Beklag over de inbeslagname en het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen geheimhoudersstukken van notaris

Rechtbank Rotterdam 22 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10165

Op 23 september 2014 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift namens klager 1 ingediend. Op 18 februari 2015 is op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift namens klager 2 ingediend. Op 16 juni 2015 heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard. Hiertegen hebben de klagers op 25 juni 2015 cassatieberoep ingesteld. Op 5 januari 2016 heeft de Hoge Raad de beschikking vernietigd en de zaken teruggewezen naar de rechtbank, zodat de zaken opnieuw behandeld en afgedaan kunnen worden.

De klaagschriften zijn op 24 maart 2016, 16 februari 2017, 12 oktober 2017 en 8 december 2017 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. T. Slieker en de raadsman zijn gehoord. De klagers zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Namens de belanghebbenden (wijlen) naam belanghebbende, naam rechtspersoon 1. en Projectontwikkelingsmaatschappij naam rechtspersoon 2 is, hoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin iemand verschenen.

Feiten

Op 21 augustus 2014 heeft de officier van justitie op de voet van artikel 110 Sv schriftelijk van de rechter-commissaris gevorderd dat hij in het belang van het strafrechtelijk onderzoek tegen naam verdachte 1 het kantoor van de klagers zal doorzoeken. Ter onderbouwing van deze vordering was een proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagname opgemaakt door Politie Eenheid Rotterdam d.d. 12 augustus 2014.

De rechter-commissaris heeft de vordering van de officier van justitie op 28 augustus 2014 toegewezen, waarna op 9 september 2014 een doorzoeking ter inbeslagneming op het kantoor van de klagers door de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel mr. H.O. Bossinga, is verricht. De voorzitter van de Ring Overijssel van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, mr. R.A.C. Marres, heeft de doorzoeking bijgewoond. Tevens waren de klagers bij de doorzoeking aanwezig. Zij hebben zich blijkens het proces-verbaal van de doorzoeking ten aanzien van alle in beslag te nemen stukken op hun verschoningsrecht beroepen en de stukken onder protest en in door hen verzegelde enveloppen afgegeven.

Ter behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie nadere stukken overgelegd. Uit een hierbij overgelegd proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, van 6 februari 2015 blijkt dat deze rechter-commissaris op 23 januari 2015 en 3 februari 2015 in aanwezigheid van naam opsporingsambtenaar, financieel specialist en als buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Nationale Politie, Eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, thema FinEc, een nader onderzoek heeft ingesteld naar de onder de notarissen in beslag genomen stukken. Hierbij is door de rechter-commissaris steeds beoordeeld of de in beslag genomen stukken voorwerp uitmaken van de strafbare feiten waarvan verdenking bestaat, daartoe hebben gediend, dan wel of de stukken dienstbaar zijn aan het onderzoek naar de strafbare feiten en/of de berekeningen ten behoeve van de schatting van het mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel.

Blijkens het proces-verbaal zijn stukken afkomstig uit twee enveloppen, genummerd nummer 1 en nummer 2, inmiddels aan klagers geretourneerd.

Standpunt klagers en standpunt officier van justitie

De klagers beklagen zich over de inbeslagname en het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen stukken. Namens de klagers is daartoe het volgende aangevoerd. De stukken betreffen geheimhouderstukken en vallen daarmee onder het verschoningsrecht van de klagers. De bij de inbeslagneming aanwezige rechter-commissaris heeft met de klagers afgesproken dat de inbeslaggenomen stukken aan de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam ter hand zouden worden gesteld ter bewaring totdat door de rechter op het beklag over de inbeslagneming onherroepelijk zou worden beslist. Hierna heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam blijkens het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015 deze afspraak geschonden door op 23 januari 2015 en 3 februari 2015 de zich in verzegelde enveloppen bevindende stukken te bekijken. Hierbij heeft de rechter-commissaris zich laten bijstaan door een opsporingsambtenaar. Hij heeft hierover geen overleg gevoerd had met de verdediging of de ringvoorzitter. Voorts heeft de rechter-commissaris een onjuist criterium gehanteerd bij zijn beoordeling of de stukken al dan niet (langer) geheimhouderstukken betreffen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klaagschriften. Daartoe heeft hij gesteld dat de stukken geen geheimhouderstukken betreffen omdat deze stukken deel uitmaken van de strafbare feiten waarvan de verschillende verdachten in het onderzoek Amaril worden verdacht dan wel dat deze stukken tot het begaan daarvan hebben gediend alsmede omdat deze dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Ingevolge artikel 22 van de Wet op het Notarisambt is een notaris, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht.

Op grond van artikel 98, eerste lid, Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen op de voet van het tweede lid van artikel 98 Sv, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (de zogenaamde corpora et instrumenta delicti), nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan de verschoningsgerechtigde toekomende bevoegdheid tot verschoning (vgl. HR 22 november 1991, NJ 1992/315).

De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon. Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262).

Het oordeel dat redelijkerwijze er geen twijfel over kan bestaan dat het in dit verband door de notaris ingenomen standpunt onjuist is, komt dan in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter of diens vervanger. Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434).

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Uit het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming blijkt dat een aantal daarin genoemde verdachte natuurlijke- en rechtspersonen verdacht worden van het middels een bedrijvenconstructie (ofwel een loanback constructie) witwassen van crimineel, illegaal vermogen. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachten (wijlen) naam verdachte 1 en naam verdachte 2 beschikken over zeer grote geldbedragen. Hun zichtbare, legale inkomsten staan in het geheel niet in verhouding tot hun uitgaven. Verder vermeldt het proces-verbaal dat uit onderzoek is gebleken dat op de bankrekeningen van de verdachten en de aan hen gelieerde rechtspersonen veelvuldig grote contante stortingen zijn gedaan en dat dit geld is overgemaakt naar andere rekeningen van deze rechtspersonen. Van deze rechtspersonen zijn slechts marginale bedrijfsactiviteiten bekend. Gebleken is dat via deze rechtspersonen grote bedragen zijn geïnvesteerd in onroerend goed en andere ondernemingen die te relateren zijn aan de verdachten.

Het onderzoek vermeldt voorts dat de maatschap naam maatschap (wijlen) naam verdachte 1 lijkt te hebben gefaciliteerd bij het verhullen van de herkomst van leningen. Dit blijkt onder andere uit de aankoop van park Waterweelde te Moerdijk en park Bru te Bruinisse. Naam rechtspersoon 1 heeft beide parken met het geld van naam rechtspersoon 3 gekocht. (Wijlen) naam verdachte 1 was de ultimate beneficial owner van zowel naam rechtspersoon 3 als naam rechtspersoon 1. De maatschap naam maatschap lijkt te hebben meegewerkt aan het verhullen van de herkomst van het geld bestemd voor de aanschaf van de parken door het middels de derdengeldrekening wijzigen van de herkomst van het geld van naam rechtspersoon 3 naar naam rechtspersoon 1 zonder dat deze partij is geweest bij de aanschaf. Daarnaast lijkt de maatschap naam maatschap de loanback constructie te legitimeren door hypothecaire akten voor leningen tussen naam rechtspersoon 1 en naam rechtspersoon 3 te verlijden.

Op 23 januari 2015 en 3 februari 2015 heeft de rechter-commissaris tezamen met een opsporingsambtenaar de in beslag genomen stukken onderzocht en ten aanzien van het merendeel van de stukken geoordeeld dat dit geen of niet langer geheimhouderstukken betreffen aangezien de stukken direct (voor wat betreft de akten en overeenkomsten) dan wel indirect (voor wat betreft de correspondentie met betrekking tot de transacties) voorwerp uitmaken van of hebben gediend tot het begaan van de strafbare feiten waarvan verdenking bestaat en/of het daaruit verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op 16 februari 2017 heeft de raadkamer, naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad in deze zaak van 5 januari 2016, besloten dat de rechter-commissaris zijn oordeel omtrent welke stukken geen of niet langer geheimhouderstukken betroffen, opnieuw dient te beoordelen aan de hand van de door de verdediging en officier van justitie in te nemen standpunten omtrent de inhoud van de enveloppen. De rechter-commissaris heeft de verdediging in de gelegenheid gesteld gemotiveerd en in persoon toe te lichten welke stukken in de enveloppen in de visie van de geheimhouder geheimhouderstukken zijn.

De verdediging heeft hiervan geen gebruik gemaakt en heeft bij de nadere behandeling in raadkamer uitsluitend gesteld dat alle stukken geheimhouderstukken zijn en dat een verder strekkende toelichting al een schending van het verschoningsrecht oplevert.

De officier van justitie heeft bij brief van 28 juni 2017 gemotiveerd kenbaar gemaakt waarom hij van mening is dat de inhoud van de 22 enveloppen geen geheimhouderstukken (meer) zijn.

De rechter-commissaris heeft, vervat in zijn mailbericht van 9 oktober 2017, de raadkamer bericht dat de standpunten van de officier van justitie en de klagers in wezen geen nieuwe inzichten bieden. Omdat door de partijen geen daadwerkelijke aanvullende argumenten of inzichten naar voren zijn gebracht, ziet de rechter-commissaris geen reden om de stukken opnieuw te beoordelen.

In het huidige artikel 98 Sv, zoals dit sinds 1 maart 2015 luidt, is bepaald dat een verschoningsgerechtigde bezwaar kan maken tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt. De rechter-commissaris dient na een zodanig beroep te beslissen of de inbeslagneming is toegestaan. Verder bepaalt de wet dat de verschoningsgerechtigde tegen deze beslissing beklag kan doen bij de rechtbank.

Deze procedure bestond nog niet ten tijde van de doorzoeking en inbeslagneming op het kantoor van de klagers evenals ten tijde van de beoordeling door de rechter-commissaris of sprake is van geheimhouderstukken. Wel gold ook toen (op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad) dat het oordeel of er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, in eerste instantie toekomt aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals in deze zaak: de Ringvoorzitter), (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12).

De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris kennis heeft genomen van de inhoud van de 22 enveloppen en ten aanzien van deze stukken een oordeel heeft gegeven dat geen sprake is van geheimhouderstukken. Vervolgens is door de officier van justitie (uitgebreid gemotiveerd) en door de klagers (in het algemeen) een standpunt over dit oordeel van de rechter-commissaris ingenomen. De verschoningsgerechtigden dienen hun standpunt dat er sprake is van geheimhoudersstukken in die mate te onderbouwen dat de rechter-commissaris kan toetsen of het beroep niet kennelijk onjuist is. De verschoningsgerechtigden hebben dit geweigerd te doen. De algemene stelling van de verschoningsgerechtigden dat zelf een dergelijke toelichting een inbreuk oplevert van het verschoningsrecht, is onjuist. Redelijke wetsuitleg brengt met zich dat een verschoningsgerechtigde aangeeft waarom een bepaald schriftelijk stuk (of bestand) valt onder het verschoningsrecht van de betreffende geheimhouder. Dat behoeft (als uitgangspunt) geen gedetailleerde onderbouwing te zijn, maar wel een zodanige onderbouwing dat de rechter-commissaris de in de rechtspraak vastgelegde toetsing kan verrichten. Doordat de geheimhouders hebben geweigerd om enige onderbouwing van hun standpunt te geven, kon de rechter-commissaris in redelijkheid tot het oordeel komen dat er bij klagers geen goede gronden bestaan om een beroep te doen op het verschoningsrecht. Kortom: door geen (reële mate van) onderbouwing te geven voldoet de verschoningsgerechtigde niet aan zijn verplichting op dit punt en moet het er voor worden gehouden dat een dergelijke onderbouwing ontbreekt. Een andere juridische en feitelijke benadering maakt toetsing door de rechter-commissaris en (in geval van beroep) de rechtbank onmogelijk.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande vast is komen te staan dat de inhoud van de 22 enveloppen geen geheimhouderstukken betreffen en derhalve niet vallen onder het verschoningsrecht dat aan de klagers toekomt.

Voor wat betreft de overige onderdelen van het klaagschrift wordt door de rechtbank overwogen dat de beslissing van de rechtbank van 15 juni 2015 in stand kan blijven, te weten:

‘Namens de klagers is tevens aangevoerd dat de rechter-commissaris de verzegelde enveloppen met de in beslag genomen stukken niet had mogen bekijken totdat de rechter op de onderhavige klaagschriften heeft beslist, gelet op de eerdere toezegging ter zake door de rechter-commissaris die bij de inbeslagneming aanwezig was. De rechtbank stelt vast dat het de voorkeur zou hebben verdiend als de rechter-commissaris in elk geval de ringvoorzitter en de verschoningsgerechtigden voorafgaand in kennis zou hebben gesteld van zijn onderzoek. De ongelukkige gang van zaken rechtvaardigt echter niet de conclusie van de klagers dat om die reden het beslag niet langer zou kunnen worden gehandhaafd.’

Gelet op het voorgaande zullen de klaagschriften ongegrond worden verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF