Belastingfraude: Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank het fiscale benadelingsbedrag, oftewel het beoogde fiscale nadeel, als uitgangspunt.

Rechtbank Gelderland 28 augustus 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6308

Verdenking

Feit 1

Gedurende de periode november 2008 tot en met maart 2009 had naam CV/BV C.V., naam beherend vennoot als beherend vennoot. Verdachte was bestuurder van naam beherend vennoot. Hij heeft aangifte voor de omzetbelasting over de maanden oktober 2008 tot en met februari 2009 gedaan bij de Belastingdienst en hierbij in totaal een bedrag van € 290.513,- aan voorbelasting teruggevraagd. De Belastingdienst heeft de aangifte over de maand oktober ontvangen op 27 november 2008. De aangiften over de maanden november en december 2009 zijn respectievelijk ontvangen op 2 januari 2009 en 29 januari 2009. De aangiften over januari en februari 2009 zijn op 3 maart 2009 ontvangen.

Feit 2

Verdachte heeft, in zijn hoedanigheid als bestuurder van naam beherend vennoot, op 19 december 2008 op het Belastingkantoor in Doetinchem desgevraagd ter onderbouwing van de aangifte voor de omzetbelasting over de maand oktober 2008 een (kopie) factuur van naam BV 1B.V. aan naam CV/BV B.V. (terwijl genoemde, geadresseerde rechtspersoon ‘C.V.’ in haar naam droeg) aan de inspecteur van de Belastingdienst overgelegd. Op deze factuur werd een bedrag van € 245.437, 50 (factuur d.d. 29 oktober 2008) inclusief BTW aan commissie in rekening gebracht. De Belastingdienst heeft ook de aangiften over de maanden november 2008 tot en met februari 2009 ontvangen. Ter onderbouwing van de aangiften over de maanden november 2008 tot en met februari 2009, heeft verdachte desgevraagd in maart 2009 op het Belastingkantoor in Doetinchem een viertal (kopie)facturen van naam BV 2 B.V. aan naam CV/BV C.V. aan de inspecteur Belastingdienst overlegd. Op deze facturen werd respectievelijk € 327.250 (factuur d.d. 13 november 2008), € 357.000 (factuur d.d. 18 december 2008), € 476.000 (factuur d.d. 14 januari 2009) en € 357.000 (factuur d.d. 5 februari 2009), allen inclusief BTW, aan commissie in rekening gebracht.

Feit 3 Vanaf 16 maart 2009 en ook eind juni 2009 nog was naam beherend vennoot enig aandeelhouder van naam BV 3 B.V. Verdachte was bestuurder van naam beherend vennoot. Hij heeft aangifte voor de omzetbelasting over de maanden mei 2009 en juni 2009 gedaan bij de Belastingdienst en hij heeft hierbij verzocht tot teruggave van respectievelijk € 14.256 en € 8.643. Deze aangiften werden op respectievelijk 28 mei 2009 en 29 juni 2009 door de Belastingdienst ontvangen.

Feit 4

Ter onderbouwing van de aangifte over de maand mei 2009 heeft verdachte in zijn hoedanigheid als bestuurder van naam beherend vennoot, desgevraagd een tweetal (kopie)facturen van naam BV 4 B.V. aan naam BV 3 B.V. aan de Belastingdienst overlegd. Op deze facturen werden respectievelijk € 4.248,30 (factuur d.d. 25 mei 2009) ter zake van –zakelijk weergegeven – fotografie- en internetwerkzaamheden en € 86.483,25 (factuur d.d. 28 mei 2009) aan commissie, beide inclusief BTW, in rekening gebracht.

Ter onderbouwing van de aangifte over de maand juni 2009 heeft verdachte desgevraagd één (kopie)factuur van naam BV 4 B.V. aan naam BV 3 B.V. aan de Belastingdienst overlegd. Op deze factuur werd € 47.793,38 inclusief BTW (factuur d.d. 12 juni 2009) ter zake van fotografie- en internetwerkzaamheden in rekening gebracht.

Deze stukken met betrekking de maanden mei en juni zijn op 20 augustus 2009 bij de Belastingdienst binnengekomen.

Feit 5

Vanaf 19 mei 2009 en ook in augustus 2009 was verdachte bestuurder van naam BV 5 B.V. Hij heeft aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal 2009. Deze aangifte is op 29 juni 2009 bij de Belastingdienst binnengekomen. In de aangifte wordt een bedrag van € 24.982 aan voorbelasting teruggevraagd.

Feit 6

Verdachte heeft op 29 juni 2009 voor naam BV 6 B.V. aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal 2009 gedaan bij de Belastingdienst. Deze aangifte strekte tot teruggave van € 27.465 aan voorbelasting.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1,2, 3, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde. De officier van justitie stelt onder meer daartoe dat, mocht verdachte zich daarop beroepen, hem geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, nu inspecteur van de Belastingdienst na het gesprek met verdachte op 19 december 2008 teruggaaf heeft verleend op basis van door verdachte gepresenteerde onjuiste en onvolledige informatie. Om die reden kon de belastingplichtige rechtspersoon naam CV/BV C.V. in redelijkheid geen vertrouwen ontlenen aan de –op de onjuiste gegevens – gebaseerde mededelingen van inspecteur. Nadat inspecteur onjuistheden had geconstateerd, heeft hij de teruggaven omzetbelasting geweigerd. Verdachte is hiervan per brief d.d. 30 maart 2009 in kennis gesteld. Deze brief is in de woning van verdachte aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu het bestanddeel ‘opzettelijk’ niet bewezen kan worden. Hij wijst in dit kader op de uitlatingen en de brief d.d. 30 maart 2009 van de heer inspecteur, medewerker van de belastingdienst. Subsidiair refereert de raadsman zich ten aanzien van beide feiten aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Voorts heeft de raadsman meegedeeld dat hij, gelet op de verklaring die zijn cliënt in dat kader ter terechtzitting heeft afgelegd, feit 6 bewijsbaar acht.

De beoordeling door de rechtbank

Feit 1 en 2

Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat geen enkele verwerving of transactie van de genoemde (rechts)persoon in relatie tot de beschreven objecten heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft geenszins de door hem gestelde realiteitswaarde van de relevante facturen en contracten concreet gesteld en onderbouwd. De rechtbank acht verdachtes stelling, dat hij de commissie daadwerkelijk verschuldigd was, voor de juistheid van welke stelling ook overigens geen aanknopingspunten te vinden zijn, niet aannemelijk geworden. Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, alles in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte aan de Belastingdienst overgelegde facturen valselijk zijn opgemaakt en dat verdachte dit wist ten tijde van het overleggen aan de Belastingdienst. Nu deze facturen ten grondslag liggen aan de aangiften over de maanden oktober 2008 tot en met februari 2009, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan over voornoemde maanden. Doordat de BTW van de aan de aangiften ten grondslag liggende valse facturen werd terug gevraagd, is op de aangiftes een te hoog bedrag aan voorbelasting opgevoerd. Dit strekte ertoe dat te weinig belasting werd geheven. Op grond hiervan is ten onrechte belasting door de Belastingdienst terugbetaald.

Verdachte was als bestuurder van naam beherend vennoot, welke vennootschap op haar beurt beherend vennoot was in naam CV/BV C.V., ook (eind)verantwoordelijke ten aanzien van laatstgenoemde vennootschap. Verdachte was gedurende de ten laste gelegde perioden derhalve de feitelijk leidinggever van naam CV/BV C.V., hetgeen ook niet wordt betwist. Om die reden is verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk. De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig, om zonder meer tot een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’ te komen.

Feit 3 en 4

Factuur D-13-03 

In het strafrechtelijk onderzoek is niet komen vast te staan dat het pand is aangekocht danwel dat daadwerkelijk aankoop van het pand werd beoogd en dat ter uitvoering daarvan stappen zijn ondernomen, evenmin is komen vast te staan dat de gefactureerde commissie verschuldigd was, niettemin is wel om teruggave van BTW verzocht bij de Belastingdienst. Verdachte heeft geenszins de door hem gestelde realiteitswaarde van de relevante bescheiden concreet en gemotiveerd onderbouwd. Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, alles in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte aan de Belastingdienst overgelegde factuur valselijk is opgemaakt door medeverdachte [medeverdachte], in naam van [naam BV 4] B.V. en dat verdachte dit wist ten tijde van het overleggen aan de Belastingdienst. Gelet op de geschetste feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de factuur valselijk is opgemaakt met als doel de Belastingdienst ten onrechte tot teruggave van voorbelasting te laten bewegen. Dit getuigt van een bewuste en nauwe samenwerking.

Facturen D-13-02 en D-14-04 

In het strafrechtelijk onderzoek is niet komen vast te staan dat de op de facturen vermelde prestaties daadwerkelijk zijn verricht, evenmin is gebleken dat de facturen zijn betaald, dit terwijl wel om teruggave van BTW is verzocht bij de Belastingdienst. Verdachte heeft ter terechtzitting, zoals reeds vermeld, verklaard dat hij en [medeverdachte] voor [naam site 2] werkten met promotiemateriaal en dat er diverse foto’s op de computer van verdachte zouden staan. Verdachte heeft ter staving van zijn verklaring geen foto’s, promotiemateriaal of anderszins bewijs overlegd. Verdachte heeft derhalve geenszins de door hem gestelde realiteitswaarde van de gefactureerde prestaties onderbouwd. Zijn verklaringen vinden evenmin steun in het strafdossier.

De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet aannemelijk is geworden dat de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, alles in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte aan de Belastingdienst overgelegde factuur valselijk is opgemaakt door medeverdachte [medeverdachte], in naam van [naam BV 4] B.V. en dat verdachte dit wist ten tijde van het overleggen van de factuur aan de Belastingdienst. Gelet op de geschetste feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de facturen valselijk zijn opgemaakt met als doel de Belastingdienst ten onrechte teruggaven te laten verlenen. Dit getuigt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beide verdachten. Nu de rechtbank deze bewuste en nauwe samenwerking ook ten aanzien van factuur D-03-13 aanwezig acht, acht de rechtbank feit 4 samen en in vereniging met [medeverdachte] en [naam BV 4] B.V. begaan. De rechtbank merkt verder op dat de beschreven gang van zaken met betrekking tot de feiten 3 en 4 in belangrijke mate overeenkomen met de aard van de handelingen en de gang van zaken, zoals beschreven ten aanzien van de feiten 1 en 2.

Nu de facturen D-13-03, D-13-02 en D-14-04 ten grondslag liggen aan de aangiften over de maanden mei 2009 en juni 2009, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan over voornoemde maanden, teneinde de Belastingdienst ten onrechte belasting te laten terug betalen.

Verdachte was als bestuurder van naam beherend vennoot, welke vennootschap op haar beurt enig aandeelhouder was in naam BV 3 B.V., ook (eind)verantwoordelijke ten aanzien van laatstgenoemde vennootschap. Verdachte was gedurende de ten laste gelegde perioden derhalve de feitelijk leidinggever van naam BV 3 B.V., hetgeen ook niet wordt betwist. Om die reden is verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk.

Feit 5

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde facturen van naam BV 9 B.V. aan naam BV 5 B.V. valselijk zijn opgemaakt. Nu van werkzaamheden niets is gebleken, de facturen niet zijn betaald, gesteld noch gebleken is dat is geprobeerd betaling te verkrijgen, en nu door naam BV 9 geen omzet is aangegeven, moet het opmaken tot doel hebben gehad de Belastingdienst tot uitkering van voorbelasting aan naam BV 5 B.V. te bewegen.

Nu medeverdachte heeft verklaard de facturen te hebben opgemaakt, nu gesteld noch gebleken is dat in de tenlastegelegde periode een ander of anderen dan medeverdachte betrokken was of waren bij naam BV 9 B.V., nu verdachte enig bestuurder was van naam BV 5 B.V., nu verdachte tevens de belastingaangifte van naam BV 5 B.V. heeft opgemaakt en de facturen aan de belastingdienst heeft overgelegd en nu verdachte en medeverdachte in de tenlastegelegde periode goede vrienden waren, kan het niet anders dan dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beide verdachten en hun betrokken vennootschappen.

Nu de besproken facturen ten grondslag liggen aan de aangifte over het tweede kwartaal van 2009, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan over dit kwartaal, door op de aangifte de op de facturen in rekening gebrachte BTW en daardoor een te hoog bedrag aan voorbelasting op te voeren.

Verdachte heeft de aangifte gedaan en droeg als bestuurder van naam BV 5 B.V. dus kennelijk zorg voor de belastingaangifte van de vennootschap. Verdachte kan derhalve worden geacht gedurende de ten laste gelegde perioden feitelijk leiding te hebben gegeven aan het doen van de aangifte omzetbelasting door de vennootschap.

Vrijspraak onjuiste aangifte omzetbelasting over juli 2009

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het doen van –kort gezegd- onjuiste aangifte omzetbelasting over juli 2009. De door hem over die maand teruggevraagde voorbelasting ziet op een factuur (D-19-02-02) van bedrijf aan naam BV 5 betreffende de overname van de domeinnaam naam site 3naam site 3, eigenaar van bedrijf en tevens eigenaar van voornoemde domeinnaam, heeft verklaard de factuur te hebben opgemaakt en verstuurd nadat hij met verdachte tot overeenstemming over de prijs was gekomen. Hoewel betaling van de factuur door naam BV 5 B.V. uiteindelijk is uitgebleven, hetgeen, in het licht van de andere tenlastegelegde en bewezen verklaarde feiten, te denken geeft, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat geen sprake is geweest van een reële overeenkomst, dan wel een door verdachte opgezette schijnconstructie om een factuur te krijgen die kon worden gebuikt ten behoeve van een opzettelijk onjuiste belastingaangifte.

Feit 6

Verdachte en medeverdachte hebben niets concreets en verifieerbaars gesteld over de totstandkoming van de werkzaamheden en door wie en wanneer de werkzaamheden zijn of zouden gaan worden verricht, terwijl dit wel op hun weg had gelegen nu zij de enigen zijn die hierover iets zouden kunnen verklaren. De door de verdachte in algemene termen gestelde realiteitswaarde van de gefactureerde prestaties is door hem niet onderbouwd en door hem zijn evenmin aanknopingspunten verstrekt op grond waarvan nader onderzoek zou kunnen plaatsvinden naar de gefactureerde werkzaamheden. Nu in het strafrechtelijk onderzoek ook verder geen aanknopingspunten te vinden zijn dat de op de facturen vermelde prestaties daadwerkelijk zijn verricht of dat iemand zich heeft verbonden tot het tegen betaling verrichten van de op de facturen genoemde prestaties, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht of dat overeengekomen is dat de werkzaamheden tegen betaling van de op de facturen opgenomen bedragen zouden worden verricht.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de verklaring van getuige 3 dat hij de tuin heeft opgeruimd en hiervoor niet betaald heeft gekregen. De rechtbank gaat er ook vanuit dat het netjes maken /fatsoeneren van de kavel waarover getuige 2 verklaart door getuige 3 is gebeurd. Voorzover anderen dan getuige 3 meer hebben gedaan, had het weg van verdachte gelegen hierover nader te verklaren. Nu hij dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ook uit van valsheid van de facturen D-23-01en D-24-02.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, alles in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de hiervoor genoemde facturen van naam BV 4 B.V. aan naam BV 6 B.V. valselijk zijn opgemaakt. Nu van werkzaamheden niets is gebleken, de facturen niet zijn betaald, gesteld noch gebleken is dat is geprobeerd betaling te verkrijgen, en nu door naam BV 4 B.V. geen omzet is aangegeven, moet het opmaken tot doel hebben gehad de Belastingdienst tot uitkering van voorbelasting aannaam BV 6 B.V. te bewegen.

Nu enerzijds medeverdachte heeft verklaard de valse factuur betreffende de schilderwerkzaamheden te hebben opgemaakt, en medeverdachte overigens heeft verklaard in het algemeen degene te zijn die de facturen van naam BV 4 B.V. opmaakt en nu gesteld noch gebleken is dat in de tenlastegelegde periode een ander of anderen dan medeverdachte betrokken was of waren bij naam BV 4 B.V. en nu anderzijds verdachte vergaand betrokken was bij naam BV 6B.V., de belastingaangifte en de overlegging van de facturen aan de belastingdienst en nu verdachte en medeverdachte in de tenlastegelegde periode goede vrienden waren, kan het niet anders dan dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beide verdachten en hun betrokken vennootschappen.

Nu de besproken facturen ten grondslag liggen aan de aangifte over het tweede kwartaal van 2009, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan over dit kwartaal, door op de aangifte de op de facturen in rekening gebrachte BTW en daardoor een te hoog bedrag aan voorbelasting terug te vragen.

Verdachte heeft de aangifte gedaan en heeft de onderliggende facturen aan de belastingdienst heeft verstrekt. Verdachte droeg dus kennelijk zorg voor de belastingaangifte van de vennootschap. Verdachte kan derhalve worden geacht gedurende de ten laste gelegde perioden feitelijk leiding te hebben gegeven aan het doen van de aangifte omzetbelasting door de vennootschap.

Feit 7

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Feit 1: Feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

Feit 2: Feitelijk leiding geven aan het ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl dit feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

Feit 3: Feitelijk leiding geven aan medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

Feit 4: Feitelijk leiding geven aan medeplegen van het ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl dit feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

Feit 5: Feitelijk leiding geven aan medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

Feit 6, primair: Feitelijk leiding geven aan medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

Feit 7:

Handelen in strijd met artikel 13, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank het fiscale benadelingsbedrag, oftewel het beoogde fiscale nadeel, als uitgangspunt. Dat in ogenschouw nemend, alsmede de ernst van de feiten en het feit dat verdachte reeds eerder veroordeeld is ten aanzien van frauduleuze handelingen, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank echter ook rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden dat de fiscus voor een deel van de door verdachte verzochte teruggaves niet daadwerkelijk is overgegaan tot uitbetaling aan verdachte.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF