Conclusie AG over profijtontneming & Geerings-problematiek: Klacht dat het hof het w.v.v. heeft gebaseerd op een strafbaar feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken

Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:654

Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 21 april 2017 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €4.726.203 en aan hem de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van €4.721.203.
 

Middel

Het middel behelst de klacht dat het hof in strijd met de zogenoemde Geerings-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op een strafbaar feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken.
 

Conclusie AG

9. De steller van het middel beroept zich – in navolging van het in hoger beroep gevoerde verweer – op het zogenoemde Geerings-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Uit dat arrest volgt dat de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM zich verzet tegen het ontnemen van voordeel dat is verkregen door feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Het komt daarbij aan op de vraag of de rechter in de ontnemingszaak alsnog de schuld van de betrokkene heeft aangenomen aan een strafbaar feit waarvan hij is vrijgesproken.

10. Ten laste van de betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bewezen verklaard dat hij zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan oplichting door A S.A. (hierna: A). In de tenlastelegging was ook het feitelijk leidinggeven aan oplichting door B B.V (hierna: B) en / of één of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en) opgenomen, maar daarvan is de betrokkene vrijgesproken. De steller van het middel wijst er in de toelichting op het middel op dat de aan de uitspraak van het hof gehechte lijst met inleggers en transacties de rekeningnummers bevat waarnaar benadeelden geldbedragen hebben overgemaakt. In veel gevallen zijn deze geldbedragen niet overgemaakt naar de bankrekening van A (001), maar naar andere rekeningen, waaronder die van B (002). Het hof heeft overwogen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan en dat hij hieruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Volgens de steller van het middel heeft het hof in het licht van de partiële vrijspraak in strijd gehandeld met de zogenoemde Geerings-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

11. Uit de bewijsvoering in het aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende arrest in de strafzaak kan het volgende worden afgeleid. De betrokkene heeft als feitelijk leidinggever van A aan diverse benadeelden obligaties (genaamd “de obligaties”) van A verkocht. De benadeelden werd daarbij echter niet verteld dat zij obligaties kochten, maar dat hun geld zou worden ondergebracht op spaarrekeningen of -deposito’s in Luxemburg en dat zij zo zonder veel risico te lopen een hoog rendement konden behalen op hun spaartegoeden. In werkelijkheid kwamen de door de benadeelden overgemaakte geldbedragen terecht bij B. B gebruikte deze gelden om investeringen te doen in andere bedrijven. De in de bewezenverklaring genoemde benadeelden maakten geldbedragen naar verschillende bankrekeningen over. Sommigen maakten geld over naar de bankrekening van A (001), anderen naar de bankrekening van B (002) of een privérekening van de betrokkene (003). Geen van de geldbedragen is uiteindelijk terechtgekomen op een spaarrekening of -deposito.

12. Ik meen dat het middel berust op een onjuiste duiding van het arrest van het hof in de strafzaak. Het hof heeft in de strafzaak geoordeeld dat de betrokkene feitelijk leiding heeft gegeven aan oplichting door A en dat deze oplichting heeft plaatsgevonden door mensen ertoe te bewegen geldbedragen over te maken naar hetzij de bankrekening van A, hetzij naar overige bankrekeningen, waaronder de rekening van B. Illustratief is dat de in de bewezenverklaring genoemde inleggelden in sommige gevallen op de bankrekening van B zijn gestort. Het gaat daarbij dus om overboekingen die onderdeel vormen van het bewezen verklaarde en niet van hetgeen waarvoor is vrijgesproken. De vrijspraak wegens feitelijk leidinggeven aan de oplichting ten aanzien van B berust er kennelijk op dat niet B, maar A degene is geweest die de benadeelden ertoe heeft bewogen gelden over te maken naar de voornoemde bankrekeningen.

13. Gelet op het voorafgaande, is het oordeel van het hof dat zich in de onderhavige zaak geen strijd voordoet met de Geerings-rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens indien op andere bankrekeningen dan de bankrekening van A gestorte gelden als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt, niet onbegrijpelijk. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de overweging van het hof dat “A en niet B B.V. of andere rechtspersonen, de door de opgelichte personen ingelegde gelden heeft overgeboekt naar acht verschillende bankrekeningen” niet zonder meer te rijmen valt met hetgeen uit de bewijsvoering in de strafzaak kan worden afgeleid. Het hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat A, en niet B, de benadeelden heeft bewogen tot het overmaken van geldbedragen naar bankrekeningen van onder meer A en B, zodat de omstandigheid dat de betrokkene is vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan oplichting door B er niet aan in de weg staat om geldbedragen, gestort op de bankrekening van B, als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken. Ook ten aanzien van op de bankrekening van B gestorte gelden bestaan immers, zo ligt in het oordeel van het hof besloten, voldoende aanwijzingen dat A zich schuldig heeft gemaakt aan het bewegen tot de afgifte daarvan, terwijl de betrokkene aan die feiten feitelijk leiding heeft gegeven. Aldus gelezen, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

 

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF