Betekeningsperikelen rechtspersoon

Hoge Raad 17 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:34

De verdachte is bij arrest van 14 april 2015 door het gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld tot een geldboete van €380 wegens het op 7 juni 2013 op een motorfiets overschrijden van de maximumsnelheid buiten de bebouwde kom met 40 km per uur. Gezien de omstandigheden van de zaak lijkt het zeer waarschijnlijk dat de motor op naam van een rechtspersoon staat.
 

Feiten

In het dossier bevindt zich een uittreksel van de Kamer van Koophandel, gedateerd 17 november 2014, waarin als bezoekadres van de verdachte staat opgenomen a-straat 1 te Uithoorn.

Uit de akte van uitreiking blijkt dat de inleidende dagvaarding op 21 oktober 2014 niet kon worden uitgereikt, omdat er niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen. Vervolgens is op 20 november 2014 een afschrift van de dagvaarding verzonden aan het adres b-straat 1 te Ouderkerk aan de Amstel. Niet blijkt dat de gerechtelijke brief is uitgereikt aan de griffier.

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte op 2 december 2014  bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 380.

Hiertegen is op 16 december 2014 hoger beroep ingesteld. Op de akte instellen hoger beroep is vermeld dat het vestigingsadres van de verdachte a-straat 1 te Uithoorn is.

Op het grievenformulier hoger beroep, ingekomen bij het gerechtshof Amsterdam op 8 januari 2015 staat als adres van de verdachte vermeld b-straat 1 te Ouderkerk aan de Amstel. In een bijgevoegde brief is door de directeur-grootaandeelhouder van de rechtspersoon, betrokkene 1, verzocht het vestigingsadres van verdachte te veranderen in a-straat 1 te Uithoorn.

De dagvaarding om in hoger beroep om te verschijnen op 14 april 2015 bij het gerechtshof Amsterdam, is geadresseerd aan verdachte, a-straat 1 te Uithoorn. Uit de aan het dubbel van de dagvaarding gehechte akte van uitreiking volgt dat de dagvaarding op 19 februari 2015 niet kon worden uitgereikt omdat op het ingevulde adres niemand werd aangetroffen of bereid/bevoegd was de brief in ontvangst te nemen. De appeldagvaarding is vervolgens op 11 maart 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam. Op 11 maart 2015 is een afschrift van de dagvaarding als gewone brief verzonden aan a-straat 1 te Uithoorn.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel, gedateerd 14 april 2015, blijkt dat het bezoekadres van de verdachte is aan de a-straat 1 te Uithoorn.
 

Middel

Het middel klaagt dat de appeldagvaarding niet rechtsgeldig aan de verdachte is betekend.

 

Juridisch kader

Met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken aan rechtspersonen is in Titel VI van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering, meer in het bijzonder in art. 529 e.v. Sv, een specifieke regeling opgenomen.

Kern van deze regeling is dat de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen geschiedt aan (a) de woonplaats van de rechtspersoon, (b) de plaats van het kantoor van de rechtspersoon, dan wel (c) de woonplaats van een van de bestuurders. De betekening kan plaatsvinden in persoon, door uitreiking aan een van de bestuurders, dan wel aan een persoon die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. Daarnaast kan de uitreiking plaatsvinden op de voormelde plaatsen aan eenieder die in dienstbetrekking is van de rechtspersoon en die zich bereid verklaart de mededeling te zullen bezorgen. Art. 531 Sv bepaalt dat indien de uitreiking niet heeft kunnen plaatsvinden overeenkomstig (onder meer) art. 529, tweede of derde lid, Sv het schrijven wordt teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens wordt uitgereikt aan de daartoe aangewezen griffier. Het Openbaar Ministerie (in de praktijk ook wel de griffier) verstuurt een afschrift als gewone brief naar het in het schrijven genoemde adres en tekent dit aan op de akte van uitreiking.

In het “Besluit van 17 oktober 2005 houdende nadere regels betreffende de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken" zijn nadere regels neergelegd ten aanzien van de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen.

Art. 3 van het Besluit luidt:

“1. Voor de uitreiking aan de griffier, bedoeld in de artikelen 531 en 588, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, en derde lid, onderdeel c, van de wet, kan in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen worden volstaan met toezending van de mededeling of een afschrift van de mededeling aan de desbetreffende griffie.
2. Degene die namens het openbaar ministerie met de uitreiking is belast tekent op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589 van de wet, aan dat is gehandeld overeenkomstig het eerste lid, alsmede de griffie waaraan en de dag waarop de mededeling of het afschrift is verzonden.”
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.
 

Conclusie AG

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verdachte de dagvaarding gedagtekend 16 februari 2015 pas op 20 april 2015 via de gewone postbezorging zou hebben ontvangen, hetgeen zou blijken uit daarop aangebrachte stempels.

Het gaat om (i) een voorblad van de appeldagvaarding met daarop een stempel “Ontvangen 20 APR. 2015” en een kopie van een enveloppe met daarop (in kopie) een stempel met de tekst “Ontvangen 20 APR 2015”.

De AG meent dat in cassatie voorbij moet worden gegaan aan de stempels nu niet valt vast te stellen wanneer en door wie deze zijn geplaatst. Voorts laat hij hier de vraag rusten of voorafgaand aan de griffiersbetekening de uitreiking van de dagvaarding had moeten plaatsvinden aan de woonplaats van een van de bestuurders van de verdachte, nu over dit verzuim in cassatie niet wordt geklaagd. Datzelfde geldt tot slot voor de constatering dat op de akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding niet is aangegeven dat het betreffende gerechtelijke stuk aan de griffier is uitgereikt.

De steller van het middel is voor een ander anker gaan liggen. Geklaagd wordt dat art. 3 van het Besluit, dat een nadere invulling geeft aan (onder meer) art. 531 Sv, niet zou zijn nageleefd.

Art. 3 van het Besluit maakt het mogelijk om in bij ministeriële regeling aan te wijzen bijzondere gevallen te volstaan met toezending van de gerechtelijke mededeling of een afschrift daarvan aan de desbetreffende griffie. In deze gevallen hoeft het gerechtelijke stuk niet in persoon te worden uitgereikt aan de griffier, terwijl de griffier wel op de hoogte is van het stuk en de betekening daarvan. De achtergrond van deze regeling is gelegen in de verdere centralisatie van taken van het Openbaar Ministerie. Daardoor zijn situaties ontstaan waarin het desbetreffende onderdeel van het Openbaar Ministerie en de griffie ver van elkaar gevestigd zijn en zich logistieke complicaties met verhoogde kans op fouten kunnen voordoen. Voor die gevallen wordt het wenselijk geacht dat ten aanzien van de griffiersbetekening kan worden volstaan met verzending van de gerechtelijke mededeling of een afschrift daarvan aan de desbetreffende griffie.

De steller van het middel is kennelijk van oordeel dat een dergelijke wijze van griffiersbetekening in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden en dat aan de daarvoor geldende formaliteiten niet is voldaan. Van een dergelijke situatie is in deze zaak echter geen sprake. Uit de aan het dubbel van de dagvaarding gehechte akte van uitreiking valt op te maken dat op 11 maart 2015 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam de dagvaarding in hoger beroep door administratief medewerker betrokkene 2 is uitgereikt aan “(waarnemend) griffier” betrokkene 3. Vervolgens blijkt dat de griffier op 11 maart (naar aan te nemen valt: 2015) het gerechtelijk stuk als gewone brief heeft verzonden aan het genoemde vestigingsadres van de verdachte. Nu op de akte van uitreiking is aangegeven dat het gerechtelijk stuk is uitgereikt aan de “(waarnemend) griffier” van de rechtbank en de griffier de akte heeft ondertekend, kan worden aangenomen dat de bijzondere wijze van griffiersbetekening als bedoeld in art. 3 van het genoemde Besluit niet is toegepast. Om die reden ontbreekt op de akte van uitreiking de in art. 3, tweede lid, van het Besluit voorgeschreven aantekening dan ook. Daarbij merk ik op dat de in art. 413, eerste lid, Sv genoemde termijn in acht is genomen.

Op grond van het voorgaande faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 



Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF