het oog op de versterking van de positie van het slachtoffer nog aan te kunnen? Hoelang duurt het nog voordat het strafrecht daarmee zozeer verzadigd raakt dat we moeten vaststellen dat de kernfuncties van het strafrecht er langzaam maar zeker aan worden opgeofferd? Of hoeven we daarvoor niet te vrezen en moeten we niet al te bang zijn om de publieke functie van het strafrecht (en de ‘verticale’ rechtsstrijd die in dat verband wordt uitgevochten tussen overheid en verdachte) ondergeschikt te maken aan de ‘horizontale’ (civielrechtelijke) rechtsbetrekking tussen de verdachte/dader en het slachtoffer? Is er, met andere woorden, iets voor te zeggen het strafproces ‘terug te geven aan het slachtoffer’ en het leed en de schade die het slachtoffer heeft geleden, voorop te stellen?

Print Friendly and PDF