Implementatie Europese verordening en richtlijn tegen marktmisbruik

Op 4 juli jl. heeft de Tweede Kamer gedebatteerd over het op 18 april 2016 ingediende Wetsvoorstel implementatie verordening en richtlijn marktmisbruik. De Verordening marktmisbruik is reeds op 3 juli jl. in werking getreden. Ook op deze datum had dus de nationale implementatiewetgeving gereed moeten zijn. De Tweede Kamer stemt op 7 juli over het wetsvoorstel en de ingediende motie. Daarna moet het wetsvoorstel nog door de Eerste Kamer.

Debat

Met het voorstel legt Dijsselbloem een Europese verordening en richtlijn tegen marktmisbruik vast in Nederlandse wetten. Om de integriteit van financiële markten te versterken, worden handel met voorkennis en marktmanipulatie harder aangepakt. Zo kunnen beleggers op basis van volledige en correcte informatie beleggingsbeslissingen nemen. Nuttige Europese regels, vindt de minister, want "wij zijn er door schade en schande achter gekomen dat het niet goed geregeld was". Ook De Vries (VVD) is blij met het voorstel: de VVD gelooft in marktwerking en daarom moet marktmisbruik hard worden bestraft. Onrechtmatig profiteren bedreigt een eerlijke economie, voegt Ronnes (CDA) toe.

Door met voorkennis in aandelen te handelen is veel geld te verdienen, maar volgens Merkies (SP) is de pakkans erg laag. Naast een verhoging van de strafmaat, bepleit hij een vergroting van die pakkans. Ook Nijboer (PvdA) wil dat "financiële fraudeurs het zweet uitbreekt". Goed dat de boetes omzetgerelateerd zijn, zegt De Vries. Ook zij wil voorkomen dat "mensen er te gemakkelijk mee wegkomen". Dijsselbloem wijst erop dat dit soort zaken vaak moeilijk aantoonbaar en bewijsbaar zijn. Hij zal de minister van Veiligheid en Justitie vragen om de Kamer te informeren over de aanpak van financiële fraude door het Openbaar Ministerie.

Beloning voor klokkenluiders?

Als mensen misstanden in de financiële sector melden, kan dat volgens Ronnes soms "groter financieel leed" voorkomen. Hij vindt een beloning dan op zijn plaats, maar wil voorkomen dat mensen die zelf overtredingen hebben gepleegd, er met een waarschuwing van afkomen. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten loven nu geen tipgeld uit, zegt Dijsselbloem, maar hij denkt dat dat in bepaalde gevallen wel zinvol kan zijn. Daarom zal hij vragen of deze instanties hiervoor een beleidslijn willen opstellen. Van de uitkomst daarvan zal de minister de Kamer op de hoogte stellen.

 

 

Meer weten over de (gevolgen van) het nieuwe Europese marktmisbruik-regime voor Nederland? Kom dan op Dinsdag 11 oktober 2016 naar de Cursus Marktmisbruik.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe wet- & regelgeving per 1 juli 2016

Per 1 juli 2016 treedt een aantal wetswijzigingen in werking die relevant zijn voor het ondernemingsstrafrecht. Het gaat onder meer om wijzigingen op het gebied van klokkenluiden, faillissementsfraude, inkeren en acquisitiefraude. Hieronder volgt een selectie van relevante wetswijzigingen.

 

Acquisitiefraude

Deze wet regelt in Boek 6 Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van Strafrecht de strafbaarstelling van acquisitiefraude. Onder acquisitiefraude wordt verstaan misleidende handelspraktijken tussen organisaties, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt gericht op het winnen van vertrouwen en het wekken van verwachtingen teneinde de ander te bewegen tot het aangaan van een overeenkomst, waarbij de tegenprestatie niet of nauwelijks naar behoren wordt geleverd. Hierbij moet gedacht worden aan het plaatsen van een advertentie in niet bestaande of nauwelijks gelezen bedrijvengidsen en/of op internet en het ongevraagd en zonder reden toesturen van rekeningen, de zogenaamde spooknota’s.

Met deze wet willen de initiatiefnemers acquisitiefraude tegengaan en zorgen dat ondernemers eenvoudig onder een overeenkomst uit kunnen komen als die via een een ‘misleidende omissie’ tot stand is gekomen. Een misleidende omissie is het weglaten of verborgen houden van belangrijke informatie bij het aangaan van een transactie waardoor het als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt. Acquisitiefraude tegen ondernemers wordt strafbaar met een gevangenisstraf van maximaal 2 jaar.

 

Klokkenluiden

De Wet Huis voor klokkenluiders verbetert de mogelijkheden om te melden en beoogt werknemers en ambtenaren die melden te beschermen. Op 1 juli 2016 treedt de Wet Huis voor klokkenluiders in werking en zullen de werkzaamheden van het Adviespunt Klokkenluiders opgaan in het nieuwe ZBO Huis voor klokkenluiders (HvK).

 

Inkeren 

Per 1 juli wordt de inkeerboete verhoogd van 60% naar 120%.

Op het niet-aangeven van buitenlands vermogen staat een boete van maximaal 300% van de niet-betaalde belasting. Bij (vrijwillige) inkeer is het beleid van de Belastingdienst tot op heden dat een boete van maximaal 60% wordt opgelegd. Dat tarief zal per 1 juli 2016 verdubbelen naar 120%.

 

Faillissementsfraude

Op 1 juli 2016 treden zowel de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude als de Wet civielrechtelijk bestuursverbod in werking.

 

Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

Dit wetsvoorstel moderniseert in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten de mogelijkheden voor opsporing en vervolging en voorkoming van faillissementsfraude. Met dit voorstel wordt de wettelijke positie van de curator versterkt door het niet juist voeren van de administratie en het bewaren daarvan strafbaar te stellen.

De bepalingen inzake faillissementsfraude – eenvoudige bankbreuk en bedrieglijke bankbreuk – dateren van het einde van de negentiende eeuw. Ze zijn sindsdien weliswaar op onderdelen gewijzigd, maar dit neemt niet weg dat deze wetgeving te karakteriseren is als complex en op punten verouderd. De strafbepalingen hebben evenwel voor een deel hun waarde behouden in de huidige praktijk, getuige ook de rechtspraak. Om die reden heeft het kabinet volstaan met een partiële herziening van de bepalingen, waarbij is gestreefd naar een verbeterde structuur en inhoud.

De in deze wet neergelegde modernisering van de bepalingen heeft vorm gekregen in Titel XXVI van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht. Bijna alle bepalingen zijn aangepast met het oog op verbetering van de bruikbaarheid en effectiviteit. De wet introduceert echter niet een volledig nieuw strafrechtelijk faillissementsrecht. Er wordt, voor zover niet uitdrukkelijk anders vermeld, geen breuk geforceerd met bestaande rechtspraak en indien mogelijk wordt de wettelijke terminologie gehandhaafd. Dit betekent dat ten aanzien van de in de wet gehandhaafde en onbesproken bestanddelen van de strafbepalingen inzake faillissementsfraude ook in het vervolg de uitleg zal gelden die daaraan bij invoering of sindsdien door wijziging of als gevolg van verduidelijking in de rechtspraak is gegeven.

Alle gedragingen die in de artikelen 194 en 340 tot en met 344 Sr zijn strafbaar gesteld vereisen de omstandigheid dat het faillissement is ingetreden of een schuldsaneringsregeling van toepassing is geworden.

De artikelen 340 tot en met 344b Sr zien alle tevens op gedragingen die worden verricht vóór intreding van het faillissement of (voor zover het de artikelen 341, 344, 344a en 344b Sr betreft) toepassing van de schuldsaneringsregeling. In dat geval is het uitspreken van het faillissement of het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid, zonder welke geen voltooid delict of strafbare poging mogelijk is.

Voorts is het opzetverband in de bepalingen tegen het licht gehouden. Alle in het kader van faillissementsfraude strafbaar gestelde gedragingen dienen opzettelijk te worden begaan. Echter is in een aantal gevallen aanvullend opzet van de dader vereist, gericht op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. In plaats van de term ‘ter bedrieglijke verkorting’, waarmee dit opzet tot dusver tot uitdrukking wordt gebracht, kiest het voorstel voor een term (‘wetende dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’) die nauwer aansluit bij de standaardwijzen die in het wetboek worden gebruikt om het opzetverband aan te duiden.

Ten slotte bevat de wet een duidelijk onderscheid tussen de strafbaarstelling van enerzijds delicten gepleegd in het kader van het faillissement van een natuurlijk persoon en anderzijds delicten gepleegd in verband met het faillissement van een rechtspersoon (of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid). Op basis van het onderscheid dat in de wet is aangebracht, kan de strafrechtelijke normstelling in het vervolg preciezer worden toegesneden op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband.

 

Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Wet civielrechtelijk bestuursverbod leidt tot de invoeging van de artikelen 106a t/m 106e in de Faillissementswet en voegt daarmee aan de faillissementswet de mogelijkheid toe om een civielrechtelijk bestuursverbod, van ten hoogste 5 jaren, op te leggen aan een bestuurder die faillissementsfraude pleegt of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement. De regering wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rond een faillissement bestrijden en voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten.

Een bestuurder met een bestuursverbod mag geen bestuursfunctie of commissariaat (meer) uitoefenen bij een andere organisatie. Een bestuursverbod wordt opgelegd door de civiele rechter op verzoek van het Openbaar Ministerie of op verzoek van de curator in het kader van het faillissement van een rechtspersoon waarbij de bestuurder betrokken was.

De positie van de curator wordt aanzienlijk versterkt door ook hem de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot het opleggen van een bestuursverbod toe te kennen. De curator heeft in de toekomst aldus een aanzienlijke stok achter de deur door in voorkomende gevallen zowel de bestuurder aansprakelijk te stellen als om een bestuursverbod te vorderen. Hiermee zal hij prudent, zorgvuldig en voldoende terughoudend moeten omgaan. Volgens de Memorie van toelichting moet een civielrechtelijk bestuursverbod immers “een uitzonderlijke sanctie voor uitzonderlijke situaties” vormen en zal een bestuursverbod na een faillissement geen automatisme mogen zijn.

Een bestuursverbod kan niet op het uitsluitende verzoek van de schuldeisers worden gevorderd. Wel kunnen schuldeisers de rechter-commissaris vragen de curator een vordering tot een bestuursverbod bij de rechter in te dienen.

 

Print Friendly and PDF ^

Regulering kansspelen op internet

De opkomst van het online kansspelaanbod is voor staatssecretaris Dijkhoff (Justitie) aanleiding om de wetgeving te moderniseren. Het voorkomen van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van illegaliteit en criminaliteit. Dit zijn de belangrijkste doelstellingen van het kansspelbeleid van de staatssecretaris en van zijn wetsvoorstel dat vooral is gericht op het reguleren en kanaliseren van het nu nog verboden aanbod op internet. Helder (PVV) is op hoofdlijnen positief. Maar Van Toorenburg (CDA), Schouten (ChristenUnie) en Bisschop (SGP) zijn niet overtuigd: gokverslaving zal door legalisering van het internetaanbod eerder toe- dan afnemen. Swinkels (D66) en Kooiman (SP) zetten vraagtekens bij de privacywaarborgen voor spelers.

AANDACHT VOOR GEVAREN GOKVERSLAVING

Wat kan de overheid doen om gokverslaving te bestrijden? Naast een verslavingsfonds zet Dijkhoff een register op om mensen vrijwillig of onvrijwillig uit te sluiten van kansspelen. Een minimumtermijn voor vrijwillige inschrijving kan mensen tegen zichzelf beschermen, suggereert Bisschop. Van Wijngaarden (VVD) wil dat onvrijwillige uitsluiting terughoudend wordt toegepast: afkicken heeft alleen zin als men gemotiveerd is. Verbied gokprogramma's op open televisiekanalen, suggereert Schouten. Zij stelt ook voor de minimumleeftijd voor gokken te verhogen naar 21 jaar. Mei Li Vos (PvdA) wil dat aanbieders waarschuwen voor de risico's van onmatige deelname aan kansspelen. Maak de reclameregels voor gokken net zo streng als voor alcohol, suggereert Kooiman.

ILLEGALE ACTIVITEITEN AANGEPAKT

Dijkhoffs wetsvoorstel is mede bedoeld om illegale kansspelactiviteiten te bestrijden. Zo krijgt de Kansspelautoriteit de bevoegdheid om gokwebsites zonder de vereiste vergunning te blokkeren. Swinkels gaat dit te ver: een inbreuk op de technische werking van internet ondergraaft het vertrouwen van de gebruikers. De Kansspelautoriteit moet op dit terrein juist meer bevoegdheden krijgen, vindt Van Toorenburg: het verbieden van apparatuur (zoals apps) bedoeld voor deelname aan illegale kansspelen. Vergroot de handhavingscapaciteit door het aantal fte's van de autoriteit te verhogen, stelt Kooiman voor. Van Wijngaarden en Vos willen matchfixing voorkomen door een verbod op risicovolle sportweddenschappen en een meldplicht voor verdachte gokpatronen.

MEER GELD VOOR DE SPORT?

Een belangrijk deel van de gokmarkt bestaat uit het voorspellen van sportwedstrijden. Veel sportbestuurders hopen dat er meer geld naar de sport gaat vloeien als het internetaanbod wordt gelegaliseerd. Maar een voorstel van Van Toorenburg zou roet in het eten kunnen gooien. Ter voorkoming van belangenverstrengeling wil zij namelijk bedrijven die weddenschappen over sporters, sportteams of sportclubs aanbieden, verbieden om deze ook te sponsoren. Van Wijngaarden en Vos willen dat de meeropbrengst van de verhoogde kansspelbelasting, naar schatting 8 tot 10 miljoen per jaar, ten goede komt aan de sport. Maar Bisschop ziet niets in het op deze manier doorsluizen van belastinggeld.

Het debat gaat op een later moment verder met de reactie van de staatssecretaris op de eerste termijn van de Kamer.

Print Friendly and PDF ^

Nadere uitwerking regels voor Brzo-bedrijven

Sinds 8 juli 2015 is het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) van kracht. De Regeling risico’s zware ongevallen (Rrzo) geldt sinds 4 maart 2016. Hiermee implementeert Nederland de Europese eisen die zijn opgenomen in de SEVESO III richtlijn. Voor de werkingssfeer van het Brzo2015 gelden de drempelwaarden voor bedrijven die activiteiten doen met bepaalde categorieën gevaarlijke stoffen en mengsels en met stoffen die met naam genoemd zijn (Bijlage I, deel 1 en 2 van Seveso III). De inwerkingtreding van het Brzo 2015 en de wijzigingen in de indeling van gevaarlijke stoffen en mengsels door de CLP-verordening, hebben consequenties voor bedrijven waarop Brzo 2015 van toepassing is.

 

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Toezichthouders AFM en DNB krijgen meer mogelijkheden voor waarschuwingen, vergelijkingen en weerwoord

Op 20 juni jl. is het concept wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten ter consultatie aangeboden. Het concept wetsvoorstel beoogt een transparanter toezicht op financiële markten mogelijk te maken door een viertal wijzigingen van Afdeling 1.5.2 van de Wet op het financieel toezicht.

  1. Een uitbreiding van de mogelijkheden van de toezichthouders om een openbare waarschuwing uit te vaardigen.
  2. Een bevoegdheid voor AFM en DNB om namen van afzonderlijke instellingen te noemen wanneer zij resultaten van themaonderzoeken naar de mate van naleving en risico's voor de naleving, bekend maken.
  3. Een mogelijkheid voor de toezichthouders om te kunnen reageren op mededelingen van instellingen over het toezicht.
  4. Een grondslag voor DNB om bij amvb aan te wijzen kerncijfers van banken te publiceren.

Het voornemen bestaat om de bevoegdheden 2 en 3 ook in de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling op te nemen, voor zover deze daar nog niet in zijn opgenomen.

Het concept wetsvoorstel geeft de toezichthouders nieuwe bevoegdheden tot publicatie van informatie. Hierdoor wordt het toezicht transparanter. Deze nieuwe bevoegdheden sluiten aan bij bestaande praktijken. De bevoegdheden zullen worden toegepast op reeds bij de toezichthouder aanwezige informatie zodat het gebruik van die nieuwe bevoegdheden niet tot nieuwe kosten zal leiden.

Meer informatie: 

 

Print Friendly and PDF ^