Beperking voeren woord: onderbreken raadsvrouw en verzoeken om haar pleitnota waar mogelijk voor wat betreft met name de citaten uit verklaringen in de kern samen te vatten kan niet door de beugel

Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:468

Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. "doodslag", 2. "poging tot doodslag" en 3. "handelen in strijd met artikel 3 van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaren.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2015 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"pleidooi

De raadsvrouw van de verdachte voert het woord tot verdediging overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities.

Op het moment dat de raadsvrouw van de verdachte op pagina 14 van haar pleitnota is, onderbreekt de voorzitter de raadsvrouw van de verdachte en verzoekt de raadsvrouw om omwille van de tijd met name de in de pleitnota weergegeven verklaringen van de verdachte en getuigen, die aan het Hof bekend zijn uit het dossier, zoveel mogelijk naar de kern samen te vatten.

De raadsvrouw deelt hierop als volgt mee:

Dat kan ik niet. Ik kan de pleitnota niet samenvatten. Het is een serieuze zaak, daar moet de tijd voor worden genomen. Er wordt geen recht gedaan aan de zaak als mijn pleitnota er nu doorheen moet worden gejast.

De voorzitter houdt de raadsvrouw van de verdachte voor dat zij reeds meer dan een uur heeft gepleit en thans op pagina 14 van haar 32 pagina's tellende pleitnota is. Nu, naar de raadsvrouw bekend was, voor de behandeling van de zaak een uur is uitgetrokken, er nog een andere zaak voor behandeling op de rol staat en het Hof, de raadsvrouw en de procureur-generaal, zoals algemeen bekend is, een vlucht moeten halen, is het verzoek aan de raadsvrouw om haar pleitnota waar mogelijk voor wat betreft met name de citaten uit verklaringen in de kern samen te vatten.

De raadsvrouw deelt nogmaals mee dat zij haar pleitnota niet kan samenvatten en verklaart voorts - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik verzoek mijn pleitnota als voorgehouden te beschouwen. De voorbedachte raad is een strafverzwarende grond en dient te zijn gestaafd met objectieve bewijsmiddelen. Dat is hier niet het geval. De verklaring van de getuige [betrokkene 1] staat op zichzelf. Als wordt aangenomen dat deze verklaring geloofwaardig is, waarom de verklaring van de verdachte dan niet? Waar de verdachte heeft verklaard dat de latere slachtoffers mooi gekleed voorbij liepen, ging het hem erom dat zij er beter uit zagen dan zijn door hen in elkaar geslagen broer. Zij zagen er dus niet uit alsof zij gevochten hadden. Van boos opzet bij de verdachte is geen sprake. De verdachte is bewapend bij de woning gaan zitten, omdat hij verwacht had dat de latere slachtoffers terug zouden komen. Op het moment van het incident waren ook de slachtoffers onder invloed.

Ten aanzien van het beroep op noodweer(exces) als volgt. Er bestond een noodweersituatie ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 1] . De verdachte werd namelijk door hem aangevallen en was genoodzaakt zich te verdedigen. Ik toon u een foto waarop de hand van de verdachte is te zien en waaruit blijkt dat de verdachte door voornoemd slachtoffer met een kapmes is geslagen. De foto is van 9 juni 2011.

Op de foto is te zien dat dat vingers van de verdachte zijn besneden. Het lijkt mij sterk dat het om oud letsel gaat. Dat niet alle fotoꞌs en opnamen bewaard zijn gebleven, is een kwalijke zaak. De politie heeft niet betrouwbaar gehandeld. Er lijkt sprake te zijn geweest van tunnelvisie zijdens het openbaar ministerie. Ik hoop dat u de pleitnota leest. Ik wens wel in het proces-verbaal opgenomen te zien dat ik nauwelijks het woord heb kunnen voeren en dat ik mijn pleitnota er doorheen heb moeten jassen.

(...)

dupliek

De raadsvrouw merkt voor dupliek - zakelijk weergegeven - als volgt op:

De verdachte heeft op 7 juni 2011 voor het eerst een advocaat gesproken. Nadien heeft hij die advocaat bijna niet meer gezien. Hiernaast heeft de verdachte te maken gehad met een taalbarrière, omdat hij de Nederlandse taal niet begrijpt. Tijdens de zitting in eerste aanleg is de verdachte bijgestaan door een waarnemend advocaat. Hierdoor kon de getuige niet op behoorlijke wijze worden ondervraagd. In hoger beroep is vervolgens de verdediging veranderd. De verdachte is door deze gang van zaken in zijn belangen geschaad. Ook vandaag heeft de verdachte geen behoorlijke verdediging gehad, omdat ik door uw Hof ben verzocht mijn pleitnota verkort voor te houden. De procedure van de verdachte is oneerlijk verlopen.

laatste woord

Aan de verdachte wordt het recht gelaten als laatste te spreken. De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: (...)"
 

Middel

Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid lijdt doordat het Hof de raadsvrouwe van de verdachte heeft beperkt in het voeren van het woord tot verdediging.
 

Oordeel Hoge Raad

In zijn arrest van 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340, NJ 2015/299 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het voeren van het woord ter verdediging op de voet van de art. 311, tweede lid, in verbinding met art. 331, eerste lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte die overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv het woord voert, heeft in beginsel het recht daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. (Vgl. HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251, NJ 1993/696.) Anders dan in het middel wordt betoogd, betekent dit niet dat de raadsman het recht heeft gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren. Voor zover aan het middel ten grondslag ligt de opvatting dat het beperken van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd in strijd is met het 'recht op het voeren van pleidooi, zoals geregeld in art. 311 Svꞌ, onderscheidenlijk de opvatting dat zo een beperking steeds in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, derde lid onder c, EVRM, faalt het middel omdat deze opvattingen - in hun algemeenheid - onjuist zijn. Een begrenzing van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd brengt immers niet zonder meer mee dat de raadsman de hem krachtens art. 311, tweede lid, Sv en art. 6, derde lid onder c, EVRM toekomende verdedigingsrechten niet voldoende heeft kunnen uitoefenen."

Hetgeen in dat arrest is overwogen geldt ook in deze zaak waarin de art. 353, tweede lid, en 373, eerste lid, Wetboek van Strafvordering BES toepasselijk zijn, die in essentie gelijkluidend zijn aan art. 311, tweede lid, respectievelijk art. 331, eerste lid, Sv.

In aanmerking genomen

  • dat het Hof kennelijk niet meer dan een uur had uitgetrokken voor de behandeling van de zaak,
  • dat uit niets blijkt dat die behandelingsduur dan wel de aan de raadsvrouwe toegedachte spreektijd tijdig voor de terechtzitting aan haar kenbaar is gemaakt,
  • dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, alvorens de raadsvrouwe haar pleidooi kon aanvangen, de Procureur-Generaal zijn op schrift gestelde requisitoir integraal heeft kunnen voordragen, en voorts gelet op de aard en de ernst van het tenlastegelegde, mede tot uitdrukking komend in de vordering van de Procureur-Generaal tot bevestiging van het vonnis waarbij de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaren, en de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren, is de onderhavige gang van zaken onverenigbaar met voormelde regel dat een raadsman het recht heeft bij pleidooi aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt.

Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek. De redenen die het Hof heeft opgeven voor het bekorten van het pleidooi, dat "er nog een andere zaak voor behandeling op de rol staat en het Hof (...) een vlucht moet(...) halen", zijn in de onderhavige zaak ontoereikend voor een andersluidend oordeel.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF