Column: Levenslang toezichthouden door overheid proportioneel en noodzakelijk?

Door Lizette Vosman (Knoops’ Advocaten)

Het zal niemand ontgaan zijn dat sinds Fred Teeven staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is (oktober 2010), hij veel wetsvoorstellen heeft ingediend. Het ene voorstel is nog ingrijpender dan het andere. Een van de meest recent behandelde wetsvoorstellen in de Tweede Kamer van de hand van staatsecretaris Teeven is het wetsvoorstel langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking van november 2013. Kort gezegd komt het voorstel er op neer dat het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht zullen voorzien in de mogelijkheid dat zedendelinquenten, zware geweldsdelinquenten en voormalige tbs-gestelden na hun terugkeer in de samenleving langer – zo nodig zelfs levenslang – onder intensief toezicht komen te staan en dat hun resocialisatie aan voorwaarden is gebonden.

Uit de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt dat er grote maatschappelijke behoefte is aan het langdurig toezicht houden op bovengenoemde personen, aangezien toezicht de maatschappelijke veiligheid zou kunnen vergroten en ook recidive op deze manier zou kunnen worden teruggedrongen. Het voorstel is op 4 september jl. behandeld in de Tweede Kamer. Er is zelfs een amendement ingediend dat het wetsvoorstel nog iets aanscherpt. De rechter kan door het amendement ook op vordering van het openbaar ministerie de proeftijd bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling in bepaalde situaties telkens met ten hoogste twee jaar verlengen en zo nodig zelfs levenslang.

Op 18 september jl. is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen. D66 en ChristenUnie steunden de extra aanscherping niet, omdat zij die onnodig en rechtsstatelijk niet juist vinden.

Ook dit wetsvoorstel roept, evenals vele andere wetsvoorstellen van deze staatssecretaris, veel vragen op. Niet alleen vanuit de advocatuur, maar ook de Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak zijn kritisch ten opzichte van het wetsvoorstel. Wat is er eigenlijk mis met het langdurig en zo nodig zelfs levenslang toezicht houden op bepaalde ex-delinquenten?

Een eerste bezwaar bij het wetsvoorstel is dat de noodzaak en wenselijkheid van het verlengen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de tbs niet duidelijk is. Pas in 2008 is die termijn van drie naar negen jaar verlengd. Waarom wil de staatssecretaris deze termijn nu al tot levenslang verlengen? In datzelfde jaar werd tevens de vervroegde invrijheidstelling vervangen door de voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze wijzigingen zijn nog niet geëvalueerd, dus wat is de noodzaak van het aanscherpen van de wet binnen zo’n korte termijn?

Los van bovengenoemd bezwaar, is het maar zeer de vraag of het wetsvoorstel de toets aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kan doorstaan. Neem artikel 5 EVRM. In dit artikel is het recht op vrijheid en veiligheid van personen neergelegd. Een voorbeeld van een van de – overigens niet limitatief – genoemde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden die een rechter zou kunnen opleggen, is de opname in een zorginstelling. Gezien de jurisprudentie van het EHRM is het maar zeer de vraag of deze maatregel wel zomaar kan worden opgelegd.

Het legaliteitsbeginsel van artikel 7 EVRM komt met het huidige wetsvoorstel ook in gevaar aangezien volgens dit beginsel ten tijde van het plegen van een strafbaar feit de strafbaarstelling en de straf waarmee het delict is bedreigd, wettelijk moet zijn vastgesteld. Als iemand door de rechter een gevangenisstraf krijgt opgelegd met een eventueel daarbij behorende maatregel, dan weet hij onder het nieuwe wetsvoorstel niet meer wanneer hij daadwerkelijk in vrijheid en zonder toezicht van de overheid kan gaan leven. Eisen van voorzienbaarheid en rechtszekerheid komen hiermee in het geding. Ook ontbreekt overgangsrecht in het wetsvoorstel. Dit betekent dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel ook de proeftijd van reeds lopende voorwaardelijke invrijheidstellingen zou kunnen worden verlengd.

Daarnaast voorziet het wetsvoorstel ook in de mogelijkheid om in de gevallen waarin recidive niet aan de orde is, maar het gaat om een persoon die ernstig belastend gedrag tegen slachtoffers of getuigen zou kunnen gaan vertonen, zonder dat dit overigens strafbaar gedrag is, een maatregel op te leggen. De vraag hierbij is wat de proportionaliteit is tussen het te beschermen belang en de vrijheidsbeperkende maatregelen.

Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Het is te hopen dat de Kamerleden kritisch zullen zijn op het wetsvoorstel en de aangevoerde kritieken vanuit onder andere de advocatuur ter harte zullen nemen.

Print Friendly and PDF