ABRvS: Het feit dat de regeling in art. 39b, lid 1 van de Wjsg geen aan de Wob derogerende regeling is, neemt niet weg dat art. 365 van het WvSv voor de in die bepalingen genoemde stukken een uitputtende regeling geeft. Geen strijd met art. 10 EVRM.

Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 30 mei 2012, LJN BW6946
Afwijzing van het verzoek van appellant om openbaarmaking van alle documenten betreffende een incident op een school waarbij een 16-jarige leerling gewond is geraakt door steken met een schaar, onder verwijzing naar art. 365, lid 4 en 5 van het WvSv. Het verzoek van appellant ziet op een viertal processen-verbaal alsmede een proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, opgemaakt naar aanleiding van het incident. Deze processen-verbaal maken deel uit van twee strafdossiers die aan de strafrechter zijn voorgelegd. Beide strafzaken zijn geëindigd in een veroordeling.

De Afdeling

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat art. 365 van het WvSv een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking bevat, die aan de Wob derogeert. Art. 365 van het WvSv geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt. De rechtbank heeft eveneens met juistheid vastgesteld dat de gegevens in een strafdossier ook onder de werking van de Wjsg vallen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen neemt het feit dat de regeling in art. 39b, lid 1 van de Wjsg geen aan de Wob derogerende regeling is, niet weg dat art. 365 van het WvSv voor de in die bepalingen genoemde stukken een uitputtende regeling geeft. Anders dan appellant betoogt kan ook de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (Stcrt. 2007, 202) hieraan niet afdoen omdat de Aanwijzing geen wettelijk voorschrift is. Evenmin volgt uit de uitspraak van 7 juli 2010 (LJN BN0488) dat de Wob in dit geval van toepassing is. De Wob is slechts van toepassing op persvoorlichting voor zover hierop geen andere bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter van toepassing zijn. Zoals hiervoor overwogen doet dat geval zich hier niet voor.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011 (LJN BP1316) vereist art. 10 EVRM niet dat alle informatie wordt verstrekt of wordt openbaar gemaakt en biedt dat artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Door de regeling in art. 365 van het WvSv is de beperking van het in art. 10, lid 1 EVRM vervatte recht om inlichtingen te ontvangen in dit geval bij de wet voorzien. Voorts is voldaan aan het vereiste dat de inbreuk op dat recht noodzakelijk is in het belang van het beschermen van de rechten van anderen, te weten de privacy van in het strafdossier genoemde personen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister art. 10 van het EVRM heeft geschonden door niet tot openbaarmaking van de gevraagde documenten over te gaan.

Ongegrond hoger beroep.

Achtergrond

De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is de algemene wet waarin openbaarheidsregels zijn vervat. Daarnaast zijn er bijzondere wetten die openbaarheidsregels bevatten. Art. 2 Wob bepaalt dat een lex specialis voor de Wob gaat. Een lex specialis is ingevolge vaste jurisprudentie (LJN BM1054) een wet in formele zin met een uitputtend karakter. Een regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door (afzonderlijke) toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet. De geschiedenis van de totstandkoming van de bijzondere wet moet daarvoor aanknopingspunten bieden. (LJN AK4040).

De Afdeling heeft eerder uitgemaakt (zie o.m. LJN BK9881) dat art. 365 Sv een lex spcialis is. Voor stukken die in een bij de rechter berustend strafdossier zitten geldt derhalve een exclusieve openbaarheidsregeling.

Op informatie die berust onder het OM is de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van toepassing. Titel 2A van de Wjsg bevat naar het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 7 noevmeb 2007 (LJN BB7311), geen lex specialis ten opzichte van de Wob. Gezien de onderhavige uitspraak en de eerdere Afdelingsuitspraak van 7 juli 2010 (LJN BN0488) betekent dit evenwel niet dat art. 365 Sv niet geldt voor stukken die via het OM of de korpsbeheerder in het strafdossier zitten. De Wob is, zo benadrukt de Afdeling, slechts van toepassing op persvoorlichting als er geen andere bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter van toepassing zijn.

Zie in soortgelijke zin uitspraken van de Afdeling eveneens LJN BW6945, LJN BW6947 en LJN BW6954.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF