Artikel: De straffende burgemeester een gevaar voor het strafrecht?

De gedachte dat misdaad uitsluitend dient te worden bestreden door middel van de inzet van het strafrecht is reeds lange tijd verlaten. Er was sprake van overbelast geraakt strafrecht en een hiermee gepaard gaand handhavingstekort. Van het bestuursrecht wordt ook een bijdrage verwacht en de gedachte is dat het bestuur een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de (preventieve) handhaving. In de criminologie wordt deze ontwikkeling aangeduid als responsabilisering: om criminaliteitsrisico’s te weren worden ook niet-strafrechtelijke actoren betrokken bij de bestrijding van criminaliteit, zoals de lokale overheid. De meest zichtbare bestuurlijke actor is de burgemeester.

Deze burgemeester krijgt volgens sommigen steeds meer de rol van ‘veiligheidsbaas’ en heeft oude en nieuwe instrumenten voorhanden om ‘de bijl aan de wortels van de georganiseerde misdaad’ te zetten. Dit wordt de bestuurlijke aanpak van georganiseerde misdaad genoemd. Op grond van deze aanpak wordt het bestuursrecht preventief ingezet om te voorkomen dat de georganiseerde misdaad door de overheid wordt bevorderd. De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) is het meest bekende voorbeeld van deze aanpak.

Deze wet biedt bestuursorganen de mogelijkheid om beschikkingen – waaronder vergunningen – te weigeren of in te trekken, indien sprake is van een ernstig gevaar van misbruik van de vergunning. Over het algemeen wordt aangenomen dat de weigering of intrekking van een vergunning op grond van deze wet door bijvoorbeeld de burgemeester, niet is aan te merken als een criminalcharge. De bedoelde weigering of intrekking is dus geen voorbeeld van ‘bestuursstrafrecht’ maar is veeleer een bestuurlijke maatregel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob geen bestraffende sanctie is en het doel ervan erin is gelegen te voorkomen dat het openbaar bestuur misdaad bevordert.9 De burgemeester die toepassing geeft aan de Wet Bibob is dan geen straffende burgemeester.

In deze bijdrage wordt onderzocht in hoeverre de straffende burgemeester een gevaar vormt voor het strafrecht. Enerzijds wordt bekeken onder welke omstandigheden de burgemeester als zodanig bevoegd is om bestraffende sancties op te leggen en wat hiervan de strafrechtelijke implicaties zijn. Anderzijds worden bestuurlijke sancties besproken die door de bestuursrechter niet worden aangemerkt als bestraffend, maar daar wel sterk op lijken en/of op aansluiten, om vervolgens te bezien hoe de samenloop met het strafrecht is geregeld. Om hierin meer inzicht te krijgen wordt ten eerste aandacht besteed aan de figuur van het bestraffende bestuur, waarna enige relevante bestuurlijke sancties, die de burgemeester ter beschikking staan, in kaart worden gebracht. Ten derde wordt ingegaan op de strafrechtelijke implicaties van de oplegging van zowel bestraffende als niet-bestraffende sancties door de burgemeester. Deze bijdrage eindigt met een conclusie.

Lees verder:


 

Print Friendly and PDF