Artikel 6 WVW: sprake van roekeloosheid?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9157

Verdachte heeft in de periode van (in ieder geval) vrijdagavond 14 september 2012 tot de vroege middag van zaterdag 15 september 2012, voorafgaand aan het ongeval, een zeer grote hoeveelheid alcoholhoudende drank tot zich genomen. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij op de vrijdagavond en de daaropvolgende nacht minimaal drie flessen wijn heeft gedronken. Vast staat dat hij rond het middaguur in zijn auto naar de ACLO (sportcomplex te plaats) is gereden en daar wederom wijn heeft gedronken. Hierna stapt verdachte weer in zijn auto. Even later rijdt hij over de straat. Daar willen omstreeks 13.10 uur slachtoffer1 en zijn oma slachtoffer2 de rijbaan oversteken. slachtoffer1 duwt daarbij slachtoffer2 in haar rolstoel voort. Dit oversteken vindt plaats ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats, een zebrapad. Wanneer zij ongeveer halverwege de voetgangersoversteekplaats zijn, zien zij links van hen de door verdachte bestuurde auto aan komen rijden. Verdachte rijdt met onverminderde snelheid tegen slachtoffer2 en slachtoffer1 aan. slachtoffer2 wordt hierbij gelanceerd over de motorkap en komt op het wegdek terecht. Ook slachtoffer1 komt ten val. Verdachte voelt een schok maar besluit door te rijden. Bij de politie heeft hij daarover verklaard dat hij wel in zijn achteruitkijkspiegel heeft gekeken en heeft gezien dat hij een of meer mensen had geraakt, maar is doorgereden ‘omdat het in zijn optiek niet ernstig leek’. Een omstander heeft verklaard dat verdachte om toegesnelde omstanders heen reed, zijn hand opstak en doorreed. Een kentekenplaat van de auto van verdachte blijft achter op de plaats van het ongeval. Verdachte wordt even later thuis aangehouden. Een blaastest, uitgevoerd om 14:22 uur, wijst uit dat zijn ademalcoholgehalte 1200 ug/l bedraagt. Door de aanrijding loopt slachtoffer2 zwaar lichamelijk letsel op, te weten bekkenbreuken, breuken van de lendenwervels en de borstwervels. slachtoffer1 heeft een gescheurde milt. Verdachte heeft nadien verklaard dat hij de slachtoffers niet heeft zien oversteken, omdat hij bezig was zijn op de autovloer gevallen telefoon te zoeken. Ook blijkt bij verhoor van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het ongeval op een andere plek had plaatsgevonden dan op de straat.

Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft gehad aan de aanrijding. Bij de beantwoording van deze vraag komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet alleen uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden volgt dat de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan de aanrijding, bevestigend kan worden beantwoord.

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is in welke mate verdachte schuld heeft gehad aan de aanrijding.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte sprake is geweest van roekeloosheid.

De verdediging gaat uit van dezelfde gedragingen van verdachte maar heeft betoogd dat dat geen roekeloosheid oplevert maar grove schuld.

Het hof overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van roekeloosheid komt het wederom aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt. Van roekeloosheid, als zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifiekere betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” in de betekenis van “onberaden”- wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid WVW 1994 zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Naar het oordeel van het hof is bij verdachte onder de vastgestelde feiten en omstandigheden sprake geweest vanzeer onvoorzichtig handelen en niet van roekeloosheid. Voor roekeloosheid gelden in de jurisprudentie zeer strenge eisen, zoals hiervoor al aangegeven. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat aan die eisen in deze niet ten volle is voldaan. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld, zodat het omschreven ongeval aan zijn schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Bewezenverklaring

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet en het feit (mede) is veroorzaakt doordat hij geen voorrang heeft verleend.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafoplegging

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend en geboden is. Door de verdediging is verzocht om bij een detentie rekening te houden met de angststoornis en claustrofobische klachten van verdachte. Het hof ziet in voorgaande geen aanleiding om af te wijken van oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte op te leggen straf kan met zijn beperkingen rekening worden gehouden. Hoewel het hof komt tot een andere gradatie van schuld dan de rechtbank, zal het hof gelet op alle overige, hiervoor geschetste omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en het strafrechtelijke verleden van verdachte, dezelfde straf opleggen als de rechtbank heeft gedaan, namelijk 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF