Bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel rekening houden met bedragen die reeds via de belastingheffing als voordeel zijn ontnomen?

Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 maart 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 527.083 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 114.130.

Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. Teengs Gerritsen, advocaat-generaal bij het hof ’s Hertogenbosch, cassatieberoep ingesteld. 

De bestreden uitspraak houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, het volgende in:

"[H]et hof [zal] voor wat betreft de vaststelling van de betalingsverplichting de zienswijze van de verdediging volgen als neergelegd in de pleitnotitie d.d. 16 februari 2015.

Deze zienswijze houdt - kort gezegd - in dat de inkomsten, die hebben geleid tot de onderhavige ontnemingsvordering, reeds in de belastingheffing zijn betrokken en derhalve op het ontnemingsbedrag in mindering dienen te worden gebracht teneinde een "dubbele" ontneming, namelijk zowel via de strafrechtelijke als de fiscaalrechtelijke weg, te voorkomen.

Uit het door de verdediging verstrekte, en door het Openbaar Ministerie niet weersproken, overzicht van de Belastingdienst over de jaren 2005 tot en met 2008 blijkt dat de navolgende bedragen reeds via de belastingheffing als voordeel zijn ontnomen:

Jaar 2005: € 99.305,-

Jaar 2006: € 103.044,-

Jaar 2007: € 78.962,-

Jaar 2008: € 74.774,-

Totaal: € 356.085,-.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof de betalingsverplichting vooralsnog vast op (€ 527.083 - € 356.085,-=) € 170.998,-."

Bij schriftuur heeft mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het Ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld.

Ook de betrokkene heeft cassatieberoep doen instellen. Namens de betrokkene heeft mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Sittard, een schriftuur ingediend houdende één middel van cassatie.


Middel

Het middel van het Openbaar Ministerie valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht, bezien in samenhang met de toelichting, keert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat bij de bepaling van de hoogte van het door de betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen totaalbedrag rekening dient te worden gehouden met de bedragen die reeds via de belastingheffing als voordeel zijn ontnomen. Deze klacht zal ik hieronder als eerste bespreken.

De tweede klacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de verkoopwaarden van de in de strafzaak tegen de betrokkene verbeurdverklaarde goederen op het aan de Staat te betalen bedrag in mindering moeten worden gebracht. De tweede klacht leent zich voor gezamenlijke bespreking met het middel dat namens de verdachte is voorgesteld, nu dit middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat bij de vaststelling van de waarden van de verbeurdverklaarde voorwerpen overeenkomstig vast beleid telkens dient te worden uitgegaan van de hoogste waarde daarvan.
 

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van de klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. In zijn arrest van 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947, NJ 1998/499 heeft de Hoge Raad - onder verwijzing naar de in dat arrest weergegeven wetsgeschiedenis - het volgende overwogen:

"(...) het fiscale mechanisme dat, voorzover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voorzover dat voordeel weer wordt ontnomen, [leidt] naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor vorenomschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing."

Het genoemde fiscale mechanisme heeft alleen betrekking op heffingen over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel en ziet niet op belastingen met een andere heffingsgrondslag (vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264, NJ 2016/57). Dit betekent dat de rechter die oordeelt in de ontnemingsprocedure bij de vaststelling van de hoogte van het door de betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag geen rekening dient te houden met de belastingheffing over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het oordeel van het Hof dat de bedragen aan belastingheffing over "de inkomsten, die hebben geleid tot de onderhavige ontnemingsvordering" bij de vaststelling van de betalingsverplichting in mindering dienen te worden gebracht op het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, getuigt - in aanmerking genomen hetgeen in 2.3 is vooropgesteld - van een onjuiste rechtsopvatting.

De klacht is gegrond.

Voorts klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat de waarde van in de strafzaak tegen de betrokkene verbeurdverklaarde voorwerpen in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van het door de betrokkene aan de Staat te betalen geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, het volgende in:

"Verbeurdverklaring

Het arrest van het hof van 15 februari 2011 in de onderliggende strafzaak is inmiddels onherroepelijk.

In dat arrest zijn de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard:

- waterscooter, jetski met trailer, kenteken [AA-00-BB];

- motorfiets, mini motor, kleur zwart;

- motorfiets, mini motor, kleur geel;

- personenauto, Mercedes C-Klasse, kenteken [CC-00-DD];

- scooter, Gilera Runner, kenteken [EE-00-FF];

- personenauto, Mercedes SL, kenteken [GG-00-HH].

Met de rechtbank zal het hof bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening houden met voormelde verbeurd verklaarde voorwerpen behalve de twee mini motoren omdat deze niet in de kasopstelling zijn meegenomen.

(...)

Uit de notitie van de advocaat-generaal volgen de navolgende opbrengsten van de vervreemde verbeurdverklaarde goederen:

- waterscooter, jetski met trailer, kenteken [AA-00-BB] € 4.788,-

- personenauto, Mercedes C-Klasse, kenteken [CC-00-DD] € 22.512,-

- scooter, Gilera Runner, kenteken [EE-00-FF] € 1.257,-

- personenauto, Mercedes SL, kenteken [GG-00-HH] € 28.311,-

Totaal € 56.868,-."

De klacht berust op de opvatting dat bij de bepaling van het aan de Staat te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening mag worden gehouden met de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen, reeds omdat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de met verbeurdverklaring, zijnde een straf, beoogde leedtoevoeging. Die opvatting vindt evenwel geen steun in het recht (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283).

De klacht faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF