Omgevingswet krijgt steun

De nieuwe Omgevingswet, waarin een groot aantal bestaande wetten opgaan, is gericht op duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Schultz ziet grote voordelen in integrale besluitvorming over ruimtelijke projecten "van dakkapel tot Tweede Maasvlakte". Met de nieuwe wet wordt het beleid volgens de minister inzichtelijker, komt er meer ruimte voor lokale oplossingen en kunnen besluiten sneller worden genomen. De Vries (PvdA) is enthousiast: het wordt niet alleen makkelijker, sneller en goedkoper, maar ook mooier en met meer draagvlak. Goed dat er rijksregels vervallen, vindt ook Veldman (VVD), maar voorkom wel dat er vervolgens lokaal weer "een heel regelhuis" wordt opgebouwd.

Decentralisatie de norm

In principe zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de Omgevingswet: "decentraal, tenzij". Alleen als aan bepaalde criteria wordt voldaan, gaat die verantwoordelijkheid naar provincie of Rijk. Schultz ziet weinig in het voorstel van Ronnes (CDA) om in de wet op te nemen dat dat alleen mag als sprake is van een "aanmerkelijk belang". Zij wijst op de betrokkenheid van gemeenten en provincies bij de totstandkoming van de wet en voegt toe dat het vooral om houding en cultuur van de bestuursorganen gaat. Overigens kan zij leven met een verplichting voor gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen, zoals Dik (ChristenUnie) wil.

Flexibiliteit

Bestuursorganen willen meer afwegingsruimte, burgers en bedrijven willen meer handelingsruimte. Daarom bevat de wet volgens Schultz meer doelvoorschriften dan middelvoorschriften. Ook kan er gebiedsgericht maatwerk worden geleverd. Zo mogen gemeenten bijvoorbeeld strengere geurnormen stellen. Daarnaast kan een gemeente individueel maatwerk bieden: een bedrijf in een kwetsbaar gebied kan strengere lozingsnormen krijgen opgelegd. Er is "niks mis mee" als daardoor verschillen tussen gemeenten ontstaan, zegt Schultz in reactie op de angst van Madlener (PVV) voor willekeur. Van Veldhoven (D66) stelt voor om te monitoren in hoeverre de flexibiliteit van de nieuwe wet leidt tot meer of minder rechtszaken. De voorspelbaarheid van de uitkomst van geschillen wordt kleiner, denkt Smaling (SP).

Normen in AMvB's

De omgevingsnormen zullen in zogenaamde Algemene Maatregelen van Bestuur worden opgenomen. Schultz wijst erop dat het op dit moment "een rommeltje" is: sommige normen staan in wetten, andere in AMvB's. Burgers en bedrijven zullen snel weten waar zij aan toe zijn, zegt de minister. Zij verzekert de Kamer dat normen in AMvB's net zo zwaar wegen als normen in de wet. Dat bestrijdt Van Tongeren (GroenLinks): AMvB's zijn makkelijker te wijzigen. Zij hamert op het optimaal beschermen van "kwetsbare belangen". Van Veldhoven wil de garantie dat de Kamer in de toekomst toch kan besluiten om de normen in de wet vast te leggen. Het eindoordeel is en blijft aan de Kamer, antwoordt Schultz.

Verstedelijkingsladder

Voor duurzame stedelijke ontwikkeling moeten overheden in de huidige situatie de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking gebruiken. Zo moet voorkomen worden dat lege weilanden worden volgebouwd, terwijl er nog ruimte is in het stedelijk gebied. Met de nieuwe Omgevingswet lijkt die ladder overbodig geworden, zeggen Veldman en onafhankelijk Kamerlid Houwers. De ladder is erg gedetailleerd en vraagt om veel onderzoek, erkent de minister, die het "iets vrijer" wil maken. Zij wil de evaluatie van het instrument afwachten voordat zij verdere stappen zet. Als in de tussentijd quick wins te maken zijn, wil zij daar zeker gebruik van maken.

De Kamer zet de behandeling van de Omgevingswet op een nader te bepalen moment voort. Zij sprak er eerder over op 1 juni. Minister Schultz heeft in reactie daarop schriftelijke antwoorden aan de Kamer gestuurd.

Bron: Tweede Kamer

 

Print Friendly and PDF ^

BRZO bedrijven moeten meebetalen aan toezicht

Het kabinet wil vanaf 2016 de bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) vallen, mee laten betalen aan de kosten voor toezicht door de Inspectie SZW. Dit blijkt uit een wetsvoorstel tot wijziging van de Arbowet. De Inspectie SZW is een van de partijen die de naleving van het besluit controleert. De specialistische controles van de Inspectie SZW zijn streng en intensief, want ongevallen bij Brzo-bedrijven kunnen grote gevolgen hebben. Dat maakt zulke inspecties dan ook kostbaar. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Beantwoording Kamervragen Initiatiefwetsvoorstel Opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen

Op 20 mei jl. heeft Minister van Veiligheid en Justitie, Van der Steur, vragen van de D66-fractie ten aanzien van het initiatiefwetsvoorstel opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen beantwoord.

Normbevestiging en voorbeeldfunctie

De leden van de D66-fractie vroegen allereerst om een reactie op hun analyse dat het wetsvoorstel in de kern stoelt op het belang van maatschappelijke normbevestiging. Zij vroegen of dit belang van voldoende gewicht is om – door opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten – een inbreuk te maken op de bijzondere positie van de overheid.

Volgens de minister dienen ten aanzien van publiekrechtelijk optreden de politieke en bestuurlijke verantwoordingsprocedures, waarin normbevestiging en de voorbeeldfunctie van de overheid eveneens centraal staan, voorop te staan en te blijven staan. De kernoverweging van het kabinet is dat de beoordeling van het handelen van de overheid in onze staatsrechtelijke ordening primair behoort plaats te vinden in de procedures van politieke en bestuurlijke verantwoording die daarvoor in de Grondwet en andere regelgeving zijn opgenomen. In deze democratisch gelegitimeerde procedures wordt ook aan bredere, waaronder morele, maatstaven getoetst dan in een strafrechtelijke procedure, zoals de Raad van State in zijn advies over het voorstel opmerkt. Normbevestiging en de morele legitimatie van overheidshandelen zijn bij uitstek doelen van democratische verantwoording. De Raad van State wijst er verder op dat publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen nu eenmaal niet gelijk zijn, en dat publiekrechtelijke rechtspersonen soms handelingen moeten verrichten die aan anderen niet zijn toegestaan. Het risico van het wetsvoorstel is dat afbreuk zou worden gedaan aan het primaat van de politieke en bestuurlijke verantwoordingsprocedures. De strafrechtelijke verantwoordingsmogelijkheid wordt door de initiatiefnemers slechts als een aanvulling gezien, als ultimum remedium. Hierbij is er echter het risico van een glijdende schaal als gevolg waarvan vaker strafrechtelijk zal worden opgetreden, terwijl het erom gaat dat de bestuurlijke en politieke verantwoordingsprocedures hun werk moeten doen. Tegelijk is er een risico, zoals de Raad van State signaleert, dat strafrechtelijke en democratische verantwoordingsprocessen kunnen samenlopen en dat daardoor aan deze processen afbreuk kan worden gedaan.

Stand van de rechtsontwikkeling

Voorts vroegen de leden van de D66-fractie of de stand van de rechtsontwikkeling tot dit wetsvoorstel dwingt. Deze vraag kan volgens Van der Steur ontkennend worden beantwoord. Voor zover deze leden refereerden aan een eventueel gebrek aan (volledige) duidelijkheid van de jurisprudentie over de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen, merkt de minister op dat eventuele onduidelijkheden in die jurisprudentie, voor zover die zich al voordoen, op zichzelf geen reden vormen om die immuniteiten bij wet op te heffen. Bovendien is die jurisprudentie wat betreft de strafrechtelijke immuniteit van de rechtspersoon Staat naar zijn mening helder: de rechtspersoon Staat kan voor zijn handelen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.

Ook de mogelijke ongelijke behandeling van publiekrechtelijke rechtspersonen onderling dwingt niet tot dit wetsvoorstel, aldus Van der Steur. Tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is erop gewezen dat voor dezelfde gedragingen decentrale overheden wel kunnen worden vervolgd en de rechtspersoon Staat niet. In de stukken is het voorbeeld genoemd van een gemeente die nalaat maatregelen te nemen om een einde te maken aan een verkeersonveilige situatie op een weg waardoor een dodelijk verkeersongeluk wordt veroorzaakt. De gemeente kan daarvoor op basis van de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad worden vervolgd, terwijl de rechtspersoon Staat op basis van deze jurisprudentie strafrechtelijke immuniteit geniet wanneer hetzelfde op een rijksweg gebeurt. Hoewel dit verschil inderdaad een dilemma vormt, is het de vraag of dit zwaarwegend genoeg is om tot opheffing van de strafrechtelijke immuniteit van de rechtspersoon Staat over te gaan.

De minister meent dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij tekent aan dat er een belangrijk verschil bestaat tussen decentrale overheden en de Staat. Bij vervolging van de rechtspersoon Staat is de eenheid van de regering en het regeringsbeleid in het geding. Het wetsvoorstel zou tot gevolg hebben dat het openbaar ministerie onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie ook vervolgingsbeslissingen neemt ten aanzien van strafbare feiten begaan binnen dienstonderdelen van de rechtspersoon Staat die onder de verantwoordelijkheid vallen van een collegaminister. De Minister van Veiligheid en Justitie zou vervolgens door deze collegaminister op de door het openbaar ministerie genomen beslissing kunnen worden aangesproken. Het wetsvoorstel kan daarom consequenties hebben voor de eenheid van de regering en het regeringsbeleid – een centraal aspect van onze constitutionele ordening, waarop ook de Raad van State wijst.

Van betekenis is in dit verband ook dat wanneer publiekrechtelijke rechtspersonen, waaronder de rechtspersoon Staat, tegenover derden civielrechtelijk onrechtmatig hebben gehandeld, zij gehouden zijn tot vergoeding van daardoor geleden schade. Voor het verkrijgen van een schadevergoeding is opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten dus niet noodzakelijk.

Voor de beantwoording van de vraag van deze leden of de stand van de rechtsontwikkeling tot dit wetsvoorstel dwingt, is voorts de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) inzake vooral artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van belang. Uit artikel 2 EVRM, dat het recht op leven bevat, vloeit volgens de jurisprudentie van het EHRM de positieve verplichting voort om – in gevallen van opzettelijke schending van het recht op leven en in gevallen van schuld, daarin bestaand dat de autoriteiten, zich volledig bewust van de waarschijnlijke gevolgen van bepaalde gevaarlijke activiteiten die in levensgevaar of de dood van een of meer anderen hebben geresulteerd, niet de voorzorgsmaatregelen hebben genomen die gelet op hun bevoegdheden redelijkerwijs van hen konden worden gevergd – een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en strafvervolging in te stellen tegen de verantwoordelijken. Verwezen kan worden naar onder andere Öneryildiz tegen Turkije, EHRM (GK) 30 november 2004, nr. 48939/99, NJ 2005/210, Buyadeva tegen Rusland, EHRM 20 maart 2008, nr. 15339/02, AB 2008/206 en Kolyadenko e.a. tegen Rusland, EHRM 28 februari 2012, nr. 17423/05. Onder verantwoordelijken (“those responsible for endangering life”) kunnen in dit verband de verantwoordelijke overheidsfunctionarissen worden verstaan. Over de vraag of deze jurisprudentie ertoe noopt om in deze gevallen ook strafvervolging in te kunnen stellen tegen een publiekrechtelijke rechtspersoon, lopen de opvattingen in de vakliteratuur uiteen.

In de optiek van de minister dwingt deze jurisprudentie niet tot de in het wetsvoorstel voorgestelde opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals de initiatiefnemers in de memorie van antwoord ook onderkennen. Dat is ook de conclusie die de hoogleraar Van Sliedregt trekt in haar recente preadvies voor de Nederlandse Juristenvereniging (‘Immuniteit van de Staat: de houdbaarheid voorbij?’, in: Immuniteiten, Het recht opzij gezet?, Preadviezen NJV 2013, blz. 166). Aan de uit artikel 2 EVRM voortvloeiende positieve verplichting kan ook worden voldaan door vervolging in te stellen tegen de verantwoordelijke overheidsfunctionarissen. Daar komt bij dat de rechtspersoon Staat in het overgrote deel van de lidstaten van de Raad van Europa niet strafrechtelijk kan worden vervolgd. Sommige lidstaten kennen zelfs in het geheel geen mogelijkheid om rechtspersonen strafrechtelijk te vervolgen. De kans dat het EHRM snel zal aannemen dat het EVRM ertoe dwingt een publiekrechtelijke rechtspersoon, in het bijzonder de rechtspersoon Staat, in de context van de positieve verplichtingen die uit artikel 2 EVRM voortvloeien, strafrechtelijk vervolgbaar te doen zijn, is daardoor klein. Zoals ook de initiatiefnemers in hun memorie van antwoord aangeven, pleegt het hof in zijn rechtspraak acht te slaan op hoe een kwestie in het recht van het merendeel van de aangesloten lidstaten is geregeld.

Met betrekking tot de strafrechtelijke immuniteit van feitelijke leidinggevers aan en opdrachtgevers tot verboden gedragingen van publiekrechtelijke rechtspersonen die zelf strafrechtelijke immuniteit genieten, is in de vakliteratuur een wat grotere mate overeenstemming over de vraag of deze immuniteit verdragsbestendig is. Dat zou – met betrekking tot de hierboven omschreven gevallen waarin sprake is van een opzettelijke schending van het recht op leven of van bewuste schuld die bestaat in het niet nemen van voorzorgsmaatregelen bij gevaarlijke activiteiten die in levensgevaar of de dood van anderen hebben geresulteerd – niet het geval zijn. Ook als deze interpretatie van de jurisprudentie van het EHRM de juiste zou zijn, meent Van der Steur dat deze jurisprudentie op zichzelf niet tot het wetsvoorstel dwingt. Deze jurisprudentie kan ook langs de band van de nationale jurisprudentie haar doorwerking vinden. De strafrechtelijke immuniteiten zijn per slot van rekening jurisprudentieel en niet wettelijk bepaald.

Verhouding strafrechtelijke en politiek/bestuurlijke verantwoordingsprocedures

Voorts wijdden de leden van de D66-fractie beschouwingen aan de verhouding tussen enerzijds de staatsrechtelijke verantwoordingsstructuur, waarin het overheidshandelen op democratische grondslag wordt gecontroleerd en beoordeeld, en anderzijds de in het wetsvoorstel voorgestelde strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid.

De minister onderschrijft hun opvatting dat de politieke en bestuurlijke verantwoordingsprocedures een veel ruimere reikwijdte hebben dan een strafrechtelijke procedure. Wanneer een bewindspersoon of bestuurder ter verantwoording wordt geroepen voor het beleid en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, zullen daarbij de door deze leden genoemde aspecten waaronder het aspect van bestuurlijke doelmatigheid aan de orde komen. Wanneer bij de uitvoering van het beleid strafbare feiten mochten zijn begaan, zal ook dat in de beoordeling worden betrokken. In dit licht onderschrijft de minister ten volle de stelling van deze leden dat politieke en bestuurlijke verantwoordingsprocedures van minstens zo grote invloed kunnen zijn op het vertrouwen van burgers in de overheid als een strafrechtelijke procedure. In politieke en bestuurlijke verantwoordingsprocedures kan het beleid bovendien breed worden getoetst en kunnen maatregelen of bijstellingen van het beleid worden afgesproken om herhaling van het ondoelmatig handelen of van fouten te voorkomen.

 

Print Friendly and PDF ^

Schot in de zaak: plenaire behandeling Initiatiefwetsvoorstel Opheffing strafrechtelijke immuniteiten publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers gepland voor najaar 2015

Op 26 mei heeft de Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie het eindverslag uitgebracht, waarmee zij te kennen geeft dat zij van mening is dat de plenaire behandeling van het - reeds in 2006 ingediende - Initiatiefwetsvoorstel Opheffing strafrechtelijke immuniteiten publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers voldoende is voorbereid. De plenaire behandeling van het Initiatiefwetsvoorstel is voorzien voor 6 oktober 2015.

Initiatiefwetsvoorstel

De huidige stand van wetgeving en jurisprudentie maakt dat de staat volledige strafrechtelijke immuniteit geniet, decentrale overheden genieten beperkte immuniteit – namelijk slechts voor zover het gaat om de uitoefening van een exclusieve bestuurstaak – en andere publiekrechtelijke rechtspersonen genieten in het geheel geen strafrechtelijke immuniteit.

Het initiatiefvoorstel voorziet in het opheffen van de straftechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen en van de ambtenaren van die rechtspersonen.

Een overheid die burgers aanspreekt op hun verantwoordelijkheden kan dat alleen doen als zij zelf ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar handelen of het nalaten daarvan. Dat kan betekenen dat naast politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid ook sprake moet kunnen zijn van strafrechtelijke verantwoordelijkheid. De overheid is nu slechts in beperkte mate strafrechtelijk vervolgbaar en met dit wetsvoorstel wordt beoogt deze situatie te beëindigen. Het gelijkheidsbeginsel maakt naar de mening van de indieners dat het verschil dat nu bij voorbaat bestaat tussen de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid ten opzichte van natuurlijke en van privaatrechtelijke rechtspersonen niet meer te verdedigen is. Het doel van dit wetsvoorstel is dus ervoor te zorgen dat deze rechtongelijkheid verdwijnt door de strafrechtelijke immuniteit op te heffen. Concreet gaat het met name om aanpassing van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel maakt weliswaar geen onderscheid tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen. Echter in de jurisprudentie en de praktijk is wel een onderscheid ingevoerd voor wat betreft de vervolging. Door middel van dit wetsvoorstel wordt expliciet duidelijk gemaakt dat publiekrechtelijke rechtspersonen op gelijke voet met andere rechtspersonen onderwerp van vervolging kunnen zijn, ook indien het de centrale overheid betreft.

Achtergrond

De strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden is een onderwerp waarover de discussie bij tijd en wijle in alle hevigheid los barstte. De vuurwerkramp in Enschede, de cafébrand in Volendam, het (al dan niet falende) optreden van de overheid tijdens de Schipholbrand, het asbestschip Otapan en de vervolging van de gemeente Amsterdam in de Trafigura-zaak; allen zaken die aanleiding zijn geweest om de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden te verkennen.

In die discussie nam de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een belangrijke rol in. In de rechtspraak van het EHRM hebben zich de laatste jaren ontwikkelingen voorgedaan die nieuw licht wierpen op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid en haar functionarissen. Dit riep telkens de vraag op of de strafrechtelijke immuniteit van overheden, zoals wij die kenden, wel EHRM-proof is.

Plenair debat

De plenaire behandeling van het Initiatiefwetsvoorstel is voorzien voor 6 oktober 2015. Tijdens deze fase kunnen geen wijzigingen of amendementen meer worden voorgesteld. De Eerste Kamer kan het voorstel alleen aannemen of verwerpen.

 

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel meldplicht datalekken en uitbreiding bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp aangenomen door Eerste Kamer

Op 26 mei is door de Eerste Kamer het Wetsvoorstel meldplicht datalekken (voluit: Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens alsmede uitbreiding van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggenzonder stemming aangenomen. Dit wetsvoorstel voegt aan de Wet bescherming persoonsgegevens een meldplicht voor inbreuken op beveiligingsmaatregelen voor persoonsgegevens toe. Met de meldplicht datalekken wil de regering de gevolgen van een datalek voor de betrokkenen zoveel mogelijk beperken en hiermee een bijdrage leveren aan het behoud en herstel van vertrouwen in de omgang met persoonsgegevens.

Met dit voorstel moet de verantwoordelijke bij een datalek, waarbij kans is op verlies of onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, niet alleen een melding doen bij de toezichthouder, het College bescherming persoonsgegevens (Cbp), maar ook de betrokkene informeren. Deze meldplicht geldt voor alle verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens, zowel in de private als publieke sector. Als er geen melding wordt gemaakt van een datalek kan dit bestraft worden met een bestuurlijk boete van het Cbp.

 

 

Print Friendly and PDF ^