Beslag ex art. 94 Sv op een groot geldbedrag dat klager aan de politie heeft aangeboden ter betaling van een in een andere zaak opgelegde schadevergoedingsmaatregel

Hoge Raad 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2188

Het beklag heeft betrekking op een geldbedrag dat op 23 februari 2015 op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen. Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, het namens de klager op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

De casus is bepaald niet alledaags. De klager is op 4 februari 2008 door het gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens het samen met anderen kweken van hennep. De desbetreffende hennepkwekerij werd in 2006 opgerold. Daarnaast werd de klager door het hof veroordeeld wegens diefstal van elektriciteit door middel van verbreking en wegens valsheid in geschrifte. Het hof legde onder meer ten behoeve van Essent, het slachtoffer van de diefstal van de elektriciteit, een schadevergoedingsmaatregel op van € 38635,28, met subsidiair 223 dagen vervangende hechtenis. Het arrest werd op 8 december 2009 onherroepelijk.

Er volgde ook een ontnemingsvordering. Het gerechtshof Arnhem legde op 11 augustus 2010 een ontnemingsmaatregel op ter grootte van € € 229.200,00, die door de Hoge Raad wegens termijnoverschrijding werd verminderd tot € 224.200, 00. De uitspraak werd op 20 november 2012 onherroepelijk.

Van de schadevergoedingsmaatregel restte na bijtelling van de verhogingen en aftrek van de gedane betalingen een nog te betalen bedrag van € 27080,34. De vervangende hechtenis stond daarbij op 112 dagen. Omdat verdere betaling uitbleef had de officier van justitie een arrestatiebevel uitgevaardigd teneinde die 112 dagen te executeren. Op 23 februari 2015 vervoegde een opsporingsambtenaar zich met dit bevel bij de woning van de klager. Niet om hem meteen in te rekenen, maar wel om hem aan te zeggen dat hij zo spoedig mogelijk moest gaan betalen omdat hij anders aangehouden zou worden. De klager zei dat hij het geld al klaar had liggen. Hij haalde een blikken trommel tevoorschijn met daarin, zoals de klager verklaarde, “al het geld dat ik moet betalen, tot op de cent nauwkeurig”. Dat klopte, zo bleek toen de opsporingsambtenaar het geld samen met de klager natelde. Omdat het om een groot bedrag ging, besloot de opsporingsambtenaar de financiële afhandeling op het politiebureau te doen plaatsvinden. Hij nam het papiergeld uit de trommel (in totaal € 27980,00; het kleingeld liet hij zitten) en de klager mee naar het bureau.

Op het politiebureau rees bij de ijverige opsporingsambtenaren de vraag hoe de klager aan zo’n groot bedrag aan contant geld gekomen zou kunnen zijn. Desgevraagd verklaarde de klager:

“U moet het zo zien. Ik ben in 2006 gepakt met een hennepkwekerij in [plaats]. Dit resulteerde, na meerdere processen bij verschillende rechtbanken, dat ik zo’n 220.000 Euro moest betalen aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Ik ben sindsdien al bezig met allerlei betalingsregelingen. Om een lang verhaal kort te maken moet ik dus ruim 27.000 Euro betalen en dat bedrag wil ik vandaag dus betalen.”

De klager ontkende dat hij het geld via derden had gekregen. Ter verduidelijking voegde hij daaraan toe:

“Dit is dus het geld wat ik, volgens de rechtbank zou hebben verdiend, met die hennepkwekerij. U moet het zo zien dat ik dus geld heb gereserveerd van het geld wat ik destijds heb verdiend met de kwekerij. Kortom, dit geld komt dus daar van af. Ik kan het ook niet anders brengen dan dit.”

Na overleg met de collega’s van de Financiële Recherche en de officier van justitie werd besloten om de klager aan te houden op verdenking van witwassen (art. 420bis Sr). Het geld werd in beslag genomen.

In latere, als verdachte afgelegde verklaringen is de klager teruggekomen op zijn bewering dat het geld afkomstig was van de hennepkwekerij en niet via derden zou zijn verkregen. Hij stelde nu dat het volkomen legaal geld was dat hij van derden had geleend.

Bij een doorzoeking in klagers woning werd nog meer geld aangetroffen: € 730,00 in de afzuigkap en een pan met kleingeld onder het aanrecht. Op dit geld heeft het klaagschrift geen betrekking.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat het beslag op het geldbedrag rechtmatig is gelegd, onjuist is.

De klacht faalt. Dat op de klager de verplichting rustte tot betaling van € 27.080,34 aan de Staat uit hoofde van de hem onherroepelijk opgelegde schadevergoedingsmaatregel, kan niet meebrengen dat het in verband met de verdenking van witwassen op de voet van art. 94 Sv onder de klager gelegd beslag op dit hem toebehorend geldbedrag reeds daardoor onrechtmatig is. De - voor het eerst in cassatie - naar voren gebrachte stelling dat dit geldbedrag niet vatbaar is voor inbeslagneming als bedoeld in het eerste en tweede lid van art. 94 Sv omdat dit geld bij voorrang in aanmerking behoort te komen om daarmee aan de betalingsverplichting van de klager aan de Staat te voldoen, vindt geen steun in het recht.

Bijzondere omstandigheden op grond waarvan het beslag jegens de klager disproportioneel zou zijn, zijn niet gesteld. Anders dan het middel aanvoert geldt voorts dat het niet ter beoordeling van de in art. 552a Sv bedoelde beklagrechter staat of en, zo ja in hoeverre voorwerpen die op de voet van art. 94 Sv zijn inbeslaggenomen door het openbaar ministerie dienen te worden aangewend ter voldoening van een aan de beslagene opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Het middel bevat in de tweede plaats de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave van het geld aan de klager onjuist is, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is.

De klacht faalt. Het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geld zal bevelen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen de Rechtbank heeft overwogen omtrent het redelijk vermoeden van schuld aan het misdrijf witwassen waarvan de klager wordt verdacht. Dat oordeel is, mede in het licht van hetgeen ten verwere is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Dit oordeel draagt de ongegrondverklaring van het klaagschrift zelfstandig, zodat hetgeen de Rechtbank op dit punt voor het overige heeft overwogen, buiten bespreking kan blijven.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF