Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken onderliggende stukken & vergaande overschrijding van de redelijke termijn

Rechtbank Noord-Holland 18 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:13048

Bij vonnis van 10 april 2007 is veroordeelde veroordeeld wegens heling van een aggregaat en een aanhanger.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en het te ontnemen bedrag naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 2.437,-. De officier van justitie heeft hierbij opgemerkt dat de vordering in eerste instantie was gebaseerd op de feiten die in eerste aanleg aan veroordeelde waren tenlastegelegd. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep is echter door de advocaat-generaal op 4 januari 2011 ingetrokken, waardoor de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij brief van 9 december 2011 heeft de officier van justitie aan de toenmalige raadsvrouw van veroordeelde medegedeeld dat de vordering zal worden beperkt tot € 2.437,-, te weten het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van het feit waarvoor veroordeelde bij vonnis van de rechtbank van 10 april 2007 door de rechtbank is veroordeeld.

Standpunt veroordeelde en zijn raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, wegens vergaande overschrijding van de redelijke termijn in samenhang bezien met de specifieke omstandigheden van het geval. De raadsman heeft in dit verband gewezen op het feit dat de zaak na de conclusiewisseling in 2007 gereed was voor inhoudelijke behandeling en dat uitsluitend appel is ingesteld door het Openbaar Ministerie, welk appel uiteindelijk op 4 januari 2011 is ingetrokken, waarna het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 18 januari 2011 de officier van justitie niet ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat er beslag is gelegd op de woning van de veroordeelde in verband met een eventuele belastingschuld. Dit beslag is gelegd in verband met een naheffing als gevolg van de inkomsten en omzet welke betrokkene in 2005 zou hebben genoten door de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de gezondheidsklachten van veroordeelde.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen voordeel heeft genoten, gelet op zijn eigen verklaring zoals afgelegd in de strafzaak. De verklaring van veroordeelde wordt ondersteund door de zich in het strafdossier bevindende verklaring van getuige.

Bespreking van het niet ontvankelijkheidsverweer

Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de ontvankelijkheid

De omstandigheid dat er sinds het indienen van de vordering geruime tijd is verstreken heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De ontneming is op 27 februari 2007 schriftelijk gevorderd en aanhangig gemaakt. Vervolgens is door het Openbaar Ministerie verzocht om aanhouding voor onbepaalde tijd in verband met het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank. Dit hoger beroep was met name gericht tegen de vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie. Begin 2011 is door de advocaat generaal de beslissing genomen het hoger beroep in te trekken. In december 2011 is de verdediging op de hoogte gesteld van de vermindering van de vordering en is het verzoek gedaan om de behandeling van de vordering op zitting te plannen. Deze gang van zaken heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het belang van de redelijke termijn in een strafzaak is dat een verdachte niet te lang in onzekerheid mag zitten.

Voor een ontnemingszaak ligt dat anders, nu tijdsverloop hier minder zwaar weegt. Het door de Belastingdienst gelegde beslag op de woning van veroordeelde betreft een zelfstandige bevoegdheid en kan derhalve geen rol spelen bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, nu dit niet aan haar kan worden toegerekend. De officier van justitie stelt zich concluderend op het standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid

Feiten en omstandigheden

Bij vonnis van 10 april 2007 van de rechtbank Haarlem is betrokkene veroordeeld ter zake heling. De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep uiteindelijk op 4 januari 2011 door de advocaat- generaal is ingetrokken. Het Gerechtshof Amsterdam heeft vervolgens bij arrest van 18 januari 2011 de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

Bij brief van 9 december 2011 heeft de officier van justitie de verdediging op de hoogte gesteld van de vermindering van de vordering tot het bedrag van € 2.437,-, te weten het wederrechtelijk voordeel behaald uit de baten van het feit waarvoor veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld.

Redelijke termijn

Ook in ontnemingszaken kan op het in artikel 6, lid 1 van het EVRM gewaarborgde recht van de betrokkene op een beslissing in zijn strafzaak binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen van het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt .

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aan te merken het moment, bedoeld in artikel 311, lid 1 Sv, waarop de officier van justitie in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten 26 februari 2007.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

De rechtbank doet uitspraak op 18 december 2013, dat wil zeggen 90 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn is daarmee met 66 maanden overschreden. Deze overschrijding valt niet aan veroordeelde toe te rekenen.

De rechtbank overweegt dat gelet op bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, onderscheidenlijk de ontnemingsvordering. Ook niet in uitzonderlijke gevallen (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Wel dient een overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd te worden in een eventueel toe te wijzen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In dat licht kan de onderhavige gang van zaken waarbij de redelijke termijn is overschreden en die bovendien uitzonderlijk is te noemen, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering niet raken.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

De ontnemingsrapportage

Op 27 februari 2007 hebben verbalisanten, werkzaam als respectievelijk financieel specialist en senior rechercheur bij de Afdeling Recherche Ondersteuning, Divisie Regionale Recherche van de politie Kennemerland, een proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit proces-verbaal zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.

Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde.

De beoordeling

Het ontnemingsdossier, zoals dat door de officier van justitie is aangemaakt en aan de rechtbank is verstrekt, bevat niet (een ondertekende versie van) het vonnis in eerste aanleg. Bij de behandeling van de vordering heeft de officier van justitie desgevraagd aangegeven dat zij in het bezit is van een ondertekende versie van het vonnis, maar heeft zij verzuimd een kopie hiervan aan de rechtbank te overleggen. Evenmin bevindt zich bij de stukken een (kopie) van het strafdossier van veroordeelde, dus ook geen kopie van het ten laste van veroordeelde bewezenverklaarde zaaksdossier 60. De intrekking van het hoger beroep door de advocaat-generaal, alsmede het hierop volgende arrest van het Gerechtshof Amsterdam zijn niet aan het dossier toegevoegd, terwijl de rechtbank, tot aanvang van de behandeling ter zitting daarover in onwetendheid verkerend, ook niet op voorhand de beschikking had over de brief van de officier van justitie aan de toenmalige raadsvrouw van veroordeelde waarin zij aangaf het ontnemingsbedrag naar beneden te zullen bijstellen tot het behaalde voordeel met het in eerste aanleg – en thans onherroepelijke – bewezenverklaarde feit.

Zoals hiervoor al kort is genoemd, heeft de raadsman een inhoudelijk verweer gevoerd waarbij hij stelt dat veroordeelde het desbetreffende aggregaat wel heeft vervoerd voor ene ‘betrokkene', maar dat hij voor dit vervoer niets heeft ontvangen, en dus op grond van dit feit geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De verklaring van veroordeelde komt op dit punt integraal overeen met de verklaring van getuige. Bovendien is in de betreffende container van deze ‘betrokkene’ het gestripte chassis van de aanhangwagen waar het aggregaat op heeft gestaan aangetroffen. Ook dit strookt met de verklaring die verdachte heeft afgelegd, aldus de raadsman.

Nu de onderliggende stukken van de strafzaak ontbreken, kan de rechtbank mede gelet op de inhoud van het verweer dat op dit punt door de verdediging is gevoerd, niet bepalen of veroordeelde op grond van het bewezenverklaarde feit uit zaaksdossier 60 daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

In dit stadium ziet de rechtbank, gelet op de inmiddels zeer forse overschrijding van de redelijke termijn waarvoor geen goede grond bestaat, in combinatie met de relatief geringe hoogte van het gevorderde bedrag en de ingrijpende gevolgen die de onderhavige procedure voor veroordeelde met zich heeft gebracht, zoals de beslaglegging op zijn huis, geen aanleiding om de officier nog in de gelegenheid te stellen om de ontbrekende stukken alsnog aan het dossier toe te voegen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst af de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF