Seveso III is op 1 juni 2015 van kracht, maar implementatie ervan loopt mogelijk vertraging op

Vanaf 1 juni 2015 is de Seveso III-richtlijn (volledig: Richtlijn 2012/18/EU van het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad) van kracht. Op 1 juni 2015 vervalt de Seveso II-richtlijn. Lidstaten zijn gehouden de richtlijn uiterlijk 31 mei 2015 te hebben geïmplementeerd. Nederland implementeert de richtlijn via een algemene maatregel van bestuur (het Besluit risico’s zware ongevallen 2015). Een ontwerp van dit besluit ligt thans voor advies bij de Raad van State. Het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 wordt nader uitgewerkt in een ministeriële regeling (de Regeling risico’s zware ongevallen 2015). Mogelijk zal de consultatie van het betrokken bedrijfsleven en de uitvoeringsinstanties over het concept van deze regeling leiden tot enige vertraging.

Bron: Tweede Kamer

 

Print Friendly and PDF ^

Vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen door Europees Parlement

Op 20 mei heeft het Europees Parlement de Vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen. De richtlijn zal geen drastische, maar toch wel enkele aanpassingen, van de wetgever vergen. De oorsprong van deze is (mede) gelegen in aanbevelingen van de Financial Action Task Force uit 2012. Deze aanbevelingen zijn eerder al in de Wwft verwerkt, waardoor onze regelgeving al grotendeels in overeenstemming met de vierde anti-witwasrichtlijn. Daarnaast streeft de richtlijn minimumharmonisatie na, waardoor op voorhand niet volledig duidelijk is te zeggen hoe de Wwft er na de implementatie uit zal zien.

Lidstaten hebben twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving.

Enkele wijzigingen op basis van de Vierde anti-witwasrichtlijn:

  • Toepassingsbereik: De richtlijn zal het toepassingsbereik van de Wwft uitbreiden tot (online) kansspelaanbieders, handelaren in goederen van grote waarde bij contante betalingen van EUR 10.000 en meer en aanbieders van verhuurdiensten.
  • Risicogebaseerde benadering: De vierde anti-witwasrichtlijn kent een risicogebaseerde benadering. Dat is op zich niets nieuws voor NL: ook de derde richtlijn en de Wwft kennen een dergelijke benadering. Echter, in de vierde anti-witwasrichtlijn wordt deze benadering verder doorgevoerd, waardoor dit ook voor NL gevolgen heeft.
  • UBO: Een wijziging ten opzichte van de derde anti-witwasrichtlijn is dat in de richtlijn indicaties worden gegeven van wanneer sprake is van ‘direct ownership’ of ‘indirect ownership’ en op basis van de richtlijn komt er een register waaruit voor rechtspersonen, personenvennootschappen en andere entiteiten blijkt wie de UBO’s zijn.
  • Beleid, procedures en opleiding: Instellingen zijn op basis van de richtlijn verplicht om beleid, controlemechanismen en procedures te hebben om risico’s op het gebied van witwassen en terrorismefinancieringte matigen en te beheersen. Deze verplichting is al opgenomen in de Wwft.
  • Bescherming werknemers: In de richtlijn is bepaald dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat personen, waaronder werknemers en vertegenwoordigers van de instellingen, die vermoedens van witwassen of terrorismefinanciering intern of extern (bij de FIU) melden, worden beschermd tegen bedreiging of daden van agressie. Dit is verwerkt in het thans aanhangige wetsvoorstel Huis voor klokkenluiders.

Voor meer informatie:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Internetconsultatie: zware chemie moet zelf toezicht op arbeidsomstandigheden betalen

Op 28 april 2015 is het Wetsvoorstel doorberekenen toezichtkosten ter consultatie aangeboden. Dit wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet maakt het mogelijk om de kosten van het toezicht door te berekenen aan bedrijven waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (BRZO 2015) van toepassing is. 

Bij bedrijven die onder het BRZO 2015 vallen en met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken zijn de gevolgen bij ongevallen vaak ernstig. In de afgelopen jaren zijn een aantal ernstige ongelukken gebeurd bij deze bedrijven met grote gevolgen.

Vanwege de grote gevaren voor de samenleving en het maatschappelijk belang om ongelukken met ernstige gevolgen voor werknemers en omwonenden zoveel mogelijk te voorkomen is overheidsinterventie door intensief en frequent inspectie vereist bij deze bedrijven. Deze inspectie vergt bovendien specialistische kennis van het domein. De toezichtkosten zijn daarmee voor een relatief kleine groep bedrijven relatief hoog. De samenleving betaalt op deze wijze de kosten die veroorzaakt worden door de gevaren in de productie in de zware chemie. Het wordt redelijk en billijk geacht om de hogere kosten die gemoeid zijn met het extra toezicht op de productie van deze bedrijven niet geheel te laten betalen door de samenleving, maar deze kosten door te berekenen aan de veroorzaker.

Het doel van dit wetsvoorstel is de onevenredig hoge kosten van het toezicht te leggen waar deze horen en daarmee de uitgaven uit de algemene middelen te verlagen.

De wetswijziging is als instrument noodzakelijk om de toezichtkosten te kunnen doorbelasten.

 

Print Friendly and PDF ^

'Na Chemie-Pack minder fragmentatie in milieutoezicht'

  De hevige brand bij Chemie-Pack in Moerdijk vier jaar geleden maakte opnieuw duidelijk dat het stelsel van milieuvergunningen beter moet. Dit voorjaar buigt de Tweede Kamer zich over een wetsvoorstel daartoe. Dat legt in grote lijnen vast hoe de nieuwe regionale uitvoeringsdiensten moeten werken.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Camerabeelden van burgers en bedrijven gebruiken bij opsporing van criminaliteit

Burgers en bedrijven mogen straks camerabeelden publiceren van een diefstal, inbraak of vernieling. De verwachting is dat door de inzet van deze ‘extra ogen en oren’ de pakkans toeneemt. Nu is het particulieren en ondernemers wettelijk nog niet toegestaan om camerabeelden van verdachten te publiceren. Een en ander staat in een wetsvoorstel van minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) dat vandaag naar verschillende adviesinstanties is gestuurd. De verspreiding van camerabeelden is dan niet langer in alle gevallen een zaak van politie en openbaar ministerie.

Met deze maatregel komt de bewindspersoon tegemoet aan een wens van de meerderheid in de Tweede Kamer. Het nieuwe wetsvoorstel is een herziene versie van het wetsvoorstel waarover de Raad van State in 2012 advies uitbracht. Daarnaast voorziet het in een maatschappelijke behoefte. Uit onderzoek blijkt dat 71 procent van de Nederlanders voorstander is van het uit de anonimiteit halen van criminelen met behulp van digitale middelen. Ook vanuit het bedrijfsleven is verzocht om verruiming van de mogelijkheden voor gebruik van camerabeelden.

Camerabeelden van strafbare feiten kunnen een belangrijke rol spelen bij de opsporing. Dat blijkt ook uit de opsporingsprogramma’s van de overheid, die een selectie van camerabeelden gebruiken. Daar staat tegenover dat bedrijfsleven en particulieren in ruime mate beschikken over bewakingscamera’s en smartphones.

De opnamen die zij hiermee maken, bieden goede aanknopingspunten om misdrijven op te lossen. De minister wil die mogelijkheden benutten door de wet aan te passen en gebruik te maken van moderne communicatiemiddelen. ‘We vragen al langer hulp van burgers bij de opsporing; dan moeten we ze ook de mogelijkheden bieden die bij deze tijd passen’, aldus Van der Steur.

Maar het gebruik van camerabeelden moet wel zorgvuldig gebeuren. Daarvoor zijn duidelijke regels nodig. De bewindsman wil voorkomen dat de ‘verkeerde’ verdachte in beeld wordt gebracht of onschuldige omstanders en slachtoffers herkenbaar zijn. Het gaat om een juiste balans tussen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en van omstanders en getuigen, het belang van het slachtoffer en het maatschappelijke belang dat daders worden opgespoord.

Straks moet eerst aangifte zijn gedaan van het betreffende delict. Ook moeten de camerabeelden ter beschikking zijn gesteld aan de politie. Omdat de identificatie van de vermoedelijke dader vooropstaat, moeten het misdrijf zelf én de vermoedelijke dader duidelijk te zien zijn op de beelden. Bijvoorbeeld: een winkeldief steekt voor het oog van de camera spullen in zijn tas en loopt de winkel uit zonder te betalen.

Het is niet toegestaan om beelden op internet te zetten van kennissen of klasgenoten die zich schuldig hebben gemaakt aan - bijvoorbeeld - vernieling, omdat hun identiteit reeds bekend is.

Verder is het niet de bedoeling dat particulieren en bedrijven beelden van zware criminaliteit als moord, doodslag en mishandeling openbaar maken. Politie en justitie handelen die zelf af, omdat het complexe zaken zijn, met een groot risico voor de opsporing of vrees voor eigenrichting. Vroegtijdige publicatie kan eigenrichting in de hand werken, of uitlopen op bedreiging van getuigen.

De nieuwe regeling is zo min mogelijk afhankelijk van de techniek. Het maakt niet uit of de opnames zijn gemaakt met een bewakingscamera, smartphone of fototoestel. Degene die beelden van een inbraak, diefstal of vernieling publiceert op internet blijft hiervoor verantwoordelijk. Ook als de identiteit van de verdachte is achterhaald. Dan moet de publicist de beelden verwijderen, voor zover dat binnen zijn mogelijkheden ligt.

Print Friendly and PDF ^