Bestuurlijke boetes leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie

Rechtbank Amsterdam 7 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:3240

Wegens overtreding van de Wet Arbeid Vreemdelingen heeft verdachte twee bestuurlijke boetes, van tezamen € 8.000, opgelegd gekregen. In het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie is de vraag aan de orde of aan verdachte hetzelfde feit wordt ten laste gelegd als waarvoor voornoemde boetes zijn opgelegd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van de bestuurlijke boetes de vervolging tegen verdachte niet in de weg staat, omdat geen sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr.

De politierechter oordeelt anders en overweegt als volgt.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moeten bij toetsing van de vraag of van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr sprake is, als relevante factoren worden betrokken de juridische aard van de feiten -in het bijzonder de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de delictsomschrijvingen strekken en de strafmaxima die op de feiten zijn gesteld- en de gedraging van de verdachte. Verdachte wordt -conform het bepaalde in artikel 197a, tweede lid, Sr primair en artikel 197b Sr subsidiair- verweten dat hij illegale vreemdelingen behulpzaam is geweest bij hun verblijf in Nederland door hen meermalen arbeid te hebben laten verrichten en hen daarvoor te hebben betaald. De essentie van dit verwijt ligt naar het oordeel van de politierechter in hetzelfde vlak als de Wav, die ook de tewerkstelling van illegale vreemdelingen beoogt te bestrijden.

Gelet op het voornoemde moet worden vastgesteld dat de rechtsgoederen die in deze strafzaak en met oplegging van de bestuurlijke boetes worden beschermd, (nagenoeg) dezelfde zijn. Omdat dit ook voor de verdachte verweten gedragingen geldt, is de politierechter van oordeel dat het in deze strafzaak om hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr gaat als in de bestuurlijke boetes. Dit brengt mee dat sprake is van een dubbele vervolging tegen verdachte, die in strijd is met het “ne bis in idem”- beginsel en leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de niet-ontvankelijk in de vervolging van de officier van justitie.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF