Beslag ex art. 94 en 94a Sv. HR herhaalt proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Beslissing tot opheffen beslag op paarden en geldbedrag blijft in stand, opheffen beslag op panden moet over.

Hoge Raad 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065

Beslag ex art. 94 en 94a Sv. HR herhaalt proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Beslissing tot opheffen beslag op paarden en geldbedrag blijft in stand. Beslissing opheffen beslag op panden en geldbedrag moet over.

Eerste middel

Het middel komt op tegen de gegrondverklaring van het beklag tegen het op de voet van art. 94a Sv onder klaagster 2 gelegde beslag op zeven paarden en een geldbedrag van € 68.144,29. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat dit beslag disproportioneel is.

Beoordeling Hoge Raad

De maatstaf die door de rechter dient te worden toegepast bij de beoordeling of het belang van strafvordering zich verzet tegen handhaving van de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen, vergt niet een (ambtshalve) onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting (onder voorwaarden) van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat in verband met hetgeen door of namens de klager is aangevoerd de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht (vgl. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881).

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de voortzetting van het conservatoire beslag op de zeven paarden en de banktegoeden niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aangezien "het in beslag houden van (...) [de] onroerende zaken meer dan voldoende waarborg biedt voor de eventuele verplichting van klagers tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel" en "dat het voortzetten van het conservatoir beslag, voor zover het betreft het geldbedrag (...) en de paarden (...) disproportioneel is".

Gelet op de door de Rechtbank aan de hand van de door haar daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden gemaakte afweging van enerzijds het belang van strafvordering en anderzijds de belangen van de klagers, is dat oordeel in het licht van hetgeen namens de klagers en door de Officier van Justitie over en weer is aangevoerd, niet onbegrijpelijk, waarbij de Rechtbank de totale waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen als aanzienlijk hoger heeft aangemerkt en kunnen aanmerken dan het op de voet van art. 94c onder b Sv als maximum bepaalde bedrag en zij kennelijk mede in haar afweging heeft betrokken en kunnen betrekken hetgeen de klagers hebben aangevoerd omtrent de schadelijke gevolgen voor de bedrijfsvoering van het voortduren van het beslag op de paarden.

Het middel faalt.


Tweede middel

Het middel klaagt over de motivering van de gegrondverklaring van het klaagschrift voor zover het klaagschrift strekt tot opheffing van het klassieke beslag en teruggave van de onroerende zaken en het banktegoed. Het klaagt in het bijzonder dat het oordeel dat het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, deze zaken verbeurd zal verklaren, niet begrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat onder meer strekt tot teruggave van de onder klaagster 1 op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen onroerende zaken en het banktegoed, gegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat het strafvorderlijk beslag (als bedoeld in artikel 94 Sv beslag) op de onroerende zaken [a-straat 1] , [2] en [3] te [plaats] en op het bedrag van € 67.774,28 gehandhaafd dient te blijven voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en voor (eventuele) verbeurdverklaring.

De rechtbank oordeelt dat uit de beschikbare stukken en het verhandelde in raadkamer niet is gebleken dat het beslag op voornoemd geldbedrag en onroerende zaken kan dienen tot het aan de dag brengen van de waarheid of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bovendien acht de rechtbank het, gelet op wat in soortgelijke zaken wordt beslist, hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, deze zaken verbeurd zal verklaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van strafvordering voor zover het 94 Sv beslag betreft, zich niet verzet tegen opheffing van het strafvorderlijk beslag op de onroerende zaken en voornoemd geldbedrag."

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten aan de beslagenen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4, Sr in verbinding met art. 552f Sv.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de opheffing van het strafvorderlijk beslag op de onroerende zaken en het banktegoed, omdat niet is gebleken dat het beslag kan dienen tot het aan de dag brengen van de waarheid of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en de Rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, deze zaken verbeurd zal verklaren. Door in dit verband enkel te overwegen dat zulks onwaarschijnlijk is "gelet op wat in soortgelijke zaken wordt beslist", heeft de Rechtbank haar oordeel daaromtrent ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF