Alcoholslotprogramma: ongeldigverklaring rijbewijs gedurende 5 jaar valt aan te merken als een criminal charge indien die ongeldigverklaring het gevolg is van zwaarwegende onmogelijkheid aan het programma deel te nemen

Rechtbank Den Haag 16 oktober 2013, parketnummer 96/044269-13 (niet gepubliceerd tussenvonnis)

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 22 februari 2013 te ’s-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in art. 8 lid 2 aanhef en onder a van de WvW 1994, 805 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De OvJ heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van 1.300 euro subsidiair 26 dagen hechtenis, waarvan 700 euro subsidiair 14 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt raadsman

Mr. P.T. Verweijen (Advocatenkantoor Bezuidenhout) heeft aangevoerd dat de OvJ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat aan verdachte reeds het alcoholslotprogramma is opgelegd. Naar de mening van de verdediging is dit een ‘punitive charge’ in de zin van art. 6 EVRM en zou er sprake zijn van een dubbele bestraffing. Daarom zou de vervolging door de OvJ strijd opleveren met het ne bis in idem beginsel zoals neergelegd in art. 68 Sr.

Standpunt OvJ

De OvJ heeft gesteld wel ontvankelijk te zijn, omdat naar vaste rechtspraak de oplegging van het alcoholslotprogramma niet wordt aangemerkt als een criminal charge, zodat er geen sprake is van dubbele bestraffing.

Beoordeling politierechter

De politierechter overweegt wat betreft de feitelijke achtergrond van het verzoek het volgende. Het alcoholslotprogramma is een programma met een duur van ten minste 2 jaar dat kan worden opgelegd aan bestuurders die in beginsel in aanmerking komen voor een ongeldigverklaring van het rijbewijs (voor alle categorieën waar het voor is afgegeven). De strekking van dit programma is dat de bestuurder een beperkt rijbewijs wordt aangeboden voor categorie B, welk rijbewijs hem de bevoegdheid verleent uitsluitend het voertuig categorie B te besturen waarin een specifiek voor zijn persoon bestemd alcoholslot is ingebouwd. Inbouw in een vrachtwagen of autobus is door de wetgever niet voorzien. Indien de bestuurder niet van dit aanbod gebruik kan maken of wil maken volgt een ongeldigverklaring van het rijbewijs voor tenminste 5 jaar. Voor de houder van het vrachtwagenrijbewijs brengt dit mee dat hij gedurende zijn deelname aan het alcoholslotprogramma wel kan tijden in een personenauto, maar niet in een vrachtwagen. De kosten voor het programma komen voor rekening van de deelnemende bestuurder en bedragen ca. 4.000-5.000 euro. Deze kosten betreffen de inbouw van het alcoholslot, de controles daarop, de controle van de bestuurder en het volgen van een motivatiecursus.

Indien de bestuurder niet beschikt over een voertuig categorie B waar hij het alcoholslot kan laten inbouwen, dan  is er geen mogelijkheid om aan het alcoholslotprogramma deel te nemen.

Die mogelijkheid is er ook niet indien de bestuurder in de onmogelijkheid verkeert de kosten van het programma voor zijn rekening te nemen. Voor deze bestuurders volgt derhalve automatische ongeldigverklaring van het rijbewijs voor tenminste 5 jaar.

Ervaring met het alcoholslotprogramma heeft inmiddels geleerd dat meer dan de helft van de bestuurders geen gebruik van het aanbod tot deelname kan of wil maken.

De regelgeving betreffende het alcoholslotprogramma wordt uitgevoerd door het CBR. Toetsing vindt plaats door de bestuursrechter en in hoogste instantie de Raad van State. Tot voor kort heeft de bestuursrechter als vast uitgangspunt genomen dat de oplegging van het alcoholslotprogramma niet als een criminal charge is aan te merken. De strafrechter heeft dit gevolgd, wat meebrengt dat een beroep op ne bis in idem niet slaagt.

De raadsman heeft, in zijn uitvoerige toelichting op de gestelde niet-ontvankelijkheid wegens ne bis in idem, gewezen op een tweetal uitspraken van de bestuursrechter waarin is geoordeeld dat onder specifieke omstandigheden van die zaken er wel sprake was van een criminal charge. Die twee zaken betroffen de situatie waarin een beroepsvrachtwagenchauffeur als gevolg van deelname aan het alcoholslotprogramma gedurende tenminste twee jaar weliswaar in een personenauto zou mogen rijden, maar niet zijn beroep als vrachtwagenchauffeur zou kunnen uitoefenen omdat het rijbewijs voor de desbetreffende categorieën gedurende tenminste twee jaar ongeldig zou zijn. De raadsman leidt hieruit af dat de rechtspraak om is, in die zin dat in de situatie van een beroepsvrachtwagenchauffeur waar het alcoholslotprogramma leidt tot de onmogelijkheid het beroep uit te oefenen gedurende twee jaar, sprake is van een gevolg dat zo ingrijpend is dat gesproken dient te worden van een criminal charge. In het verlengde daarvan betoogt de raadsman dat in die situatie dat er sprake is van feitelijke onmogelijkheid aan het programma deel te nemen, waar een tenminste vijf jaar durende ongeldigheid van het rijbewijs op volgt, evenzeer, zo al niet nog meer, sprake is van een criminal charge.

Aansluitend heeft hij gesteld dat verdachte, houdster van een rijbewijs categorie B, is aangeboden aan het alcoholslotprogramma deel te nemen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in de onmogelijkheid verkeert om aan het alcoholslotprogramma deel te nemen, omdat zij niet over de noodzakelijke financiën beschikt.

Naar het oordeel van de politierechter is een ongeldigverklaring van het rijbewijs gedurende 5 jaar als een criminal charge aan te merken indien die ongeldigverklaring het gevolg is van een zwaar wegende onmogelijkheid aan het alcoholslotprogramma deel te nemen.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting

Na sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De politierechter acht zich omtrent het door het CBR gedane aanbod en de modaliteiten daarvan onvoldoende ingelicht en acht het noodzakelijk dat de raadsman alsnog gedocumenteerde inlichtingen verschaft. Voorts dient een afdoende onderbouwing te worden gegeven aan de gestelde financiële onmogelijkheid aan het programma deel te nemen. Ten slotte wil de politierechter geïnformeerd worden omtrent de feitelijke keuze die verdachte heeft gemaakt met betrekking tot de voorgestelde deelname.

Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF