Beklag 552a Sv: Oplichting of diefstal? Revindicatiebevoegdheid van 3:86 lid 3 BW.

Rechtbank Den Haag 26 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7648

Op 12 december 2016 heeft klager aangifte gedaan van diefstal van zijn horloge. Klager heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zijn horloge op 30 oktober 2016 op Marktplaats te koop heeft aangeboden voor een bedrag van € 3.500,- en dat hij op 9 december 2016 omstreeks 17:30 uur werd gebeld door een man die in zijn horloge geïnteresseerd was. De man noemde zich betrokkene. Klager en betrokkene zijn een bedrag van € 3.250,- overeen gekomen. Diezelfde avond is betrokkene bij klager thuis langsgekomen. Toen klager het horloge aan de betrokkene liet zien, trok betrokkene het horloge uit de handen van klager. Betrokkene pakte zijn telefoon en zei dat hij het geld over zou boeken. Klager moest zijn rekeningnummer op de telefoon van betrokkene intoetsen. Toen klager via de computer op zijn rekening keek, zag hij dat het geld nog niet was overgeschreven. Betrokkene zei dat daar een weekend overheen zou gaan, waarna betrokkene met het horloge is weggegaan. Na het weekend bleek het geld nog steeds niet op de rekening van klager te staan. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat het rekeningnummer van betrokkene niet bleek te kloppen en dat de transactie, vanaf dat rekeningnummer, niet heeft plaatsgevonden.

Op 5 september 2017 heeft klager bij de politie gemeld dat het horloge bij bedrijf in Katwijk op internet te koop werd aangeboden. Hierop heeft de politie het horloge op 5 september 2017 onder belanghebbende inbeslaggenomen. Een medewerker van bedrijf, medewerker, heeft verklaard dat dat hij horloge gekocht heeft van een vriend, die het horloge via Marktplaats had gekocht voor een bedrag van € 2.750. Medewerker heeft ook verklaard dat hij het horloge voor de aankoop heeft gecontroleerd op de website www.stopheling.nl en via de importeur en dat daaruit gebleken is dat het horloge niet als gestolen geregistreerd stond.

De officier van justitie heeft op 4 december 2017 een mededeling ex artikel 116, derde lid, Sv gedaan. Daarop is namens klager onderhavig klaagschrift ingediend.
 

De standpunten in raadkamer

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bij het wegnemen van het horloge bij klager sprake geweest is van oplichting, dat klager om die reden geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 3:86, derde lid, BW terwijl belanghebbende het horloge te goeder trouw in bezit heeft gekregen en derhalve als rechthebbende moet worden aangemerkt.

Klager en zijn raadsvrouw hebben zich, met referte aan de overlegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat het beklag gegrond moet worden verklaard. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat klager reeds in zijn aangifte heeft aangegeven dat bij het wegnemen sprake is geweest van diefstal. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat het horloge door betrokkene is weggenomen met het oogmerk om hem dit wederrechtelijk toe te eigenen, waarmee de bestanddelen voor diefstal vervuld zijn. Voorts heeft de raadsvrouw erop gewezen dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de enkele omstandigheid dat uit een feitencomplex ook kan blijken dat sprake is geweest van oplichting nog niet maakt dat het aannemen van diefstal uitgesloten is. Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bedrijf het horloge ‘via via’ heeft ingekocht voor een te lage prijs, hetgeen extra zorgplicht met zich mee had moeten brengen, zodat niet aangenomen kan worden dat belanghebbende bij de aanschaf te goeder trouw is geweest.

Belanghebbende en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat het op grond van het dossier onaannemelijk is dat bij het wegnemen van het horloge bij klager sprake is geweest van diefstal en dat klager om die reden de revindicatiebevoegdheid van artikel 3:86, derde lid, BW niet toekomt. De raadsman heeft aangegeven dat belanghebbende het horloge te goeder trouw in bezit heeft gekregen, omdat op meerdere manieren is gecontroleerd of het horloge als gestolen geregistreerd stond en dat is gebleken dat dat niet het geval was.
 

Overwegingen van de rechtbank

Het horloge is inbeslaggenomen op grond van artikel 94 Sv. Gelet op de mededeling ex artikel 116, derde lid, Sv van de officier van justitie, stelt de rechtbank vast dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. In dat geval geldt dat het inbeslaggenomen goed wordt teruggegeven aan de beslagene, tenzij een ander als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt.

Niet ter discussie staat dat het horloge klager in eigendom toebehoorde voordat het horloge werd meegenomen. De vraag die voorligt is of bij het verlies van die eigendom sprake is geweest van diefstal (artikel 310 Sr) en/of oplichting (artikel 326 Sr) en vervolgens of klager de revindicatiebevoegdheid van artikel 3:86, derde lid, BW kan inroepen. Voor die beoordeling is niet van belang op welke wijze het Openbaar Ministerie het feitencomplex in de mededeling ex artikel 116, derde lid, Sv heeft gekwalificeerd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de omstandigheid, dat uit een feitencomplex mogelijkerwijs ook kan blijken dat sprake is van oplichting, nog niet maakt dat het aannemen van diefstal uitgesloten is (HR 19 mei 2015, NJ 2015/259).

Bij diefstal is de wegnemingshandeling essentieel. Voor het vervullen van dat bestanddeel is vereist dat de dader zich een feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken. Bij oplichting dient sprake te zijn van (het bewegen tot) afgifte. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of bepaalde gedragingen “wegnemen” of “afgifte” opleveren niet steeds ondubbelzinnig is te beantwoorden, aangezien tussen de inhoud van die begrippen geen scherpe grens bestaat. Dat brengt mee dat aan de rechter enige vrijheid toekomt om bepaalde gedragingen ofwel als “wegnemen” ofwel als “afgifte” te kwalificeren.

Uit de aangifte en de verklaring van klager blijkt dat betrokkene, toen hij in de woning van klager was, het horloge uit zijn handen heeft getrokken en hem een valse betaalapp met een vals rekeningnummer heeft getoond. Na het tonen van deze valse app met vals rekeningnummer waarop ook valselijk een afschrijving van € 3.250,- zichtbaar was, heeft betrokkene het horloge meegenomen. De valse middelen zijn door betrokkene aangewend om het horloge uit de macht van klager te halen met de bedoeling om zich het horloge op deze manier wederrechtelijk toe te eigenen. Door op die wijze te handelen en het horloge mee te nemen, heeft betrokkene zich een zodanige feitelijke heerschappij over het horloge verschaft, dat naar het oordeel van de rechtbank van “wegnemen” moet worden gesproken. Dit brengt met zich mee dat de feitelijke gang van zaken gekwalificeerd kan worden als diefstal in de zin van artikel 310 Sr. Aangezien klager, als degene die is bestolen, als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt en hij zijn revindicatiebevoegdheid als bedoeld in artikel 3:86, derde lid, BW binnen drie jaar na de diefstal heeft ingeroepen, dient het beklag gegrond verklaard te worden en zal de teruggave van het horloge aan klager worden gelast. Dat belanghebbende bij het verkrijgen van het horloge te goeder trouw was, zoals is betoogd, maakt vorenstaande niet anders.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF