Beklag ex art. 12 Sv na weigeren vervolging politieambtenaar en milieu inspecteur wegens valsheid in geschrift en/of meineed

Gerechtshof Amsterdam 11 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1780

Klaagster heeft op 10 juni 2013 aangifte gedaan van meineed gepleegd door beklaagde 1 (destijds politieambtenaar) en beklaagde 2 (milieu inspecteur) ter terechtzitting van de economische politierechter in Alkmaar op 11 december 2008 en van valsheid in geschrift gepleegd door beklaagde 1 in zijn proces-verbaal van 11 juni 2008.

Op 21 februari 2008 vond in multidisciplinair verband een integrale milieucontrole plaats op het terrein van klaagster door onder anderen beklaagden. Beklaagde 1 heeft op 11 juni 2008 met betrekking tot deze controle op ambtseed proces-verbaal opgemaakt. Naast de geconstateerde overtredingen op 21 februari 2008 bevat dit proces-verbaal een weergave van hetgeen na het controlebezoek aan de orde is geweest en de hercontrole op 21 april 2008.

Ter terechtzitting van de economische politierechter op 11 december 2008 zijn beklaagden (onder ede) als getuige/deskundige gehoord. Beklaagde 1 heeft toen verklaard dat hij tijdens de controle geen situaties heeft veranderd of dingen heeft verplaatst. Beklaagde 2 heeft ter terechtzitting verklaard dat tijdens de controle de omstandigheden op het terrein niet zijn veranderd en dat hij geen asbest op hoopjes heeft gelegd.

Klaagster betwist de aanwezigheid van losse asbestdelen op haar terrein; volgens haar hebben beklaagden die asbestdelen van de gevelbeplating losgetrokken.

Bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zijn diverse foto’s aan het dossier toegevoegd; op 20 februari 2012 zijn beklaagden als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. In die verhoren zijn de foto’s 3014 en 3023 aan de orde geweest; beklaagden hadden geen verklaring voor de omstandigheid dat op foto 3014 geen gat in de gevelbeplating is te zien en op foto 3023 wel. Beklaagde 1 heeft daarover verklaard dat hij dat gat in de zijgevel zeker niet zelf heeft gemaakt. Beklaagde 2 heeft gezegd dat hij denkt dat dat gat er op foto 3014 wel heeft gezeten maar dat er sprake is van een vertekening van het beeld. Ten aanzien van foto 3056, waarop geen asbest is te zien, en de foto’s 3057 en 3058, waarop wel asbest is te zien, hebben beide beklaagden verklaard dat de scherven asbest daar waarschijnlijk zijn neergelegd om deze beter te kunnen fotograferen.

Bij brief van 5 augustus 2012 heeft beklaagde 1 aan de raadsheer-commissaris geschreven dat een aantal asbestscherven uit de open container en een vijftal asbestscherven die gevonden waren bij de sorteerloods en de kapschuur, op betonschollen zijn gelegd om er foto’s van te maken; dit heeft hij niet in zijn proces-verbaal van 11 juni 2008 vermeld.

Naar aanleiding van de beslissing in de strafzaak in hoger beroep – het Openbaar Ministerie is op 6 maart 2015 niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging – en het door klaagster ingestelde beklag is door de Afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van de politie (strafrechtelijk) onderzoek verricht naar de handelwijze van beklaagden. In dit onderzoek is een vijftal personen die betrokken waren bij het onderzoek als getuige gehoord; beklaagden zijn op 21 augustus 2015 als verdachte gehoord.

Dit onderzoek was voornamelijk gericht op het bestaan van meer of andere foto’s dan de in het strafdossier gevoegde afbeeldingen.

Uit de verhoren van beklaagden komt naar voren dat asbestscherven door beklaagden uit de container omhoog gehaald zijn om deze beter te kunnen fotograferen. Ook elders op het terrein gevonden asbestscherven zijn verzameld en op de betonschollen in de container gelegd om deze te fotograferen. Beklaagde 1 heeft erkend dat hij die handelingen niet goed heeft omschreven in zijn proces-verbaal; hij heeft ontkend dat hij met asbestscherven gemanipuleerd heeft. Die waren immers al aanwezig op het terrein. Het niet vermelden van het verplaatsen van asbestscherven was niet om de rechter te misleiden.

Bij de vraag van de economische politierechter in zijn verhoor ter terechtzitting van 11 december 2008 over ‘het veranderen van de omstandigheden’ dacht beklaagde 1 aan grote zaken, zoals het verplaatsen van een gasfles of een aanhanger of een doos, en niet aan scherven. Beklaagde 2 dacht bij ‘het veranderen van de omstandigheden’ aan het afbreken of verplaatsen van stukken asbest, en niet aan het neerleggen van stukken asbest om te fotograferen.

Na de behandeling van de beklagkamer op 14 oktober 2015 is op verzoek van de advocaat van klaagster nader onderzoek verricht door de afdeling VIK. Er zijn nog twee getuigen gehoord en processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat alle foto’s zijn overgelegd aan de rechter en dat er geen notities of mailcorrespondentie voorhanden zijn.

De overwegingen van het hof

In het arrest van 6 maart 2015 in de strafzaak tegen klaagster heeft dit hof overwogen dat het niet kon vaststellen “of, en zo ja waar op het terrein (op de onbeschermde bodem), losse asbestdelen lagen en evenmin of, en zo ja op welke wijze, deze zijn verplaatst”.

In de artikel 12 Sv-procedure heeft het hof – anders dan in de strafzaak – te beoordelen of er – eventueel na verder onderzoek – voldoende bewijsmateriaal is waarmee een gerede kans op een veroordeling door de strafrechter mogelijk zou zijn ter zake van valsheid in geschrift en/of meineed. Daarbij zij vermeld dat het in het strafrecht gaat om voldoende wettig en overtuigend bewijs, waarbij geldt dat daarvoor meer dan één getuigenverklaring nodig is.

Wettelijk kader

Valsheid in geschrift

Artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt strafbaar – kort gezegd – het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift met bewijsbestemming, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat om tot een veroordeling voor dit feit te komen, bewezen moet worden dat sprake is van zowel opzet op de valsheid als het oogmerk tot misleiding bij het gebruik.

Meineed

Artikel 207 Sr stelt strafbaar het mondeling of schriftelijk onder ede een valse verklaring afleggen.

Om tot een veroordeling voor dit feit te komen, moet bewezen worden dat de opzet gericht is op de valsheid, met andere woorden: bewezen moet worden dat de betrokkene zich ervan bewust was dat de verklaring vals is of in strijd met de waarheid.

Het proces-verbaal van 11 juni 2008

Het hof moet constateren dat aan dit proces-verbaal van beklaagde 1 betreurenswaardige gebreken kleven. Waar het proces-verbaal vergezeld ging van situatiefoto’s had minst genomen met betrekking tot de foto’s waarop zulks het geval was, vermeld dienen te zijn dat ten behoeve van die foto’s asbestdelen waren verplaatst. Dat verzuimd is daarvan melding te maken, is onzorgvuldig.

Het verwijt dat klaagster beklaagde 1 maakt, gaat echter veel verder: klaagsters stelling moet immers – kort gezegd – zo begrepen worden dat tijdens de controle opzettelijk asbestmateriaal van (dak)beplating is afgebroken en zodanig is neergelegd dat daarmee kon worden aangetoond dat sprake was van overtreding van wettelijke bepalingen en/of vergunningsvoorwaarden. Deze handelswijze levert valsheid in geschrift op omdat daardoor sprake is van misleiding.

Klaagster onderbouwt haar stelling aan de hand van foto’s en een brief van naam 3 van bedrijf van 20 maart 2008 aan haar vertegenwoordiger. In die brief is vermeld dat naam 3 op de middag vóór de inspectie op klaagsters terrein heeft gekeken naar plaatsen waar zijn bedrijf werkzaamheden zou moeten verrichten en dat hij daar toen geen losliggende asbestdelen heeft gezien. Ten aanzien van een drietal op foto’s zichtbare hoopjes fragmenten van dak- en gevelbeplating is vermeld dat hij deze op 20 februari 2008 niet had waargenomen. Daarbij is vermeld dat, gelet op de zichtbare breukvlakken van de asbestdelen, naar schatting ongeveer 70% van de delen wees op “verse” breukschade.

Wat er zij van deze verklaring, zij biedt steun aan hetgeen door beklaagden is erkend (het op hoopjes leggen van los aangetroffen asbestdelen). De verklaring is niet voldoende als strafrechtelijk bewijs dat door beklaagden, of een van hen, dak- of gevelbeplating is losgetrokken om zo het bewijs van overtredingen te fingeren.

Met betrekking tot de verklaring van naam 3 dat hij geen losliggende delen asbest heeft gezien op de plaatsen waar zijn bedrijf werkzaamheden moest verrichten, moet worden vastgesteld dat deze verklaring niet zodanig specifiek is, dat daarmee uitgesloten kan worden dat elders, op plaatsen die slecht toegankelijk waren (zoals in of achter de container) wel los materiaal lag.

Er is niet gebleken van getuigen die hebben gezien dat de beklaagden platen asbest hebben losgetrokken of gebroken.

Voor zover door klaagster is verwezen naar foto’s waarop te zien zou zijn dat tussen 11:22 uur (foto 3014) en 11:26 uur (foto 3023) een gat is ontstaan, moet het hof, na ampele bestudering van de digitale bestanden van deze foto’s concluderen dat het erop lijkt dat op beide foto’s in de onderste laag platen (op foto 3023 links van de blauwe balk) een drietal gaten is te zien, waarvan het meest linkse gat gedeeltelijk aan het gezicht onttrokken lijkt te zijn door de golving van het plaatmateriaal. Deze gaten zouden overeen kunnen komen met de drie op foto 3014 rechts naast de blauwe balk zichtbare gaten.

Het hof acht het, na bestudering van de kleurverschillen van de breukvlakken op foto 3023, niet aannemelijk dat daaruit afgeleid zou kunnen worden dat een van deze gaten enkele minuten voor het nemen van de foto gemaakt zou zijn.

Beklaagde 1 heeft erkend dat hij de gang van zaken met betrekking tot (het fotograferen van) de asbestscherven in zijn proces-verbaal had moeten relateren, maar betwist dat hij dit bewust heeft nagelaten om aldus de rechter te misleiden. Daarvoor was geen enkele aanleiding nu er al vele (milieu)overtredingen op het terrein van klaagster waren geconstateerd.

Het hof ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen en daarmee zijn er onvoldoende aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat hij opzettelijk heeft nagelaten te vermelden dat ten behoeve van foto’s asbestdelen verplaatst zijn. Aanwijzingen voor het oogmerk tot misleiding ontbreken; het hof neemt daarbij in ogenschouw dat niet kan worden vastgesteld dat wezenlijke veranderingen zijn aangebracht in de situatie ter plaatse, maar slechts dat sprake is van het verplaatsen van reeds aanwezig bewijsmateriaal.

Bij deze stand van zaken zal de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen niet tot een veroordeling van beklaagde 1 ter zake van valsheid in geschrift kunnen komen.

Naar het oordeel van hof zijn er geen reële mogelijkheden voor nader onderzoek; het beklag zal daarom op dit punt worden afgewezen.

De verklaringen van beklaagden ter terechtzitting van de economische politierechter op 11 december 2008

Zoals hiervoor overwogen staat vast dat tijdens het milieuonderzoek op het terrein van klaagster losse asbestscherven zijn verplaatst en dat daarover niets in het proces-verbaal van beklaagde 1 is vermeld. Evenmin is daarover verklaard tegenover de economische politierechter. Volgens de later afgelegde verklaringen van beklaagden hebben zij het bijeenleggen van asbestscherven ten behoeve van het fotograferen daarvan niet opgevat als het veranderen van situaties of het verplaatsen van dingen op het terrein.

Het hof merkt op dat aan de hand van het proces-verbaal van de zitting niet kan worden afgeleid dat de op dit punt gestelde vragen zo specifiek waren dat daaruit moest worden afgeleid dat het ook zou kunnen gaan om het bijeenleggen van asbestdelen ten behoeve van foto’s.

Het hof ziet ook overigens geen aanwijzingen die aanleiding geven aan te nemen dat beklaagden tegenover de economische politierechter opzettelijk een valse, meinedige, verklaring hebben afgelegd. De uitleg die beklaagden hebben gegeven voor de wijze waarop ze de vraagstelling door de economische politierechter hebben opgevat acht het hof niet onaannemelijk en niet valt te verwachten dat de strafrechter – als deze over deze zaak zou moeten oordelen – op grond van de afgelegde verklaringen tot het oordeel zal komen dat hiermee bewust een zo vertekend beeld van de werkelijkheid is gegeven dat het wel verklaarde een valse verklaring oplevert.

Aan het opzetvereiste voor bewezenverklaring van het afleggen van een valse verklaring in de zin van meineed wordt naar het oordeel van het hof niet voldaan.

Het hof ziet geen aanknopingspunten nog nader onderzoek te doen verrichten.

Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat niet is te verwachten dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd tot bewezenverklaring van strafbare feiten zou komen. Het hof zal het beklag afwijzen.

Het hof wijst het beklag af.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF