Beroep op una via wordt verworpen. Hof gaat in op mogelijkheden strafvervolging na oplegging bestuurlijke (vergrijp)boete.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3001 De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van verdachte. Het hof deelt het betoog van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet.

Ingevolge het tot 1 juli 2009 geldende artikel 69a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt het recht tot strafvervolging op de voet van artikel 69a AWR met betrekking tot een vergrijp als bedoeld in artikel 67d of 67e AWR, indien de inspecteur aan een belastingplichtige ter zake reeds een boete heeft opgelegd.

Echter, de inspecteur heeft in het onderhavige geval de vergrijpboetes over de jaren 2007 en 2008 niet opgelegd wegens het met opzet doen van onjuiste aangiften, maar wegens het met grove schuld onjuist doen van die aangiften. In zoverre is de aard van het verwijt een heel andere. Doordat de inspecteur grove schuld als basis voor de boeten hanteerde, heeft hij geen keus gemaakt noch hoeven maken tussen bestuursrechtelijke afdoening en strafrechtelijke afdoening zoals dat het geval is bij de opzetvariant. De kern van “Una Via” is: eenmaal een bepaalde afdoeningswijze gekozen ter zake een vergrijp, is hij daaraan gebonden, behoudens de sedert 1 juli 2009 ingevoerde regeling van “nieuwe bezwaren”. Nu er echter sprake is van een ander vergrijp, namelijk de opzettelijke belastingfraude, is daarvan geen sprake.

Bovendien had de opgelegde vergrijpboete betrekking op de vermelding in de aangiften van fiscaal aftrekbare partneralimentatie, terwijl de thans aanhangige strafvervolging zijn oorsprong vindt in het opzettelijk onjuist melding maken van aftrekbare rente- en zorgkosten; dat zijn dus andere gedragingen, hoewel het hof beseft, dat er een zekere samenhang bestaat tussen het in één belastingbiljet foutief invullen van uiteenlopende rubrieken.

Nu de vergrijpboetes betrekking hadden op handelen met verschillende schuldvormen (grove schuld, dan wel opzet), en het oorspronkelijk slechts ging om onregelmatigheden inzake de alimentatie, terwijl daar later andere handelingen bij kwamen (onjuiste opgaven betreffende rente- en zorgkosten), kan niet worden gezegd, dat de inspecteur ter zake reeds boeten heeft opgelegd; die boeten hebben betrekking op andere feiten.

Inzake de opzettelijke onjuiste opgave over 2009 geldt de regeling van artikel 243, tweede lid, van het wetboek van strafvordering. Gelet op het hierboven overwogene is het hof van oordeel, dat niet kan worden gezegd, dat aan verdachte ter zake van het feit reeds een bestuurlijke boete is opgelegd; die boete is opgelegd voor een ander feit.

Daaruit vloeit voort, dat een onderzoek naar de juistheid van de beslissing van de rechter-commissaris naar nieuwe ernstige bezwaren achterwege kan blijven. Het stond het openbaar ministerie vrij op grond van de later vastgestelde feiten zonder de procedure van art. 255 lid 4 wetboek van strafvordering te volgen een opsporing en vervolging in te stellen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, heeft verdachte geen kennisgeving van niet verdere vervolging ter zake van het opzettelijk onjuist doen van aangifte inkomstenbelasting ontvangen en is de regeling vervat in de artikelen 243 en 255 van het Wetboek van strafvordering niet van toepassing. Het verweer dient dan ook te worden verworpen.

Desalniettemin zal het hof veronderstellenderwijs ingaan op het in dat kader gevoerde verweer, nu het openbaar ministerie meende te moeten handelen conform die artikelen en vanwege het instructieve karakter dat van een beoordeling van het verweer uitgaat.

Met de verdediging kan dan worden geconstateerd dat de opsporing is aangevangen vóórdat de machtiging als bedoeld in art. 255 lid 4 Sv is verleend. De machtiging is evenwel uiteindelijk wél verleend. Er is derhalve sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken en derhalve moet het hof beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor (a) is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor (b) is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor (c) is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt".

a. Het hof is – in het kader van de beoordeling van de eerste factor - van oordeel dat art. 255 Sv tot waarborg dient dat de verdachte, van wiens verdere vervolging eerder was afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren alsnog ter terechtzitting wordt gedagvaard: eerst dient de RC ter zake van die nieuwe bezwaren een opsporingsonderzoek in te stellen en de rechter dient de resultaten van dat onderzoek bij de beoordeling van de vraag of er nieuwe bezwaren zijn te betrekken. (HR 4 juni 2002, NJ 2002/430). Niet gezegd kan worden dat aan de strekking van deze bepaling ernstig tekort is gedaan.

b. Met betrekking tot de ernst van het verzuim refereert de verdediging met name aan:

i. Het vertrouwen dat verdachte mocht hebben dat niet verder zou worden vervolgd;

ii. De opsporingshandelingen, en dan met name het verhoor op 1 november 2013, die hebben plaatsgevonden vóór afgifte van de machtiging;

iii. Ad i: Nu gebleken is dat verdachte opzettelijk en uitgebreider en anders dan in de bestuursrechtelijke fase aan de orde is geweest heeft gehandeld, kan hij in redelijkheid geen beroep doen op een vertrouwen dat zou zijn opgewekt door de bestuursrechtelijke afhandeling;

iv. Ad ii: In dat kader is vermeldenswaard dat het verhoor op 1 november 2013 heeft plaatsgevonden in het bijzijn van zijn raadsman, zonder bezwaren zijnerzijds. Aldus kan niet van een ernstig verzuim worden gesproken.

v. De stelling van de verdediging dat “het OM vervolgens doodleuk kan gaan vervolgen” vindt geen steun in – het systeem van - de wet.

c. Met betrekking tot het nadeel dat zou zijn veroorzaakt beroept de verdediging zich op het ontbreken van de bescherming door de RC. Die bescherming als door de verdediging bedoeld kan dan slechts worden gezien als bescherming tegen het niet ontdekken van de fraude en de nieuwe bezwaren, hetgeen geen rechtens te beschermen belang is.

Samengevat heeft in dat geval te gelden dat voor wat betreft het gevoerde tweede verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, het hof van oordeel is dat niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ook dan niet aan de orde is. Op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval zou het hof tot het oordeel komen dat kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan en dat het verzuim zonder consequentie, ook niet in de vorm van strafvermindering of bewijsuitsluiting, kan blijven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf  van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf  van 180 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF