Aanhoudingsverzoek raadsvrouwe op de grond dat zij verhinderd is wegens andere zaak voorafgaand aan terechtzitting per e-mail gedaan en afgewezen

Hoge Raad 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:330

De verdachte is bij arrest van 4 februari 2016 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2015, bij welk vonnis de verdachte is veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 tot vier weken gevangenisstraf en een taakstraf voor de duur van zestig uren.
 

Middel

Het middel klaagt onder meer over de afwijzing door het Hof van het voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouwe van de verdachte per e-mailbericht gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak in verband met haar verhindering.
 

Beoordeling Hoge Raad

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een aan de voorzitter van het Hof gericht e-mailbericht van mr. J. Verstegen, raadsvrouwe van de verdachte, van 2 februari 2016, onder meer inhoudende:

"Op 10 februari a.s. (de Hoge Raad begrijpt: 4 februari 2016) te 10.00 uur staat de behandeling van opgemelde zaak gepland. Ik zou u willen verzoeken om de zaak aan te houden. Helaas ben ik in de ochtend verhinderd om cliënt ter terechtzitting bij te staan in verband met een raadkamer gevangenhouding van een gedetineerde cliënt bij de rechtbank in Den Haag. Mij laten vervangen door een kantoorgenoot is agendatechnisch helaas niet mogelijk gebleken, nog afgezien van het gegeven dat ik in beide zaken de voorkeursadvocaat ben en cliënten mijn persoonlijke rechtsbijstand wensen. In raadkamer bij de rechtbank zal gemotiveerd om opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis dienen te worden verzocht in verband met een beroep op noodweer(exces). U begrijpt wellicht dat de aard van die zaak (drie maal poging doodslag) ook meebrengt dat een waarneming op deze korte termijn niet te realiseren is. De verdachte in opgemelde zaak is niet voorlopig gehecht, doch aan hem is in eerste aanleg ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd, terwijl die straf nog niet is uitgezeten. Ook de belangen van verdachte zijn dus groot te noemen.

Op grond van het bovenstaande verzoek ik u de behandeling van de zaak aan te houden. Ik begrijp dat dit vervelend is, maar ik zie helaas geen andere mogelijkheid."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2016 houdt in dat de verdachte en zijn raadsvrouwe aldaar niet zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter deelt als volgt mee.

De raadsvrouw heeft op 2 februari 2016 per e-mail verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Getracht is de zaak naar vanmiddag te verplaatsen, hetgeen niet mogelijk was voor de raadsvrouw. Het verzoek tot aanhouding is daarom afgewezen en aan de verdediging is te kennen gegeven dat de strafzaak op het aanvankelijke, met de raadsvrouw overeengekomen tijdstip zal worden behandeld. Het hof heeft hierop geen reactie van de raadsvrouw meer ontvangen. Het e-mailbericht van de verdediging is aan het dossier toegevoegd."

Blijkens dat proces-verbaal is vervolgens verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten. Het Hof heeft de verdachte bij arrest van 4 februari 2016 op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Uit het samenstel van de bepalingen in de art. 278, derde en vierde lid, 329, 330 en 331, eerste lid, Sv, die ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte om uitstel van de behandeling als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv ter terechtzitting moet worden beslist - nadat het openbaar ministerie omtrent dat verzoek is gehoord - en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het proces-verbaal van de terechtzitting op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds de verdachte, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen.

Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopig oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd (vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454).

Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt niet in een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing van het Hof omtrent het verzoek van de raadsvrouwe tot uitstel van de behandeling, noch dat het Openbaar Ministerie omtrent dat verzoek is gehoord. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt alleen in als mededeling van de voorzitter van het Hof dat een door de raadsvrouwe van de verdachte gedaan verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak voorafgaand aan de terechtzitting is afgewezen. Het verzuim van het Hof om ter terechtzitting te beslissen heeft, naar voortvloeit uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF