Art. 48 Douanewet en art. 225 Sr. Feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist aangifte ten invoer doen, waarbij de inklaring geschiedde op basis van valse facturen met een te lage waarde.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 maart 2013, LJN BZ4901

Hoge Beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist aangifte ten invoer doen (feit 1) en feitelijke leiding geven aan het voorhanden hebben van valse geschriften (feit 3) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren. Verdachte is vrijgesproken van feit 2.

Feiten

  1. Verdachte was in de ten laste gelegde periode (1 januari 2001 t/m 1 maart 2004) als directeur verbonden aan het expeditiebedrijf (onderneming 1) te Klundert;
  2. het expeditiebedrijf droeg in opdracht van onderneming 2 te Hongkong zorg voor o.a. alle douaneformaliteiten bij de invoer van kleding in Europa. Bij de inklaring werd gebruik gemaakt van facturen die onderneming 1 kennelijk ontving van onderneming 2;
  3. uit onderzoek van de Belastingdienst/Douane Zuid in maart 2004, is gebleken dat in een aantal gevallen op de facturen, kennelijk afkomstig van onderneming 2, die door onderneming 1 voor de inklaringen werden gebruikt een lager bedrag was vermeld dan op de facturen die de afnemers van onderneming 2 ontvingen;
  4. Onderneming 1 heeft voor de inklaring gebruik gemaakt van deze kennelijk onjuiste facturen;
  5. deze valse facturen werden kennelijk ontvangen van onderneming 2 en werden opgenomen in de administratie van onderneming 1.

Geldigheid van de dagvaarding 

Namens de verdachte is betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder 1 en onder 3 ten laste gelegde omdat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen die art. 261 Sv stelt. Daartoe is aangevoerd dat het OM in het eerste ten laste gelegde feit niet heeft ten laste gelegd van welke vennootschap de ten laste gelegde facturen afkomstig waren en in het derde ten laste gelegde feit niet vermeld aan welke vennootschap de facturen waren gericht.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van zowel het onder 1 als het onder 3 ten laste gelegde voldoet aan de in art. 261 Sv gestelde eisen. Mede bezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen. Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging zelf ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van heeft gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren.  Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Ontvankelijkheid van het OM 

Nu verdachte in de onderhavige zaak zowel ter zake van overtreding van art. 48, eerste lid, aanhef en onder a, juncto derde lid, van de Douanewet is vervolgd (feit 1) als ter zake van overtreding van art. 225, tweede lid, Sr (feit 3), ziet het hof aanleiding ambtshalve te onderzoeken of – gelet op de vervolgingsuitsluitingsgrond zoals deze ten tijde van het ten laste gelegde was vervat in art. 48, vierde lid, van de Douanewet – het OM ter zake van feit 3 ontvankelijk kan worden geacht in zijn vervolging.

Het hof stelt vast dat op grond van hetzelfde feitencomplex niet een strafvervolging kan worden ingesteld die is gebaseerd op zowel art. 48, derde lid, van de Douanewet als op art. 225 Sr, aangezien een strafvervolging op basis van de eerste wetsbepaling een strafvervolging op grond van de tweede wetsbepaling uitsluit.

Daartoe dient het hof derhalve te onderzoeken of de tenlastelegging van beide feiten op hetzelfde feitencomplex is gebaseerd.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten gebaseerd zijn op hetzelfde feitencomplex.

Het hof stelt voorts vast dat het “gebruik maken” dan wel “voorhanden hebben” van valse facturen in de zin van art. 225, tweede lid, Sr (feit 3), de facto overeenkomt met het “doen van onjuiste aangiften ten invoer, ertoe strekkende dat te weinig rechten bij invoer worden geheven”, als bedoeld en strafbaar gesteld in art. 48, eerste lid, aanhef en onder a, juncto derde lid, van de Douanewet en onder 1. is ten laste gelegd.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat ingevolge art. 48, vierde lid, van de Douanewet vervolging ter zake art. 225, tweede lid, Sr is uitgesloten.

Het hof zal daarom het OM alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 3.

Bewezenverklaring 

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: onderneming 1 op tijdstippen in de periode van 01 januari 2001 tot 01 maart 2004 te Klundert, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een onjuiste aangifte ten invoer heeft laten doen door een strafrechtelijk niet aansprakelijke derde, immers hebben die BV en haar medeverdachte telkens opzettelijk op de bij de douane ingediende en/of gedane aangifte ten invoer in strijd met de waarheid een lager factuurbedrag en/of lagere waarde dan het werkelijke factuurbedrag en/of de werkelijke waarde doen vermelden en/of doen aangeven door die strafrechtelijk niet aansprakelijke derde, zulks terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig rechten bij de invoer werden geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafoplegging

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 210 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF