Advies AG aan Hoge Raad: veroordeling wegens publicatie omstreden boek rond moord Marianne Vaatstra dient in stand te blijven

Parket bij de Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:341

De veroordeling voor smaad door publicatie van een omstreden boek rond de moord op Marianne Vaatstra dient in stand te blijven. Dat adviseert AG Spronken.

Het gaat in deze zaak om de vervolging en veroordeling van een verdachte wegens smaadschrift naar aanleiding van een boek dat hij samen met zijn medeverdachte heeft geschreven en in 2014 heeft gepubliceerd. Met dat boek, getiteld ‘Het verboden dagboek van Maaike Vaatstra’ heeft de verdachte naar eigen zeggen de misstanden en de werkelijke toedracht rondom de moord van Marianne Vaatstra aan het licht willen brengen. Volgens het boek is Marianne Vaatstra niet verkracht en vermoord door Jasper S., die daarvoor onherroepelijk is veroordeeld, maar door asielzoekers in een caravan die toebehoorde aan de aangever op het terrein van het Asielzoekerscentrum te Kollum en waarin de moord zou zijn gepleegd. Volgens de verdachte zit de verkeerde persoon vast voor de moord op Marianne Vaatstra en heeft het Openbaar Ministerie dat in de doofpot gestopt.

Naast het feit dat de aangever met voor- en achternaam in het boek in verband wordt gebracht met de moord, wordt hij ook neergezet als een leugenachtige handelaar van gestolen goed, waaronder wapens, en als een producent van pornofilms.

In de strafzaak heeft de verdachte betoogd dat hem een beroep op een wettelijke rechtvaardigingsgrond toekomt. Dat wil zeggen dat hij te goeder trouw de overtuiging mocht zijn toegedaan dat de beschuldigingen die in het boek zijn geuit waar zijn en dat het in het algemeen belang was deze misstanden bekend te maken. Om dat standpunt kracht bij te kunnen zetten heeft de verdachte verzocht in de strafzaak tegen hem een aantal getuigen te doen horen: met die getuigen wilde hij zijn gelijk aantonen. Zo zouden volgens de verdachte de getuigen kunnen verklaren dat de omstandigheden rondom de moord  heel anders in elkaar steken dan door justitie wordt aangenomen. Dat getuigenverzoek is door het hof afgewezen. Ook het beroep op de rechtvaardigingsgrond is door het hof verworpen omdat de verdachte volgens het hof volstrekt lichtzinnig is afgegaan op de mededelingen van zijn medeverdachte en er niet zo maar van had mogen uitgaan dat wat hij schreef waar was. Ook het algemeen belang wordt volgens het hof niet gediend met zijn beschuldigingen. De verdachte is door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.

In cassatie wordt vooral geklaagd over de afwijzing van het getuigenverzoek door het hof. Naar het oordeel van de advocaat-generaal zijn die klachten ongegrond. Het hof heeft namelijk, zoals de verdachte ook heeft toegegeven, vastgesteld dat de verdachte zelf niet met de verzochte getuigen heeft gesproken. Daarom kon het hof oordelen dat het horen van de getuigen niet nodig was omdat de getuigen niets relevant kunnen verklaren over de vraag of de verdachte te goeder trouw was en ervan mocht uitgaan dat wat hij schreef juist was. Bij een beroep op de rechtvaardigingsgrond gaat het er niet om of er alsnog zou kunnen worden bewezen dat wat de verdachte openbaar heeft gemaakt waar is, maar of hij daarvan uit mocht gaan op het moment dat hij de beschuldiging uitte.

Ook de andere klachten die in cassatie zijn aangevoerd dienen volgens de advocaat-generaal te worden verworpen. Daarom wordt de Hoge Raad geadviseerd de veroordeling in stand te laten.

De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 2 juni 2020.

Lees hier de volledige conclusie.

,
Print Friendly and PDF ^