Conclusie AG: Vordering tot verstrekking van de camerabeelden van de wachtruimte en alle toegangspaden van het ziekenhuis

Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:19

Bij beschikking van 1 september 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het door de klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

Uit de bestreden beschikking blijkt dat het daarin gaat om camerabeelden die door het [A] Ziekenhuis zijn verstrekt op een vordering gevoelige gegevens als bedoeld in art. 126nf/126uf Sv. De vordering is gedaan door de OvJ nadat deze daartoe door de R-C was gemachtigd. Hoewel art. 96a lid 3 Sv op een vordering als de onderhavige van overeenkomstige toepassing is (zie art. 126nf lid 2 en art. 26uf lid 2 Sv), hetgeen meebrengt dat een verschoningsgerechtigde niet verplicht is om aan de vordering te voldoen, heeft het ziekenhuis er volgens de overwegingen van de rechtbank voor gekozen om de desbetreffende camerabeelden uit te leveren “in een gesloten envelop ten behoeve van de rechter-commissaris”. Dat is een begaanbare weg.

Opsporingsambtenaren hebben zich over de gesloten envelop ontfermd, waarna deze op het politiebureau in een kluis is geplaatst. Volgens art. 98 Sv is het in een geval als het onderhavige de R-C die over de kennisneming moet beslissen. Over diens beslissing kan vervolgens bij de rechtbank worden geklaagd. In de onderhavige zaak is die weg niet bewandeld. Van een oordeel van de R-C blijkt niet. De klaagster heeft een klaagschrift ingediend dat door de rechtbank is aangemerkt als een klaagschrift ex art. 552a Sv (en dus niet als een klaagschrift dat gericht is tegen een beslissing van de R-C). De rechtbank heeft daarbij de behandeling van het klaagschrift niet aangehouden en de stukken niet in handen van de R-C gesteld. Over dit verzuim wordt echter niet geklaagd. Een reden voor ambtshalve cassatie levert het mijns inziens evenmin op.

Het voorgaande betekent dat het cassatieberoep zich niet richt tegen een beslissing van de rechtbank op een ex 98 lid 4 Sv gedaan beklag. Het gaat echter wel om “een klaagschrift ingediend door een persoon met de bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv”. Dat betekent als ik het goed zie dat de versnelde procedure waarin art. 552d lid 3 Sv voorziet, op het onderhavige cassatieberoep van toepassing is. De klaagster is zo gezien ten onrechte een termijn van een maand gegund voor het indienen van cassatiemiddelen. Daarover kan zij zich bezwaarlijk beklagen, hetgeen zij dan ook niet doet.

Iets anders is dat de aanzegging volgens de gegevens die de Hoge Raad ter beschikking staan, eerst op 8 januari 2018 aan de klaagster is betekend, zodat de gestelde termijn voor het indienen van cassatiemiddelen eerst op 7 februari 2018 afloopt. De schriftuur in de onderhavige zaak is echter al op 22 december 2017 bij de Hoge Raad ingekomen. Gelet daarop en gezien de spoed die in deze verschoningszaak geboden is, heb ik ervoor gekozen om reeds vóór het einde van de gestelde termijn te concluderen. Mochten er door de advocaat van de klaagster nog aanvullende middelen worden ingediend (hetgeen in theorie mogelijk is), dan ben ik uiteraard bereid om aanvullend te concluderen.

Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige camerabeelden niet onder het verschoningsrecht van de klaagster vallen.

Uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 29 augustus 2017 bezien in samenhang met het klaagschrift en de daaraan als bijlagen gevoegde stukken kan het volgende worden afgeleid. Het gaat in deze zaak om een vermoedelijk begane mishandeling. Het slachtoffer zag in de wachtruimte van het [A] Ziekenhuis een man die zij meende te herkennen als de dader. Om de identiteit van deze man te achterhalen, vorderde de OvJ de camerabeelden van de wachtruimte en van alle toegangspaden tot het ziekenhuis. De klaagster stelde zich op het standpunt dat het hier om gegevens gaat die onder haar verschoningsrecht vallen.

De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en overwoog daartoe, voor zover hier van belang, het volgende:

“De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde camerabeelden niet zijn aan te merken als informatie waarvan de wetenschap aan klaagster is toevertrouwd uit hoofde van haar stand, beroep of ambt en waarover aldus de geheimhoudingsplicht zich uitstrekt. Op de bewuste camerabeelden van zowel de toegangswegen tot als de wachtruimte van de eerste hulp van het [A] ziekenhuis, zullen niet alleen patiënten kunnen worden waargenomen, maar ook andere bezoekers van het [A] . Aan de hand van de beelden kunnen individuele personen derhalve niet als patiënt worden geïdentificeerd. Zij geven informatie over bezoekers van het [A] ziekenhuis te [plaats] binnen de beperkte periode van twee uren op de datum 12 maart 2017, waarbij sommige bezoekers patiënt kunnen zijn of mogelijk mensen die medische hulp zoeken, maar de bezoekers kunnen ook begeleiders van deze personen zijn of personen die om hele andere redenen dan het verkrijgen van medische hulp het ziekenhuis bezoeken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de plaatsen waar de camerabeelden zijn gemaakt voor eenieder toegankelijk zijn en dat hetgeen op de beelden zichtbaar is derhalve voor iedereen die zich op dat moment ter plaatse bevond, zichtbaar was.

Op grond van de haar ter beschikking staande stukken, is de rechtbank gelet hierop van oordeel dat de gevorderde camerabeelden geen geheimhoudersstukken of -informatie betreffen en dat de gevorderde beelden kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding ter zake van de opsporing van een (ernstig) strafbaar feit.”

Ik stel voorop dat de kring van informatie waartoe het verschoningsrecht van de arts zich uitstrekt, in de jurisprudentie ruim wordt getrokken. Het gaat daarbij niet uitsluitend om feiten die betrekking hebben op de behandeling en de verzorging van de aan de arts toevertrouwde patiënten. Dat blijkt uit een arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad (HR 23 november 1990, NJ 1991/761), dat betrekking had op een verpleger die opgeroepen was om bij de raadsheer-commissaris te getuigen over de vraag of een patiënte gedurende haar opname in de verpleeginrichting het bed had gedeeld met een of meer andere mannen. Het door de verpleger gedane beroep op zijn afgeleid verschoningsrecht werd door de raadsheer-commissaris afgewezen omdat het om feiten ging die niets met de behandeling en de verzorging van de patiënte te maken hadden. Volgens de Hoge Raad getuigde dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting:

“Aangenomen moet immers worden dat het verschoningsrecht van de verpleger zich niet alleen uitstrekt tot feiten die betrekking hebben op de behandeling en de verzorging van de aan zijn zorgen toevertrouwde patiënten, maar ook tot feiten die hem in zijn hoedanigheid zijn medegedeeld of waarvan hij in zijn hoedanigheid heeft kennis gekregen, en waarvan de openbaarmaking het vertrouwen zou beschamen dat de patiënten met het oog op zijn hulpverlenende taak in hem moeten kunnen stellen. Aan deze eis zal in het bijzonder zijn voldaan, wanneer het gaat om feiten die de persoonlijke levenssfeer van de aan hem toevertrouwde patiënten betreffen, zoals in de onderhavige zaak onmiskenbaar het geval is.”

De vraag is hoe deze overweging precies moet worden uitgelegd. Als ik Bertens goed begrijp, leest hij in deze overweging dat in alle gevallen getoetst moet worden of openbaarmaking van het desbetreffende gegeven afbreuk doet aan de vertrouwensrelatie. Die – overigens door hem bekritiseerde – opvatting levert zijns inziens vooral problemen op als enkel gevraagd wordt naar het bestaan van een hulpverleningsrelatie of naar de persoonsgegevens van een patiënt. Aan de hand van welke criteria moet worden uitgemaakt of het verstrekken van deze gegevens de vertrouwensrelatie schaadt?5 Ik meen dat de overweging van de Hoge Raad ook anders gelezen kan worden. In die lezing speelt de door Bertens bedoelde toetsing alleen een rol als het gaat om feiten die geen betrekking hebben op de behandeling en de verzorging als zodanig. Het bestaan van een behandelrelatie is, zo althans kan verdedigd worden, wél een feit dat betrekking heeft op de behandeling en verzorging. Tot dat feit strekt het verschoningsrecht zich dus in de door mij voorgestane lezing van het arrest van de Hoge Raad sowieso uit, zodat een nadere toetsing achterwege kan blijven. Hetzelfde zou dan kunnen gelden voor het verstrekken van de personalia van patiënten. Daaruit blijkt immers indirect welke personen zich tot de arts hebben gewend.

De vraag of het bestaan van een hulpverleningsrelatie dan wel de personalia van de cliënt feiten zijn waartoe het verschoningsrecht zich uitstrekt, is in de jurisprudentie van de Hoge Raad een enkele keer expliciet aan de orde geweest. Ik noem HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4663, waarin het ging om declaraties met bijbehorende urenspecificaties van een advocaat aan zijn cliënt, die in de woning van een derde in beslag waren genomen. De urenspecificaties waren al door de R-C teruggegeven omdat zij onder het verschoningsrecht zouden vallen. De rechtbank gelastte de teruggave van de declaraties omdat zij deel uitmaakten van de urenspecificaties en daarom ook onder het verschoningsrecht vielen. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook niet onbegrijpelijk. Ik noem ook HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2678. Het ging hier om gegevens die waren verkregen door het afluisteren van de telefoon van de verdachte. Die belde met zijn advocaat om een afspraak te maken voor een bespreking. Het hof had geoordeeld dat dit tapgesprek onder het verschoningsrecht van de advocaat viel en daarom op grond van art. 126aa lid 2 Sv vernietigd had behoren te worden en niet operationeel had mogen worden gebruikt. Volgens de Hoge Raad gaf dat oordeel, “gelet op de aard en de inhoud van de onderhavige gegevens alsmede de overige omstandigheden van het geval”, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat ook gegevens waaruit indirect van een hulpverleningsrelatie blijkt, zoals een kwitantie, onder het verschoningsrecht kunnen vallen. Veel aan bijkomende omstandigheden lijkt daarvoor niet vereist te zijn. Dat van belang was dat de desbetreffende kwitantie deel uitmaakte van de urenspecificaties, moet wellicht zo worden begrepen dat daaruit kon worden afgeleid dat die kwitantie betrekking had op diensten die de advocaat in zijn hoedanigheid van advocaat had verricht. Moeilijker te begrijpen is dat de Hoge Raad in het arrest uit 2009 – nota bene bij de vraag of sprake was van een onjuiste rechtsopvatting – naast de aard en de inhoud van het telefoongesprek (waaruit zonneklaar bleek dat de verdachte als rechtzoekende contact met de advocaat zocht) ook de “overige omstandigheden van het geval” van belang achtte. Bertens ziet daarin een bevestiging van zijn stelling dat de Hoge Raad bij feiten waaruit van een hulpverleningsrelatie blijkt, een nadere toets aanlegt. Een andere verklaring zou echter kunnen zijn dat het oordeel van de Hoge Raad niet alleen betrekking had op de vraag of de bedoelde gegevens onder het verschoningsrecht vielen, maar ook op de vraag of die gegevens operationeel mochten worden gebruikt. Mogelijk kent de Hoge Raad (alleen) bij die vraag betekenis toe aan de bijzonderheden van het geval.

Terug naar de onderhavige zaak. De rechtbank lijkt niet te miskennen dat camerabeelden waaruit het bestaan van een (al bestaande of op dat moment nog toekomstige) behandelrelatie blijkt, dan wel met behulp waarvan de identiteit van de betrokken patiënten kan worden achterhaald, onder de reikwijdte van het verschoningsrecht kunnen vallen. Het belangrijkste argument op grond waarvan de rechtbank het beroep op het verschoningsrecht desondanks afwijst, is als ik het goed begrijp dat op de camerabeelden niet te zien is wie patiënt is en wie slechts bezoeker of begeleider is. Dat argument getuigt naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. Het feit dat op de camerabeelden ook bezoekers en begeleiders te zien zijn, doet er namelijk niet aan af dat op die beelden (veel) patiënten voorkomen waarvan de identiteit zou kunnen worden achterhaald als die beelden aan de politie ter beschikking worden gesteld. Gezien het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend – namelijk dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot (in dit geval) een arts moet kunnen wenden – brengt mee dat de vraag of het verstrekken van gegevens het in de arts gestelde vertrouwen beschaamt, beantwoord moet worden vanuit het perspectief van de hulpzoekende. Een pleger van een strafbaar feit kan zich niet vrijelijk onder behandeling stellen van een ziekenhuis als zijn bezoek aan het ziekenhuis wordt vastgelegd op camerabeelden die aan de politie worden overgedragen.

Naast dit in mijn ogen doorslaggevende argument waarom de opvatting van de rechtbank voor onjuist moet worden gehouden, staan andere, bijkomende argumenten. Ik wijs er in de eerste plaats op dat de stelling dat op de camerabeelden niet te zien is wie patiënt is en wie niet, niet altijd opgaat. De amateurvoetballer bijvoorbeeld die, ondersteund door ploeggenoten, met verbrijzeld scheenbeen de wachtkamer binnenstrompelt, zal door iedere opmerkzame opsporingsambtenaar onmiddellijk als patiënt worden herkend. Ik merk in de tweede plaats op dat het nog maar de vraag is of de identiteit van bezoekers en begeleiders niet door het verschoningsrecht wordt bestreken. Als een patiënte erop mag vertrouwen dat het ziekenhuis niet openbaart met wie zij een amoureuze relatie is aangegaan, mag een patiënt er onder omstandigheden misschien ook wel op vertrouwen dat het ziekenhuis niet prijsgeeft wie bij hem op bezoek is gekomen.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat, zoals de rechtbank overweegt, de plaatsen waar de camerabeelden zijn gemaakt voor een ieder toegankelijk zijn en dat hetgeen op die beelden is vastgelegd door iedere aanwezige kon worden waargenomen. Ik merk daarbij op dat het misschien zo moge zijn dat informatie die voor ieder toegankelijk is, niet als vertrouwelijke informatie kan worden aangemerkt die onder het verschoningsrecht valt, maar om dergelijke informatie gaat het hier niet. Geen ooggetuigenverslag, hoe volledig en accuraat ook, kan de gegevens verschaffen die nodig zijn om de identiteit te achterhalen van de man die het slachtoffer meende te herkennen. De informatie op de camerabeelden was dus wel degelijk exclusief (in die zin dat alleen het ziekenhuis daarover beschikte), zodat hetgeen de rechtbank overwoog geen grond oplevert om aan die informatie een vertrouwelijk karakter te ontzeggen.

Het middel slaagt.


Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF