Afwijzing vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de gewoonteheling en de door de benadeelde partijen geleden schade

Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1012

In het onderhavige strafproces hebben zich benadeelde partijen in eerste aanleg gevoegd benadeelde 1, benadeelde 2 & benadeelde 3, benadeelde 4, benadeelde 5 en benadeelde 6, en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de Verdachte ten laste gelegde feiten. In hoger beroep zijn deze vorderingen wederom aan de orde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen worden van de zijde van de Verdachte betwist. Daartoe is door de verdediging, kort gezegd, aangevoerd dat voor toewijzing is vereist dat sprake is van een causaal verband tussen de geleden schade en de door de Verdachte gepleegde gewoonteheling. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een veroordeling ter zake van gewoonteheling er sprake is van een te ver verwijderd verband tussen het bewezenverklaarde strafbare feit en de door de benadeelde partijen – slachtoffers van diefstal – geleden schade. Voorts wordt de omvang van de geleden schade betwist.

Het hof overweegt als volgt. Ook in hoger beroep staat vast dat de Verdachte onrechtmatig heeft gehandeld, welk onrechtmatig handelen hem kan worden toegerekend. Immers, bewezen is verklaard dat de Verdachte zich meermalen strafbaar heeft gemaakt aan gewoonteheling, als bedoeld in artikel 417 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De Verdachte is derhalve in beginsel verplicht de door de benadeelde partijen geleden schade te vergoeden, maar alleen indien de gepleegde gewoonteheling kan worden aangemerkt als conditio sine qua non van de door de benadeelde partijen geleden schade (artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door de benadeelde partijen en in het bijzonder door het openbaar ministerie, dat kennis heeft van het volledige dossier, zijn – in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de Verdachte – echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die maken dat van een dergelijk conditio sine qua non verband sprake is. De enkele stelling dat de voorwerpen zijn gestolen door middel van een inbraak en vervolgens door de Verdachte zijn geheeld volstaat daarvoor niet. Daartoe het volgende. De vorderingen van benadeelde 1, benadeelde 2 & benadeelde 3 en Boterhoek zien op schade die is geleden als gevolg van inbraken, gepleegd respectievelijk op 16 november 2016, 9 februari 2017 en 1 oktober 2016. Hetzelfde geldt voor de door benadeelde 5 geleden schade als gevolg van een inbraak, gepleegd op 28 februari 2016. Ten aanzien van de door benadeelde 6 geleden schade geldt dat de schade is geleden als gevolg van een inbraak, gepleegd op 15 september 2016. Aldus staat vast dat de inbraken zijn gepleegd binnen de bewezen verklaarde periode van feit 1 (24 januari 2014 tot en met 13 maart 2017) en feit 3 (13 januari 2016 tot en met 16 maart 2017). Deze enkele vaststellingen kunnen echter, zoals gezegd, niet tot de conclusie leiden dat de schade het gevolg is van de gewoonteheling. Gesteld noch gebleken is dat het dossier anderszins voldoende aanknopingspunten biedt om hier anders over te oordelen. Daartoe rekent het hof in ieder geval niet de vaststelling dat één van de gestolen voorwerp ruim 6 maanden later (op 17 maart 2017) is aangetroffen in de boxruimte van Shurgard Self Storage (in plaats) en dat één van de gestolen voorwerpen (afkomstig van een inbraak gepleegd op 15 september 2016) op een bij een Medeverdachte op 29 november 2016 gevonden lijst (‘voorraad nieuwe lijst 2016’) was vermeld, op welke lijst de Verdachte is vermeld als koper.

De slotsom is dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF