CIE-informatie. Onvoldoende grondslag voor doorzoeking woning. Onherstelbaar verzuim. Strafvermindering.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 februari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:818

Op 1 oktober 2012 ontving de politie een CIE proces-verbaal onder meer inhoudende:

Bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Zeeland is in de maand september 2012 via een informant de navolgende informatie binnengekomen:

“Sinds[verdachte] uit Goes is neergestoken in augustus 2012, draagt hij 24 uur per dag een vuurwapen bij zich om zichzelf te verdedigen.”

Een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie kan niet worden gegeven.

Uit onderzoek is gebleken dat met verdachte uit Goes verdachte wordt bedoeld.

Naar aanleiding van de CIE-informatie is onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van verdachte waaruit naar voren kwam dat verdachte behalve op het van hem bekende GBA-adres ook regelmatig op het adres van zijn moeder verbleef. Met toestemming van de officier van justitie zijn vervolgens machtigingen tot binnentreden op grond van de Wet wapens en munitie voor beide adressen verstrekt.

Op 9 oktober 2012 is binnen getreden op het adres van verdachte. In de woning zijn in de kelderkast in een koffer vijftien patronen aangetroffen. Deze zijn in beslag genomen. Uit een proces-verbaal van 17 december 2012 van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie blijkt dat de kogelpatronen munitie zijn in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III en artikel 3 lid 2 van de Wet wapens en munitie. Er is sprake van het voorhanden hebben van munitie categorie III, verboden in artikel 26 lid 1 en strafbaar gesteld in artikel 55 lid van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft verklaard dat hij de kogelpatronen voor een ander in bewaring had.

Bewijsoverwegingen

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat de opsporingsresultaten in het onderzoek tegen verdachte onrechtmatig zijn verkregen en dat het verkregen bewijs op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering moet worden uitgesloten. Hiertoe is, onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal bij Hoge Raad 23 maart 2010, LJN: BK6929), gesteld dat de binnentreding van de woning van verdachte onrechtmatig is nu deze uitsluitend was gebaseerd op de CIE-informatie. Daarbij is uit die informatie alleen op te maken dat verdachte een wapen bij zich droeg en niet dat hij een wapen in zijn woning bewaarde. De politie heeft als nader onderzoek slechts gekeken waar verdachte woonde. De verdediging heeft tot vrijspraak geconcludeerd.

Ter beoordeling is of de bij de Criminele Inlichtingen Eenheid binnengekomen informatie voldoende basis is voor een redelijk vermoeden van overtreding van de Wet wapens en munitie.

Volgens vaste rechtspraak kan verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie vermelde informatie. Die informatie was in deze zaak vervat in een melding van de CIE. Of de informatie toereikend is voor de toepassing van het genoemde dwangmiddel van een doorzoeking is afhankelijk van de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

De politierechter stelt vast dat geen verificatie van de CIE-informatie heeft plaatsgevonden anders dan dat uit onderzoek is gebleken dat met ‘verdachte uit Goes’ verdachte wordt bedoeld. Voorts staat vast dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de aan de CIE verstrekte informatie niet kan worden gegeven.

Naar het oordeel van de politierechter is genoemde CIE-informatie, mede gelet op hetgeen hiervoor over de verificatie en de betrouwbaarheid is vastgesteld, onvoldoende grondslag om redelijkerwijs te kunnen vermoeden dat wapens of munitie in de woning van verdachte aanwezig waren. Er was dan ook geen basis voor het verlenen van een machtiging om op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie de woning van verdachte te doorzoeken. Nu geen sprake is geweest van een op rechtmatige gronden verleende machtiging is de daarop gebaseerde doorzoeking naar het oordeel van de politierechter een ongerechtvaardigde inbreuk op de bescherming van het huisrecht. Dit verzuim tijdens het voorbereidend onderzoek kan niet meer worden hersteld. De politierechter is daarom van oordeel dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Bij de beoordeling of, en zo ja, welk gevolg aan dit verzuim verbonden dient te worden, houdt de politierechter rekening met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Enig nadeel van doorzoeking van de woning voor verdachte is gesteld noch aannemelijk geworden, afgezien van enige verstoring van het gezinsleven van verdachte en mogelijke overlast als gevolg van de aanwezigheid van politie in de woning. Het feit dat munitie in de woning is aangetroffen is niet als een nadeel aan te merken. De politierechter is van oordeel dat, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, niet kan worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim. Naar het oordeel van de politierechter wordt het vormverzuim, inhoudende dat op onrechtmatige wijze inbreuk op het huisrecht van verdachte is gemaakt, in voldoende mate gecompenseerd door een lagere straf op te leggen dan het geval zou zijn geweest indien het verzuim zich niet had voorgedaan.

Het verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 oktober 2012 te Goes voorhanden heeft gehad 15 patronen in de zin van de Wet wapens en munitie van categorie III.

Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 oktober 2012 te Goes voorhanden heeft gehad 15 patronen in de zin van de Wet wapens en munitie van categorie III.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 20 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF