Bezwaarschrift ex art. 182 lid 6 Sv tegen weigering RC om onderzoekshandelingen te verrichten

Rechtbank Arnhem 26 april 2013, LJN BZ9298

Feiten

Klager heeft op 14 maart 2013 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten het (doen) in beslag nemen van een personenauto van het merk Mercedes. Door klager is hiertoe aangevoerd dat - ter voorkoming van het kwijtraken van sporen - het veiligstellen van de auto door middel van (een hernieuwde) inbeslagname noodzakelijk is.

De rechter-commissaris heeft dit geweigerd bij beschikking, welke weigering steunt op twee gronden.

  1. Allereerst heeft de rechter-commissaris overwogen: “dat inbeslagneming een strafvorderlijk dwangmiddel is en daarom niet kan worden aangemerkt als een onderzoekshandeling. Op grond van het Wetboek van Strafvordering, artikel 104, eerste lid, is de rechter-commissaris bevoegd tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen indien hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht. De rechter-commissaris stelt vast dat zulks niet het geval is. Immers, in het verzoekschrift wordt ter motivering opgemerkt dat met de mogelijkheid rekening moet worden gehouden dat in de nabije toekomst het noodzakelijk zal zijn om nader onderzoek aan de auto te doen.” 
  2. Ten tweede heeft de rechter-commissaris overwogen: “Bij brief van 19 februari 2013 heeft de raadsman van klager aan de officier van justitie meegedeeld dat er een aangifte ligt van onder meer een poging moord c.q. doodslag gepleegd jegens klager en dat het in het kader van dát onderzoek onontbeerlijk is dat de auto wordt bewaard om nader te kunnen onderzoeken. De rechter-commissaris stelt vast dat het verzoek kennelijk is gericht op een nader (de raadkamer begrijpt: ander) onderzoek in het kader van een aangifte door verzoeker en niet in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker. Daarom kan het onderhavige verzoek niet worden aangemerkt als een verzoek zoals bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, artikel 182, eerste lid.”

In het namens klager ingediende bezwaarschrift d.d. 18 maart 2013 wordt (nader) ingegaan op de redenen waarom klager heeft verzocht de geweigerde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten. Hiertoe is aangevoerd dat het verzoek tot het (doen) verrichten van onderzoekshandelingen betrekking heeft op onherstelbare vormverzuimen in de onderhavige strafzaak. Daarbij wordt genoemd: onderzoek naar de proportionaliteit van de wijze van aanhouding en naar de wijze waarop de verbaliseringsplicht niet is nageleefd.

Beoordeling ten aanzien van de tweede grond tot weigering

De raadkamer is met de rechter-commissaris van oordeel dat het Wetboek van Strafvordering, noch het systeem van strafvordering, een kader geeft voor een aangever van een strafbaar feit om de rechter-commissaris te verzoeken de in dit bezwaarschrift bedoelde onderzoekshandelingen te verrichten. Voor zover het verzoek is gebaseerd op enig (aanvullend) onderzoek in het kader van de aangifte wegens moord c.q. doodslag, acht de raadkamer het bezwaarschrift dan ook ongegrond.

Beoordeling ten aanzien van de eerste grond tot weigering

De raadkamer stelt vast dat klager in het namens hem ingediende verzoekschrift aan de rechter-commissaris verzoekt om inbeslagneming, alsmede om veiligstelling van de auto totdat “de leden van het arrestatieteam zijn gehoord en nader onderzoek niet (meer) noodzakelijk zal zijn (omdat de schutter/schutters zich bekend heeft/hebben gemaakt) of nadat het nadere onderzoek aan de auto is (..) verricht”.

De raadkamer ziet hierin niet een opgave van de onderzoekshandelingen zoals bedoeld in artikel 182 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. In dat licht bezien, acht de raadkamer de afwijzing van het verzoek door de rechter-commissaris niet onbegrijpelijk.

Echter, gezien de recent in werking getreden Wet Versterking Positie Rechter-Commissaris, de nader vorm te krijgen uitvoering van die wet, alsmede de achterliggende bedoeling van de wetgever bij die wet, te weten – kort weergegeven – een meer efficiënte dossiervorming tijdens het voorbereidend onderzoek, zal de raadkamer in dit bijzondere geval de namens klager tijdens de behandeling in raadkamer nader naar voren gebrachte onderzoekswensen in de beoordeling betrekken (toetsing ex nunc). Immers, een efficiënte voortgang van de zaak is niet gebaat bij een hernieuwd verzoek aan de rechter-commissaris tot het verrichten van onderzoekshandelingen.

Nadere beoordeling van het verzoek tot verrichten van onderzoekshandelingen 

Standpunt klager

De raadsman heeft tijdens de behandeling in raadkamer (aanvullend) verzocht om de navolgende onderzoekshandelingen te verrichten:

A. Nadat de auto in beslag is genomen dient het NFI de opdracht te krijgen om het volgende te onderzoeken:

  1. door welke vuurwapens (met vermelding uniek registratienummer van het wapen) zijn welke kogel(s) afgevuurd? 
  2. van welke afstand en welke hoogte zijn de kogels steeds afgevuurd (deze vraag ten aanzien van iedere kogelinslag)? 
  3. wat is de exacte kogelbaan steeds geweest (deze vraag ten aanzien van iedere kogelinslag)? 
  4. zijn er daarbij kogels afgeketst, of zijn ze in een continue rechte baan gegaan (deze vraag ten aanzien van iedere afgevuurde kogel)? 

Voorts heeft de raadsman aangegeven dat hij, indien de verhoren van de leden van het arrestatieteam naar zijn mening onvoldoende informatie opleveren, wenst dat:

B. de Mercedes aan een nader opsporingsonderzoek onderworpen wordt om antwoorden te krijgen op vragen als:

  1. door welk lid/welke leden van het arrestatieteam is er geschoten? 
  2. hoe vaak is er geschoten? 
  3. vanuit welke positie is er geschoten? 

De raadsman heeft aangegeven dat zijn cliënt belang heeft bij de resultaten van deze onderzoekshandelingen, omdat deze kunnen leiden tot de vaststelling dat individualiseerbare leden van het arrestatieteam zich niet hebben gehouden aan hun wettelijke verbaliseringsplicht en/of de Ambtsinstructie. Daardoor kan sprake zijn van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Standpunt officier van justitie 

De officier van justitie is van mening dat klager geen belang heeft bij de gewenste onderzoekshandelingen. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 13 januari 2013 blijkt dat reeds aan de ter zitting door de raadsman geformuleerde onderzoekswensen is voldaan. Nu de raadsman, die reeds langere tijd beschikt over dit proces-verbaal, zich bovendien niet heeft verzet tegen de inhoud daarvan, noch heeft verzocht om aanvullende onderzoekshandelingen, kan naar de mening van de officier van justitie thans geen sprake meer zijn van enig belang van klager bij de gewenste onderzoekshandelingen.

Boordeling raadkamer 

De raadkamer komt op basis van het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 13 januari 2013 tot de gevolgtrekking dat de door klager verlangde onderzoekshandelingen reeds zijn uitgevoerd, voor zover betrekking hebbend op de vragen zoals hiervoor genoemd onder A. 3 t/m 4 (deels) en onder B. 2. Door of namens klager is daarenboven niet aangegeven of, en zo ja in welke mate, het reeds uitgevoerde sporenonderzoek onvolledig of onjuist zou zijn.

Ten aanzien van de onder A. 1, 2 en 4 (deels), alsmede onder B. 1 en 3 door de raadsman geformuleerde vragen overweegt de raadkamer dat klager niet duidelijk heeft kunnen maken hoe deze vragen in redelijkheid beantwoord kunnen worden door een nader technisch onderzoek aan de auto. De raadkamer vermag dit ook niet in te zien.

De raadkamer overweegt voorts dat de vragen als weergegeven onder A. 1, 2 en 4 (deels), alsmede onder B. 1 en 3, vooral lijken te zijn ingegeven door de vraag welke individuele politiefunctionaris welk schot heeft gelost. Daaromtrent is de raadkamer van oordeel dat klager onvoldoende heeft onderbouwd welk belang hij daarbij heeft met betrekking tot het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht.

In algemene zin is de raadkamer voorts van oordeel dat door of namens klager onvoldoende is aangegeven welk redelijk belang hij, met betrekking tot het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht, anderszins nog heeft bij een nader technisch onderzoek.

De raadkamer zal gelet op het vorenstaande het bezwaarschrift ongegrond verklaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF