BTW-fraude: Prejudiciële Hofzaak FIRIN

Hof van Justitie 13 maart 2014 C‑107/13 (FIRIN OOD tegen Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika)

De zaak gaat over weigering van het recht op aftrek van voorbelasting over een in 2010 gesloten koopovereenkomst met betrekking tot tarwe tussen verzoekster (handel in brood en gebakwaren) en Agra Plani, een leverancier van wie vaststaat dat zij niet voldoet aan de in het nationale recht voorziene verplichting tot registratie bij de nationale dienst voor granen waardoor zij niet in graan mag handelen.

Verzoekster is gedeeld eigendom van de vennootschap York Sky en de natuurlijke persoon Yorkishev. Laatstgenoemde is op zijn beurt enige aandeelhouder van Agra Plani.

De overdrachtsdatum van het graan is vastgesteld op 31 december 2011 en in geval van niet tijdige nakoming niet ten gevolge van overmacht zou de datum 31 december 2012 worden. De overeengekomen prijs (incl. btw) is betaald, maar er wordt een hoger bedrag naar de rekening van Agra Plani overgemaakt, dat wordt doorgeboekt naar de rekening van York Sky, dit omdat er een leenovereenkomst zou zijn gesloten die ook aan de controlerende instantie is getoond. Er is echter geen spoor van terugbetaling gevonden. York Sky heeft het betreffende bedrag weer doorgeboekt naar de rekening van verzoekster en dit verklaard als aanvullende kapitaalinbreng.

Agra Plani heeft de over de transactie verschuldigde btw niet betaald maar heeft zich vóór het verstrijken van de deadline uit het btw-register laten uitschrijven.

Verweerster (belastingdienst) spreekt van schijntransacties en is van mening dat er geen recht op aftrek bestaat omdat de hoofdprestatie nooit is verricht, alsmede dat verzoekster op de hoogte moet zijn geweest dat de in rekening gebrachte btw nooit zou worden betaald.

De verwijzende BUL rechter constateert dat in deze zaak aan de formele vereisten voor aftrek voorbelasting is voldaan, maar uit Hofuitspraken blijkt dat de nietigheid van een bepaalde transactie op grond van een nationale regeling niet altijd betekent dat deze voor de doel-stellingen van het gemeenschappelijke btw-stelsel onbelastbaar is. Hij stelt het HvJEU vier vragen:

  1. Moeten in gevallen als die in het hoofdgeding, waarin de btw die samenhangt met een vooruitbetaling voor een toekomstige en duidelijk bepaalbare levering van waren onmiddellijk en daadwerkelijk in aftrek is gebracht, de voorschriften van artikel 168, sub a, juncto de artikelen 65, 90, lid 1, en 185, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 inzake het gemeenschappelijke btw-stelsel aldus coherent worden uitgelegd dat wanneer de hoofdprestatie wegens objectieve en/of subjectieve gronden niet conform de leveringsvoorwaarden wordt uitgevoerd, het recht op aftrek van voorbelasting op het tijdstip van de uitoefening ervan moet worden geweigerd?
  2. Volgt uit deze coherente uitlegging en gezien het beginsel van de fiscale neutraliteit, dat in een dergelijke casus betekenis toekomt (of niet) aan de objectieve onmogelijkheid van de leverancier om de gefactureerde btw en/of de maatstaf van heffing te corrigeren op de wijze voorzien in het nationale recht, en welke invloed zou een dergelijke correctie hebben op de weigering van de oorspronkelijke aftrek van voorbelasting?
  3. Moet artikel 205 juncto de artikelen 168, sub a, en 193 van richtlijn 2006/112, punt 44 van de considerans ervan mede in acht genomen, aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten is toegestaan de ontvanger van een levering het recht op aftrek van voorbelasting te weigeren op grond van uitsluitend criteria die zij zelf in een nationale wettelijke regeling hebben vastgelegd, krachtens welke een andere persoon dan de belastingplichtige een belastingschuld krijgt opgelegd, wanneer in dat geval het fiscale eindresultaat anders zou zijn dan het resultaat waartoe de strikte naleving van de door de lidstaat vastgestelde regels zou hebben geleid?
  4. Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn dan nationale bepalingen als die aan de orde in het hoofdgeding krachtens artikel 205 van richtlijn 2006/112 toelaatbaar en met het effectiviteits- en het evenredigheidsbeginsel verenigbaar, wanneer zij hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van btw invoeren, waarbij rekening wordt gehouden met vermoedens die niet afhangen van direct vaststelbare objectieve feiten, maar een uitdrukking zijn van zorgvuldig uitgewerkte figuren uit het burgerlijke recht, waarover in geval van geschil via een andere rechtsgang een eindoordeel wordt geveld?

Hof van Justitie: De artikelen 65, 90, lid 1, 168, sub a, 185, lid 1, en 193 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde door de ontvanger van een factuur die is opgesteld met het oog op de vooruitbetaling voor de levering van goederen, wordt herzien wanneer, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, die levering uiteindelijk niet plaatsvindt, ook al zou de leverancier die belasting nog steeds moeten betalen en de vooruitbetaling niet hebben terugbetaald.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF