Accountantskamer inzake SNS Property Finance: Accountant accepteert facturen met onjuiste omschrijving werkzaamheden en stelt ook zelf onjuiste facturen

Accountantskamer 16 oktober 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:114 Betrokkene is werkzaam als accountant in business en heeft via zijn vennootschap een overeenkomst van opdracht gesloten met SNSPF. Met SNSPF is betrokkene in contact gebracht door een derde, via een medewerker van SNSPF die aldaar op interim basis werkzaam was. Op verzoek van de derde werd de betaling van de met hem afgesproken fee door betrokkene niet rechtsreeks aan hem gedaan maar aan een vennootschap van de interim-medewerker bij SNSPF. Betrokkene stuurde deze medewerker kopieën van de door hem bij SNSPF ingediende facturen ter zake van de door hem gewerkte uren. Deze medewerker berekende de omvang van de fee en stuurde facturen met als omschrijving ‘adviesdiensten’ op naam van zijn vennootschap aan betrokkene, die vervolgens de gefactureerde bedragen betaalde. Daarna stuurde de derde op naam van een in Tsjechië gevestigde vennootschap facturen aan de betreffende vennootschap van de medewerker bij SNSPF met als omschrijving ‘consultancy services’ die hierna door deze vennootschap op haar beurt aan de derde werden betaald.

Gezien dit feitencomplex had betrokkene aanleiding moeten zien zich af te vragen om welke reden de facturen werden gepresenteerd zoals ze werden gepresenteerd en als waarborg in ieder geval uitleg moeten vragen aan die derde om daarna voor zichzelf te kunnen beoordelen of die facturen juist waren ingericht en niet misleidend waren en aldus ertegen te waken niet in overeenstemming met de fundamentele beginselen van integriteit, deskundigheid en zorgvuldigheid, en professioneel gedrag te handelen. Betrokkene heeft dit nagelaten en bijgevolg geen toepassing gegeven aan het conceptueel raamwerk van de VGC. Betrokkene kreeg op enig moment voor door hem zelf aangebrachte medewerkers bij SNSPF een tegenvordering op die derde; daarvoor factureerde hij niet rechtstreeks aan die derde, maar aan de bevriende onderneming van de medewerker bij SNSPF.

De Accountantskamer is te dier zake van oordeel dat een factuur die door een accountant op naam wordt gesteld van een partij die de dienst niet heeft verleend en die (zelf) niet gehouden is tot betaling van de factuur, niet nauwgezet is en het opmaken daarvan strijd oplevert (in ieder geval) met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. Berisping.

Feiten

Betrokkene is werkzaam als accountant in business en directeur / aandeelhouder van A Beheer B.V. A, daarbij vertegenwoordigd door betrokkene, heeft op 11 september 2009 een overeenkomst van opdracht gesloten met SNS Property Finance B.V. (SNSPF). Met deze vennootschap is betrokkene, gelijktijdig met zijn zakenrelatie, mr. B (hierna: B), in contact gebracht door een voormalig werkgever, C, via D die op  interim basis bij  SNSPF werkzaam was.

In vorenbedoelde overeenkomst van opdracht staat onder meer:

Artikel 1. Opdracht en aanvaarding

  1. SNSPF verleent aan opdrachtnemer de opdracht om de in de onderhavige overeenkomst (“de Overeenkomst”) omschreven werkzaamheden (“de Diensten”) te (doen) verrichten ten behoeve van SNSPF. Opdrachtnemer wenst deze opdracht te aanvaarden. Opdrachtnemer zal ten behoeve van SNSPF de Diensten verrichten dan wel doen verrichten, een en ander zoals vastgelegd in de Overeenkomst.
  2. (…)
  3. De Opdracht zal namens de Opdrachtnemer worden vervuld door de heer drs. Y RA. (…).
  4. (…)

Artikel 2. Honorarium en facturering

  1. De door SNSPF aan Opdrachtnemer voor de Diensten verschuldigde vergoeding (…) bedraagt € 225,-- per uur excl. BTW. (…).
  2. De vergoeding en onkosten zullen bij betaling achteraf worden voldaan. Opdrachtnemer zal het honorarium per project administreren en tenminste éénmaal per maand periodiek aan SNSPF factureren, voorzien van een deugdelijke specificatie van tijd en verrichte werkzaamheden. (…).

Artikel 3. Beschrijving diensten en contactpersonen

  1. Opdrachtnemer zal ten behoeve van SNSPF de volgende werkzaamheden verrichten: het management van de nationale en internationale equity posities van SNSPF en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
  2. (…)
  3. Opdrachtnemer rapporteert aan de heer E (Chief Restructuring Officer)

Artikel 4. Duur, aanvang en beëindiging

  1. De overeenkomst vangt aan op 20 september 2010 en geldt voor de duur van achttien (18) maanden. Na afloop van deze periode kan de Overeenkomst in onderling overleg tussen Partijen (stilzwijgend) van maand tot maand worden verlengd.

De overeenkomst is twee maal verlengd.

B  had zich bij SNSPF laten introduceren door C nadat hij eerst door een professioneel wervingsbureau was benaderd. Reden hiervoor was om C, en niet het wervingsbureau, een bemiddelingsvergoeding verschuldigd te zijn. Betrokkene heeft op enig moment eveneens met C afgesproken dat hij hem een bemiddelingsvergoeding (van € 75,-) (fee) per bij SNSPF gedeclareerd uur zou afdragen.

Op verzoek van C werd de betaling van de fee door betrokkene  gedaan via een vennootschap van D. Betrokkene stuurde hem (kopieën van) de bij SNSPF ingediende facturen ter zake van de door hem gewerkte uren.

D berekende de omvang van de fee en stuurde facturen met als omschrijving ‘adviesdiensten’ op naam van zijn vennootschap(pen) aan A. A betaalde de facturen. Daarna stuurde C op naam van een in Tsjechië gevestigde vennootschap facturen aan de betreffende vennootschap van D met als omschrijving ‘consultancy services’ die hierna door deze vennootschap(pen) werden betaald.

Betrokkene heeft bij SNSPF, in de periode dat hij daar werkzaamheden verrichtte, met tussenkomst van C twee nieuwe adviseurs aangebracht. Op voorstel van C heeft hij er mee ingestemd om de daarvoor door hem te ontvangen bemiddelingsvergoeding (ten bedrage van de helft van € 15,- per door de adviseurs bij SNSPF gedeclareerd uur) (hierna: bemiddelingsvergoeding) niet als korting op de te betalen fee te ontvangen maar daarmee te verrekenen. Daartoe stuurde hij facturen op basis van de door de adviseurs bij SNSPF gedeclareerde uren met als omschrijving ‘adviesdiensten tbv F’ aan de vennootschap van D. D verrekende deze facturen vervolgens met de onder 2.5 bedoelde facturen die hij aan A stuurde.

SNS Reaal N.V. (hierna: SNS Reaal) is een intern onderzoek gestart naar (mogelijk) ernstige onregelmatigheden door (ex) medewerkers van SNSPF, onder meer over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder externe medewerkers een overeenkomst met SNSPF hebben gesloten. Bij brief van 4 maart 2013 heeft SNSPF betrokkene onder meer het volgende geschreven:

“Zoals bij u bekend is, wordt er binnen SNS Property Finance B.V. (SNSPF) een onderzoek verricht naar (mogelijk) ernstige onregelmatigheden door (ex) medewerkers, waaronder mede wordt verstaan een onderzoek naar (mogelijke) belangenverstrengeling. In dit verband heeft u recent een verklaring afgelegd.

Wij deelden u hedenochtend (telefonisch) mede dat in het belang van het onderzoek is besloten dat u en uw vennootschap(pen) met ingang van heden tijdelijk geen uitvoering dient/dienen te geven aan de u genoegzaam bekende Opdracht en/of de tussen partijen gesloten Overeenkomst(en) terzake het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van SNSPF.(…)”.

In dat kader is betrokkene op 12 maart 2013 (over de facturen) verhoord door de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst.

Betrokkene is door SNS Reaal bij brief van 2 april 2013 medegedeeld dat hij geregistreerd stond in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister van SNS Reaal. In een juridische procedure heeft betrokkene verzocht zijn registratie en alle op hem betrekking hebbende persoonsgegevens uit deze registers te verwijderen en verwijderd te houden. Het verzoek is door de rechtbank Noord-Nederland bij uitspraak van 23 januari 2014 afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) bij uitspraak van 7 november 2011 de registratie beperkt tot drie jaren.  

De klacht

Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

Ten grondslag aan de door klaagster ingediende klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagster gegeven toelichting, het verwijt dat betrokkene in de periode tussen september 2010 en maart 2013 facturen waarvan hij wist dat de omschrijving van de werkzaamheden niet correct was, heeft geaccepteerd, en het verwijt dat hij dergelijke facturen ook zelf heeft gemaakt.

Daarbij zij aangetekend dat klaagster haar klacht ter zitting aldus heeft verduidelijkt, dat zij betrokkene niet verwijt dat hij opzettelijk valselijk opgestelde facturen heeft geaccepteerd en opgesteld, maar dat betrokkene door het accepteren en opstellen van de facturen zoals betrokkene heeft gedaan, het ingevolge de VGC geldende conceptueel raamwerk onvoldoende in acht genomen heeft en daardoor heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en professioneel gedrag, als bedoeld in de Verordening gedragscode (RA’s)  (VGC).

De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende.

Op grond van artikel 33 Wet op de Registeraccountants (oud Wet RA),en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (Wab) is de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, nu dit plaats had na 1 januari 2007, worden getoetst aan de sinds deze datum (tot 4 januari 2014) vigerende VGC en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en (het voor “accountants in business” geldende) deel C.

Daarnaast stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Ter toelichting op de klacht heeft klaagster aangevoerd dat betrokkene met C was overeengekomen een fee te betalen omdat deze voor hem had bemiddeld bij het tot stand komen van een overeenkomst met SNSPF, maar de betaling daarvan heeft gedaan op basis van een factuur voor “adviesdiensten” die hij (op naam) van D ontving waarvan de omschrijving van werkzaamheden en tenaamstelling niet met de werkelijkheid correspondeerden, en dat betrokkene voor de met C afgesproken bemiddelingsvergoeding voor het aandragen van twee adviseurs facturen heeft opgesteld gericht aan D voor “adviesdiensten tbv F”, wat eveneens niet in overeenstemming was met de realiteit. Klaagster ziet zich in haar opvatting over de tekortkomingen van betrokkene gesterkt in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2014 die het verzoek van betrokkene om (onder meer) zijn registratie uit het Incidentenregister van SNS Reaal te verwijderen heeft afgewezen en in de uitspraak van het hof van 7 november 2014 waarin het hof heeft vastgesteld dat op betrokkene een zware verdenking rust dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken en voorhanden hebben van een vals geschrift en het valselijk opmaken van een geschrift, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te (doen) gebruiken, een en ander strafbaar gesteld in artikel 225, tweede lid respectievelijk artikel 225, eerste lid Sr.

Betrokkene heeft in de kern aangevoerd dat klaagster de feiten selectief ofwel onvolledig heeft weergegeven en dat in de fase waarin over de (constructie van de) over en weer te betalen fee en bemiddelingsvergoeding afspraken zijn gemaakt, niets onreglementairs is geschied. De omschrijving van de werkzaamheden op de facturen is volgens betrokkene algemeen en dus multi-interpretabel maar daarmee niet onjuist, direct foutief of taalkundig fout en ook suggereert klaagster ten onrechte dat de facturen opzettelijk valselijk zijn opgesteld met het oogmerk te misleiden. Daarnaast heeft betrokkene facturen betaald waarvan hij de rechtmatigheid eenvoudig heeft kunnen herleiden uit de gemaakte afspraken, betreffen zijn eigen facturen een wijze van creditering waarbij eenzelfde terminologie past, en kan op grond van een en ander volgens hem niet geoordeeld worden dat hij niet integer of niet professioneel heeft gehandeld. Betrokkene stelt zich niet ingelaten te hebben met niet integere zaken en geen strafbare feiten te hebben gepleegd.

De Accountantskamer overweegt te dier zake dat de fundamentele beginselen van integriteit, van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag, een en ander als bedoeld in artikel A-100.4 VGC, meebrengen dat de accountant bij zijn dienstverlening en ook overigens bij zijn zakelijk optreden zodanige maatregelen neemt dat misverstanden worden voorkomen over de doelstelling en reikwijdte van een aan hem verstrekte opdracht, de omvang van zijn verantwoordelijkheid en anderszins over zijn optreden in het concrete geval.

Betrokkene heeft niet betwist datde tenaamstelling en de omschrijving van de werkzaamheden op de facturen die hij van D ontving voor het betalen van de fee aan C, zowel wat betreft de tenaamstelling als de omschrijving van de werkzaamheden, niet (volledig) met de werkelijkheid correspondeerden. Te dier zake heeft hij naar voren gebracht altijd geweten te hebben waar de facturen op zien en steeds de toets te hebben uitgevoerd of het aantal uren voor de fee en de bemiddelingsvergoeding correspondeerden met het aantal (door hem en de twee adviseurs) bij SNSPF in rekening gebrachte uren, welke toets voor hem volstond.

Voorgaande leidt de Accountantskamer evenwel tot het oordeel dat betrokkene in de combinatie van de feiten, inhoud en dedat betrokkene facturen ontving van een voor SNSPF werkzame persoon, met een onjuiste tenaamstelling, met een niet met de realiteit overeenkomende omschrijving van de werkzaamheden en, naar ter zitting is gebleken, zonder specificatie van degene voor wie de betaling daadwerkelijk bestemd was, aanleiding had moeten zien zich af te vragen om welke reden de facturen werden gepresenteerd zoals ze werden gepresenteerd en als waarborg in ieder geval uitleg moeten vragen aan C om daarna voor zichzelf te kunnen beoordelen of die facturen juist waren ingericht en niet misleidend waren en aldus ertegen te waken niet in overeenstemming met de fundamentele beginselen van integriteit, deskundigheid en zorgvuldigheid, en professioneel gedrag (zoals uitgewerkt in hoofdstuk A-110, A-130.4 en A-150) te handelen.

Betrokkene heeft dat niet gedaan en in weerwil daarvan ter zitting naar voren gebracht (in het feitencomplex) geen bedreigingen te hebben gezien voor de naleving van de fundamentele beginselen. Hij heeft bijgevolg geen toepassing gegeven aan het conceptueel raamwerk als bedoeld in artikel A-100.2 juncto A-100.5 VGC wat wel op zijn weg had gelegen. Nu hij dat niet heeft gedaan levert dat eveneens een overtreding op van de (van toepassing geachte) fundamentele beginselen van integriteit, deskundigheid en zorgvuldigheid, en professionaliteit.

Aangaande de door betrokkene zelf opgemaakte facturen voor de betaling aan hem van de bemiddelingsvergoeding voor twee door hem aangebrachte adviseurs heeft betrokkene aangevoerd dat de omschrijving van de facturen wel degelijk correct is omdat deze facturen een rechtmatige titel hebben en voor alle betrokken partijen helder en volledig te herleiden zijn waarbij de factuur voldoet aan alle verdere factuurvereisten in de zin van de Wet op de omzetbelasting. Voor zover ‘fee inzake F’ juister zou zijn geweest dan ‘advieswerkzaamheden inzake F’ is dit volgens betrokkene aan te duiden als een licht gebrek. Omdat een en ander te zien is als creditering, is het volgens betrokkene niet vreemd dat hij aansloot bij de door D gebruikte terminologie.

De Accountantskamer is te dier zake van oordeel dat een factuur die door een accountant op naam wordt gesteld van een partij die de dienst niet heeft verleend en die (zelf) niet gehouden is tot betaling van de factuur, niet nauwgezet is en het opmaken daarvan strijd oplevert (in ieder geval) met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene met het aldus inrichten van deze facturen misleiding op het oog had, zodat betrokkene terzake deze facturen niet tevens in strijd met het beginsel van integriteit heeft gehandeld.

Gelet op vorenstaande is de klacht geheel gegrond.

Op grond van artikel 2 Wtra kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. In dat kader houdt de Accountantskamer rekening met de aard en de ernst van de verzuimen van de betrokkene en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan, waarbij in het bijzonder weegt dat betrokkene op geen enkele wijze blijk heeft gegeven het conceptueel raamwerk toe te passen omtrent bedreigingen voor de naleving van de voor hem geldende fundamentele beginselen en hij (bijgevolg) meerdere fundamentele beginselen heeft geschonden. Daarbij heeft betrokkene zich naar het oordeel van de Accountantskamer schijnbaar naïef ingelaten met de wijze van factureren die C voorstond, en de heimelijkheid van wat er aan de hand was   bestendigd door de wijze waarop hij zijn eigen facturen opstelde.Anderzijds is meegewogen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en hijzelf geen voordeel heeft genoten van de constructie die C voor het verantwoorden van zijn bijverdiensten heeft toegepast.  Een en ander overziende acht de Accountantskamer in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden .

Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

Beslissing

De Accountantskamer verklaart de klacht gegrond en legt terzake de maatregel op van berisping.

De Accountantskamer verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba, na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging ervan door de voorzitter van de Accountantskamer, ingevolge artikel 9, tweede lid juncto 47 Wtra, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers bedoeld in artikel 1, onder i. Wtra voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF