Afwijzing aanhoudingsverzoek i.v.m. ziekte

Hoge Raad 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3205

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2016 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Het houdt voorts het volgende in:

"Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld voert de raadsvrouw het woord als volgt:

Bij faxbericht van 29 maart 2016 heb ik verzocht dat de behandeling van de zaak heden ter terechtzitting zal worden aangehouden, nu de psychiater van de verdachte van mening is dat het bijwonen van de terechtzitting door de verdachte een negatieve invloed zou kunnen hebben op de gezondheid van de verdachte. De verdachte zou graag bij de behandeling van zijn zaak aanwezig willen zijn, maar hij is daar thans niet toe in staat. Hij slikt zware medicatie en hij is in afwachting van een klinische opname. Daarnaast zijn de ouders van de verdachte overleden en is zijn partner in het ziekenhuis opgenomen.

Op de vraag van de voorzitter naar het vooruitzicht van de verdachte antwoordt de raadsvrouw:

De verdachte is arbeidsongeschikt verklaard.

Momenteel wordt medicatie opgebouwd in het kader van ADHD. Het verschilt per persoon hoelang dat duurt.

Hij staat op een wachtlijst.

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld voert de advocaat-generaal het woord als volgt:

Ik stel mij op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Het verzoek is onvoldoende gemotiveerd. Mijns inziens staat nergens vermeld dat de verdachte niet in staat zou zijn om heden terechtzitting te verschijnen.

Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsvrouw mede dat zij niet uitdrukkelijk door de verdachte is gemachtigd om de verdediging te voeren, nu de verdachte zelf het woord wil voeren.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen nu onvoldoende is gebleken dat verdachte niet in staat zou zijn de zitting bij te wonen en dat de zaak heden ter terechtzitting zal worden behandeld."

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens dat proces-verbaal is vervolgens verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft het Hof aanstonds uitspraak gedaan en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Ingeval een verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.

Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466.)

Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsvrouwe van de verdachte aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, te weten dat de psychiater van de verdachte van mening is dat het bijwonen van de terechtzitting door de verdachte een negatieve invloed zou kunnen hebben op de gezondheid van de verdachte, de verdachte zware medicatie slikt en in afwachting is van klinische opname, kan de door het Hof genoemde grond de afwijzing niet dragen.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF