Column: Nieuwe wet tegen fraude snel invoeren

Door Jan-Paul Verboom (Ivy)

Op 5 juli 2013 werd bekend dat het wetsvoorstel versterking bestrijding financieel-economische criminaliteit bij de Tweede Kamer was ingediend. Het wetsvoorstel weerspiegelt de maatschappelijke wens om fraude-delicten als witwassen en corruptie zwaarder te bestraffen. Vorige week werd de noodzaak van snelle invoering van het wetsvoorstel onderstreept, toen de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaarde wegens verjaring in een zaak tegen een corrupte politietolk (ECLI:NL:HR:2013:1568).

De tolk had vertrouwelijke informatie uit een lopend strafrechtelijk onderzoek verkocht in ruil voor sieraden en geld. Hij werd veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping en schending van zijn beroepsgeheim, gepleegd in de maanden september, oktober en november 2001. De maximum gevangenisstraf op beide delicten bedraagt respectievelijk 2 jaar (niet-ambtelijke omkoping) en 1 jaar (schending beroepsgeheim). Daarmee bedroeg de maximale verjaringstermijn na stuiting 12 jaar. De delicten waren dus met ingang van 1 december van dit jaar, 2 dagen vóór de uitspraak van de Hoge Raad, geheel verjaard.

De uitspraak van de Hoge Raad is opmerkelijk, niet alleen qua timing. Bij mijn weten is het niet eerder voorgekomen dat de Hoge Raad ambtshalve een integrale niet-ontvankelijkheid uitspreekt vanwege overschrijding van de verjaringstermijn na succesvolle stuiting (bij misdrijven). Tot medio 2006 was dit ook niet aan de orde, toen kon de verjaring nog onbeperkt gestuit worden. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de Hoge Raad een signaal heeft willen afgeven; zonder al te veel moeite had de uitspraak immers ook een aantal weken eerder kunnen worden gedaan. Dat signaal zou voor het Hof bestemd kunnen zijn: niet voor het eerst bedraagt de inzendtermijn 1 jaar. Aannemelijker is een signaal bestemd voor de politiek: Hetzelfde lot dreigt immers ook voor andere vervolgingen wegens niet-ambtelijke omkoping, waaronder mogelijk ook voor de Vastgoedfraude (afhankelijk van de snelheid waarmee het hoger beroep en eventuele cassatie wordt afgerond).

Een maximale verjaringstermijn van 12 jaar is aan de krappe kant voor een (fraude)delict als niet-ambtelijke omkoping. Niet alleen vergt de rechtsgang in grote fraude- en corruptieonderzoeken doorgaans de nodige jaren, maar ook wordt de omkoping meestal pas enige tijd, zo niet jaren, na het plegen daarvan ontdekt. In de praktijk zal verjaring vooral spelen voor de actieve omkoper; degene die de giften of beloften doet. De verjaringstermijn van de passief omkoper, degene in dienstbetrekking, begint immers naar vaste rechtspraak pas te lopen na het einde van het dienstverband: want pas dan is het strafbare feit voltooid (de verzwijging tegenover de werkgever). Dat neemt niet weg dat het moeilijk valt uit te leggen dat een winkeldief tot 24 jaar na het stelen van twee blikjes bier vervolgd kan worden, terwijl een corrupte zakenman al naar de helft van die periode immuniteit geniet.

Het wetsvoorstel voorziet terecht in een verdubbeling van de maximumstraf van niet-ambtelijke omkoping (van 2 naar 4 jaar). Een snelle invoering van het wetsvoorstel is wenselijk, het voorkomt dat er meer vervolgingen wegens niet-ambtelijke omkoping uiteindelijk zonder strafoplegging zullen eindigen. Tot die tijd kan lang procederen, en een beetje geluk, zijn vruchten afwerpen.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF