Schot in de zaak: plenaire behandeling Initiatiefwetsvoorstel Opheffing strafrechtelijke immuniteiten publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers gepland voor najaar 2015

Op 26 mei heeft de Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie het eindverslag uitgebracht, waarmee zij te kennen geeft dat zij van mening is dat de plenaire behandeling van het - reeds in 2006 ingediende - Initiatiefwetsvoorstel Opheffing strafrechtelijke immuniteiten publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers voldoende is voorbereid. De plenaire behandeling van het Initiatiefwetsvoorstel is voorzien voor 6 oktober 2015.

Initiatiefwetsvoorstel

De huidige stand van wetgeving en jurisprudentie maakt dat de staat volledige strafrechtelijke immuniteit geniet, decentrale overheden genieten beperkte immuniteit – namelijk slechts voor zover het gaat om de uitoefening van een exclusieve bestuurstaak – en andere publiekrechtelijke rechtspersonen genieten in het geheel geen strafrechtelijke immuniteit.

Het initiatiefvoorstel voorziet in het opheffen van de straftechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen en van de ambtenaren van die rechtspersonen.

Een overheid die burgers aanspreekt op hun verantwoordelijkheden kan dat alleen doen als zij zelf ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar handelen of het nalaten daarvan. Dat kan betekenen dat naast politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid ook sprake moet kunnen zijn van strafrechtelijke verantwoordelijkheid. De overheid is nu slechts in beperkte mate strafrechtelijk vervolgbaar en met dit wetsvoorstel wordt beoogt deze situatie te beëindigen. Het gelijkheidsbeginsel maakt naar de mening van de indieners dat het verschil dat nu bij voorbaat bestaat tussen de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid ten opzichte van natuurlijke en van privaatrechtelijke rechtspersonen niet meer te verdedigen is. Het doel van dit wetsvoorstel is dus ervoor te zorgen dat deze rechtongelijkheid verdwijnt door de strafrechtelijke immuniteit op te heffen. Concreet gaat het met name om aanpassing van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel maakt weliswaar geen onderscheid tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen. Echter in de jurisprudentie en de praktijk is wel een onderscheid ingevoerd voor wat betreft de vervolging. Door middel van dit wetsvoorstel wordt expliciet duidelijk gemaakt dat publiekrechtelijke rechtspersonen op gelijke voet met andere rechtspersonen onderwerp van vervolging kunnen zijn, ook indien het de centrale overheid betreft.

Achtergrond

De strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden is een onderwerp waarover de discussie bij tijd en wijle in alle hevigheid los barstte. De vuurwerkramp in Enschede, de cafébrand in Volendam, het (al dan niet falende) optreden van de overheid tijdens de Schipholbrand, het asbestschip Otapan en de vervolging van de gemeente Amsterdam in de Trafigura-zaak; allen zaken die aanleiding zijn geweest om de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden te verkennen.

In die discussie nam de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een belangrijke rol in. In de rechtspraak van het EHRM hebben zich de laatste jaren ontwikkelingen voorgedaan die nieuw licht wierpen op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid en haar functionarissen. Dit riep telkens de vraag op of de strafrechtelijke immuniteit van overheden, zoals wij die kenden, wel EHRM-proof is.

Plenair debat

De plenaire behandeling van het Initiatiefwetsvoorstel is voorzien voor 6 oktober 2015. Tijdens deze fase kunnen geen wijzigingen of amendementen meer worden voorgesteld. De Eerste Kamer kan het voorstel alleen aannemen of verwerpen.

 

Print Friendly and PDF