Beslissing bezwaarschrift ex artikel 182 Sv: bevoegdheid rechter-commissaris wordt ingeperkt door de aanvang van de zitting

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 juli 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5654

De verdachte is op 4 april 2013 gedagvaard tegen de (pro forma) terechtzitting van de meervoudige kamer van 25 april 2013. De raadsvrouw van verdachte heeft de rechter-commissaris per brief van 18 april 2013 verzocht verschillende onderzoekshandelingen te (laten) verrichten.

De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking van 19 april 2013 afgewezen, omdat het agendatechnisch niet haalbaar was het door de raadsvrouw gevraagde onderzoek vóór de terechtzitting van 25 april 2013 uit te (laten) voeren.

Ter terechtzitting van 25 april 2013 heeft de raadsvrouw de in haar brief van 18 april 2013 geuite onderzoekswensen herhaald, met uitzondering van die tot het doen van toxicologisch onderzoek. De rechtbank heeft de verzoeken van de verdediging zelfstandig beoordeeld en de stukken deels in handen van de officier van justitie en deels in handen van de rechter-commissaris gesteld, voor het verrichten van de in het proces-verbaal van die terechtzitting genoemde onderzoekshandelingen. De rechtbank heeft de overige onderzoekswensen van de verdediging afgewezen.

Op 2 mei 2013 is het op diezelfde datum gedateerde bezwaarschrift per e-mail ontvangen op de griffie van het kabinet van de rechter-commissaris in deze rechtbank. Het is ingediend namens verdachte door diens raadsvrouw, mr. Vroegh, advocaat te Haarlem, en is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris, doch uitsluitend voor zover het betreft de onderzoekswensen die door de rechtbank ter terechtzitting van 25 april 2013 zijn afgewezen.

De rechtbank heeft, naast voormeld bezwaarschrift, kennisgenomen van het door de officier van justitie in dit arrondissement overgelegde dossier van de strafzaak tegen verdachte met bovenvermeld parketnummer.

Het bezwaarschrift is door de meervoudige raadkamer behandeld op 11 juli 2013. Tijdens de behandeling zijn gehoord de raadsvrouw van verdachte en de officier van justitie in dit arrondissement, mr. Rammeloo. Verdachte is behoorlijk opgeroepen maar niet ter terechtzitting verschenen.

Standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat zij ontvankelijk is in het bezwaar nu dit binnen de in artikel 182, zesde lid Sv genoemde termijn is ingediend en het een verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen betreft dat voor de pro forma zitting van 25 april 2013 bij de rechter-commissaris reeds was ingediend.

De verdediging handhaaft het bezwaar slechts ter zake het sporenonderzoek aan de fles frituurolie, aan de tiewraps en aan het lingeriesetje alsmede ter zake van het horen van getuige[getuige]. De verdediging stelt dat deze onderzoeken in het belang zijn van de waarheidsvinding en dat de door de rechter-commissaris aangevoerde reden voor afwijzing is komen te vervallen nu de zaak nadien voor onbepaalde tijd is aangehouden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en subsidiair tot ongegrondverklaring daarvan, omdat de rechtbank inmiddels op de terechtzitting van 25 april 2013 over de door de verdediging geuite onderzoekswensen heeft geoordeeld. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart zou de beslissing op het verzoek tot het verrichten van de onderzoekswensen thans hetzelfde dienen te luiden als die van de rechtbank ter terechtzitting van 25 april 2013, met uitzondering van die ten aanzien van het sporenonderzoek aan de tiewraps. Indien deze zijn aangetroffen en veiliggesteld voor onderzoek, zou daarop al dan niet DNA-materiaal van een/de verdachte(n) kunnen worden aangetroffen, wat kan bijdragen aan de waarheidsvinding met betrekking tot eventueel uitgeoefende dwang.

Beoordeling

Bij de invoering van de wet RC is onderkend dat indien de rechter-commissaris nog onderzoekshandelingen verricht op het moment dat de officier van justitie tot dagvaarding overgaat, er behoefte is aan een verkeersregel. Deze verkeersregel wordt gegeven in het gewijzigde artikel 238, tweede lid Sv. Volgens de memorie van toelichting (p. 17) moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat op het moment dat de officier voornemens is de dagvaarding uit te brengen de rechter-commissaris zijn onderzoek beëindigt, tenzij dit op zeer korte termijn kan worden afgerond. Indien de rechter-commissaris zijn onderzoek voortzet, doet deze daarvan een proces-verbaal in het dossier opnemen met de mededeling dat het onderzoek nog niet is afgerond. De zittingsrechter heeft daarnaast de mogelijkheid om via artikel 316 Sv de rechter-commissaris de onderzoekshandelingen alsnog te laten voltooien. Naar het oordeel van de rechtbank wijst deze gewijzigde bepaling en de uitleg die daaraan wordt gegeven erop dat met de komst van de wet RC geen wijziging is beoogd in de verhouding tussen het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De opmerking van de toenmalige minister van Justitie in de Memorie van Toelichting dat geen verandering in de verhouding tussen het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting is beoogd (p. 18) en de opmerking van de minister van Veiligheid en Justitie in de Memorie van Antwoord dat de verhouding tussen beide fasen van strafproces ongewijzigd blijft en dat het aan de zittingsrechter is om te oordelen over alle onderdelen van de strafzaak die hem worden voorgelegd (Kamerstukken I, 2011-2012, 32 117, C, p. 5) wijzen hier eveneens op.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de rechter-commissaris vanaf de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting zijn bevoegdheden ontleent aan een verwijzingsopdracht van de zittingsrechter overeenkomstig artikel 316, eerste lid Sv. Dit artikel regelt dat, indien na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, de rechtbank de zaak naar de rechter-commissaris verwijst en de stukken in zijn handen stelt.

Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank voor de verdachte in de fase vóór aanvang van de zitting bij afwijzing van verzoeken tot het doen van onderzoek door de rechter-commissaris de mogelijkheid bezwaar te maken tegen deze afwijzing. In de fase na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting en eventuele verwijzing door de zittingsrechter als bedoeld in artikel 316, eerste lid Sv staat voor de verdachte geen bezwaar meer open. Vanaf dat moment berust de bevoegdheid om onderzoekshandelingen te doen verrichten volgens de systematiek van de wet RC uitsluitend bij de zittingsrechter en zijn de bepalingen van artikel 182, zesde lid en 183, derde lid Sv niet meer van toepassing. Dit neemt niet weg dat de verdachte zijn door de rechter-commissaris afgewezen verzoeken opnieuw kan voorleggen aan de zittingsrechter die in dat geval op die verzoeken zal beslissen, (mogelijk) in het licht van de (on)volledigheid van het reeds verrichte (voor)onderzoek en/of (mede) gelet op de stand waarin het (voor)onderzoek zich in dat latere moment bevindt.

De verdediging heeft in dit geval na dagvaarding van verdachte namens deze op 18 april 2013 onderzoekswensen ingediend bij de rechter-commissaris. Op 19 april 2013 is dit verzoek door de rechter-commissaris om praktische redenen afgewezen. Het onderzoek op de terechtzitting is op 25 april 2013 met het doen uitroepen van de zaak aangevangen. Dat dit een pro forma zitting was maakt dit niet anders.

De verdediging heeft het bezwaarschrift tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris ingediend op 2 mei 2013, derhalve nádat het onderzoek op de pro forma zitting van 25 april 2013 was aangevangen en derhalve in een stadium dat aan de rechter-commissaris zelfstandig geen bevoegdheden meer toekomt tot het verrichten van eventuele onderzoekshandelingen. Om die reden dient verdachte reeds in zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft bovendien de in de brief van 18 april 2013 aan de rechter-commissaris geformuleerde onderzoekswensen ter terechtzitting van 25 april 2013 aan de zittingsrechter herhaald. De rechtbank heeft tijdens die zitting gemotiveerd op al deze verzoeken beslist, waardoor ook materieel elk belang bij het nadien pas ingediende bezwaar ontbreekt. Dit geldt temeer nu het bezwaar slechts is gericht op die onderzoekswensen welke door de rechtbank ter terechtzitting van 25 april 2013 zijn afgewezen, waardoor het bezwaar - indien verdachte ontvankelijk zou worden verklaard in zijn bezwaarschrift en aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar zou worden toegekomen - feitelijk het karakter zou krijgen van een hoger beroep tegen de beslissing van de zittingsrechter op de ter terechtzitting gedane verzoeken tot het verrichten van onderzoek. Een dergelijke toetsing tegen de beslissing van de zittingsrechter is in de wet niet voorzien.

Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF