Aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het samen en in vereniging met een ander plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6625

Feiten 

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 8 april 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wegens diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"Na zijn aanhouding geeft verdachte aanvankelijk te kennen dat hij niet weet hoe een en ander omtrent de gestolen telefoon te verklaren is. Ook nadien heeft verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven voor het bezit van de mobiele telefoon. Eerst zou hij de telefoon van een onbekende hebben gekocht en later verklaart verdachte dat hij deze van een persoon genaamd betrokkene 2 heeft gekocht voor 100 euro.

Op 10 mei 2010 te Nieuwegein, wordt van aangever slachtoffer de mobiele telefoon en de portemonnee gestolen om 23.13 uur, terwijl hij op zijn snorfiets over de openbare weg reed. Na onderzoek blijkt dat op 10 mei om 23.45 uur de sim-kaart van verdachte in de gestolen mobiele telefoon was geplaatst. Verdachte bevond zich toen op een plaats die ongeveer 15 autominuten van de plaats van de overval was gelegen.

Dat verdachte de diefstal heeft gepleegd, leidt het hof af uit het feit dat tussen het moment van wegnemen (omstreeks 23.13 uur) en het gebruik door verdachte van de buitgemaakte telefoon omstreeks 23.45 uur een periode van niet meer dan een half uur is verstreken. Het hof acht - mede gelet op de afstand tussen de plaats van de beroving en de plaats van ingebruikname door verdachte dan wel de plaats waar hij de telefoon zegt te hebben gekocht alsmede het feit dat verdachte aanvankelijk heeft verklaard geen verklaring voor het bezit van de telefoon te hebben en het feit dat verdachte daarna eerst geen naam en pas later de naam betrokkene 2 heeft genoemd als degene van wie hij de telefoon zou hebben gekocht - niet aannemelijk dat verdachte de telefoon heeft gekocht van een ander."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het (samen en in vereniging met een ander) plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in overweging van het hof - heeft het Hof kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het in de bewezenverklaring omschreven feit (samen en in vereniging met een ander) heeft gepleegd.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF