Bevoegdheid BOA Domein openbare ruimte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7711

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €90 opgelegd ter zake van “een weg gebruiken in strijd met geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen (bord C12)”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2013 om 13:40 uur op de Veenendaalseweg te De Klomp met het voertuig met het kenteken YY-YY-00.

Door de betrokkene is onder meer aangevoerd dat de in deze zaak betrokken verbalisant, een buitengewoon opsporingsambtenaar (verder: boa) in het domein openbare ruimte, niet bevoegd was om de camerabeelden van de gedraging uit te lezen en de sanctie op te leggen.

In voormeld tussenarrest heeft het hof overwogen dat de bevoegdheid van de verbalisant ter zake van deze gedraging beperkt is, gelet op het bepaalde in het Besluit van de Minister van Justitie van 7 september 2010 (nr. 5655046/Justis/10), strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Ede in het domein Openbare Ruimte (verder: het Besluit) in samenhang met bijlage A-1 van de destijds geldende Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar: louter in relatie tot de openbare orde was hij bevoegd op te treden ter zake van deze gedraging. Aangezien uit de stukken van het dossier niet bleek of het optreden van deze verbalisant ter zake van deze gedraging enig verband hield met de openbare orde, heeft het hof de advocaat-generaal verzocht hieromtrent nadere informatie te verschaffen.

Door de advocaat-generaal is een aanvullend proces-verbaal van de verbalisant,

d.d. 24 januari 2018, in het geding gebracht. Daarin verklaart de verbalisant, voor zover van belang:

“Het door u gevraagde verkeersbeleid is als bijlage bijgevoegd. In dit verkeersbesluit wordt uitvoerig beschreven wat de reden is voor het instellen van een geslotenverklaring op de bewuste locatie. U vraagt mij of er argumenten ontleend aan de "openbare orde" ten grondslag hebben gelegen aan de reden om deze geslotenverklaring in te stellen. (…) Er is in het verkeersbesluit geen relatie met de openbare orde. Tevens is er in de handhaving van deze geslotenverklaring geen relatie met de openbare orde.

Omdat er in 2010 onduidelijkheid was over het begrip openbare orde in relatie met C-borden en de handhaving hierop heeft het College van Procureurs-Generaal hier op 12 april 2011 een schrijven over doen uitgaan. Het kenmerk van deze brief is PaG/B&S/15674. Hierin staat beschreven wat onder het begrip openbare orde moet worden verstaan in relatie tot verkeersborden en de handhaving hierop door BOA's. Citaat: "Het criterium openbare orde dient echter zo te worden verstaan dat daaronder tevens valt het tegengaan van overlast, bijvoorbeeld door sluipverkeer, en het verbeteren van de leefbaarheid, bijvoorbeeld door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto's, de zogenaamde milieuzones."

Het verbeteren van de leefbaarheid is een zwaarwegende afweging geweest om de betreffende geslotenverklaring in te stellen. Dit wordt duidelijk beschreven in het verkeersbesluit. Bovenstaande rechtvaardigt mijns inziens (…) mijn bevoegdheid ter zake deze gedraging.”

Bij het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant een afschrift gevoegd van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede van 7 juli 2009, registratienummer 588345, houdende de instelling van de geslotenverklaring op de pleeglocatie. Het hof stelt vast - zoals de verbalisant ook al heeft opgemerkt in zijn aanvullende verklaring - dat dit besluit er geen blijk van geeft dat argumenten ontleend aan de 'openbare orde' grondslag voor die geslotenverklaring hebben geboden.

Voor zover in dat besluit het verbeteren van de leefbaarheid als grondslag voor de geslotenverklaring is genoemd, wijst het hof op zijn arrest van 10 juli 2017 (WAHV 200.149.613, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:5888). In dat arrest heeft het hof de interpretatie van het begrip 'openbare orde' zoals die is gegeven in de door de verbalisant bedoelde brief van het College van Procureurs-Generaal, niet als richtinggevend aangemerkt, nu deze interpretatie niet afkomstig is van de bevoegde instantie, de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, en het 'verbeteren van de leefbaarheid' op zichzelf niet een belang is dat als zodanig onder begrip 'openbare orde', in de betekenis die daar naar algemeen spraakgebruik aan toe komt, kan worden gebracht. Ook in de onderhavige zaak beschouwt het hof de in die brief gegeven interpretatie daarom niet als richtinggevend bij de beoordeling.

Op deze plek wijst het hof ook op zijn arrest van 14 juni 2018 (WAHV 200.233.563, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2018:5537). In die zaak heeft het hof de hiervoor bedoelde interpretatie in de brief van het College van Procureurs-Generaal wel als richtinggevend aangemerkt. Die zaak verschilt van de onderhavige zaak, nu ten tijde van de gedraging in die zaak de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar niet meer van kracht was, maar was vervangen door de Beleidsregels boa. In die Beleidsregels boa wordt - dus: anders dan in de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar - verwezen naar de brief van het College van Procureurs-Generaal. Onder vigeur van de Beleidsregels boa kan de in die brief gegeven interpretatie daarom als richtinggevend gelden, maar niet onder vigeur van de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar - het kader waarbinnen de onderhavige zaak moet worden beoordeeld - op grond van hetgeen onder 5. is overwogen.

Wat bij deze stand van zaken resteert zijn de vaststellingen van het hof, dat uit voornoemd verkeersbesluit niet blijkt dat argumenten ontleend aan de 'openbare orde' grondslag voor de onderhavige geslotenverklaring hebben geboden, en dat het verbaliserende optreden van de hier betrokken boa - blijkens zijn aanvullende verklaring - geen relatie had met de openbare orde. Bij die stand van zaken blijkt niet dat deze sanctie door een daartoe bevoegde verbalisant is opgelegd. De aan de betrokkene opgelegde sanctie kan daarom niet in stand blijven.

Het hof zal, met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en gegrondverklaring van het beroep, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking, waarbij die sanctie is opgelegd, vernietigen.

 

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF