Afgewezen wrakingsverzoek, afwijzing horen getuigen

Rechtbank Rotterdam 7 augustus 2012, LJN BX3790

Het verzoek heeft betrekking op de wijze waarop de rechters de verzoeken van de verdediging tot het horen van met name de melder en diens "souffleur" op de zitting van 29 juni 2012 hebben afgewezen, namelijk stellende dat op basis van hetgeen de melder tot op heden heeft gezegd niet te verwachten was dat deze nog iets kon aangeven in het belang van de verdediging of woorden van gelijke strekking. Dat is volgens verzoekster hoe dan ook een stelling, die vooruitloopt op een verklaring over hetgeen deze getuigen hebben kunnen zien of hebben gezien. Dit terwijl de hiervoor genoemde getuigen niet alleen van belang zijn in verband met de grondslag van de verdenking, maar vooral ten aanzien van de waarheidsvinding. Immers, deze getuigen worden verondersteld directe getuigen geweest te zijn van het door de verdediging bestreden 'sjouwen' van tassen door verzoekster. 

Naar het oordeel van de wrakingskamer vormt de enkele omstandigheid dat de rechters het verzoek om het horen van de twee getuigen met de gegeven motivering hebben afgewezen, ook al zou deze beslissing niet juist zijn, geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de door verzoekster daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF