'Richtlijn Strafvordering Witwassen en LOVS oriëntatiepunten: het verschil tussen eisen en bestraffen'

Per 1 maart 2015 is de richtlijn voor Strafvordering Witwassen in werking getreden. Deze richtlijn geeft Officieren van Justitie en Advocaten-Generaal een leidraad om in witwaszaken hun strafeis vast te stellen. Op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde is het Openbaar Ministerie gebonden aan deze richtlijn. Omdat de richtlijn ook is gepubliceerd, bezit deze rechtskracht en kunnen bijvoorbeeld verdachten er rechten aan ontlenen.

LOVS oriëntatiepunten

Of verdachten zich snel op deze richtlijn zullen beroepen is nog maar zeer de vraag. Sinds enkele jaren publiceert het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) ook al zijn beleid in de vorm van ‘oriëntatiepunten voor straftoemeting’ om in fraudezaken te komen tot een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Net als in de oriëntatiepunten van het LOVS wordt in de witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie voor het bepalen van de straf(eis) aansluiting gezocht bij het ‘benadelingsbedrag’/het witgewassen bedrag. De frauderichtlijn van het LOVS (waarop overigens sinds de introductie al kritiek op is omdat deze flink aan de maat is) is milder dan de nieuwe witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie.

Categorieën daders

Voordat ik hierop verder inga, allereerst het positieve van de witwasrichtlijn. Anders dan de oriëntatiepunten van de rechtbanken en de gerechtshoven wordt in de richtlijn van het Openbaar Ministerie bij de iets omvangrijkere zaken (met een witwasbedrag van meer dan € 25.000) een onderscheid gemaakt naar categorieën van daders. Door middel van een drietal categorieën onderscheidt het Openbaar Ministerie ‘witwasondersteuners’ (zoals de ‘geldezel’ die voor anderen contant geld naar het buitenland smokkelt, de eenvoudige katvanger en bijvoorbeeld iemand die zijn bankpas ter beschikking stelt) van personen die voor zichzelf handelen om hun eigen criminele vermogen te witwassen, respectievelijk van de ‘facilitator’ die op professionele basis en in de regel voor riante vergoedingen geld witwast voor anderen.

Hoewel het maken van een dergelijk onderscheid is toe te juichen, is het verontrustend om te zien dat de strafeisen voor deze verschillende categorieën daders, en dan vooral de eerste en tweede categorie, niet zo heel erg veel van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat voor de eerste ‘zwakke’ categorie van ‘witwasondersteuners’ de strafeis lineair blijft toenemen naarmate het witgewassen bedrag hoger wordt: vanaf € 100.000 witgewassen geld stelt de nieuwe witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie dat de strafeis met elke toename van € 50.000 met twee maanden moet worden verhoogd.

Dit is vreemd. Immers, eenvoudige katvangers of personen die hun bankpas ter beschikking stellen, hebben in de regel weinig tot geen invloed op de hoogte van het witgewassen bedrag dat door hun vingers glijdt en zullen hiervan in veel gevallen geen notie hebben. De hoogte van het witgewassen bedrag zou daarom, anders dan nu in de witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie is verwoord, geen of althans slechts een zeer beperkte strafverhogende invloed mogen hebben. Het is rechtvaardiger om bij het vaststellen van de straf van ‘witwasondersteuners’ voor de door hen verrichte strafbare handelingen als uitgangspunt een vaste straf te nemen en de omvang van het witgewassen bedrag geen, althans een zeer beperkte invloed te laten hebben.

Zo lineair als de strafeis hoger wordt bij de ‘witwasondersteuners’ naarmate het witgewassen bedrag groter is, zo onbegrijpelijk is de strafverhoging voor de tweede categorie. Iemand die zijn eigen criminele vermogen witwast door hiervan bijvoorbeeld goederen te kopen, ziet met elke € 50.000 die hij hierdoor witwast, de strafeis met één tot vier maanden toenemen. Waarom de ene toename van het witwasbedrag wordt ‘afgestraft’ met een strafeis die één maand hoger is en de andere even zo grote toename met een verhoging van de strafeis met vier maanden is volslagen onduidelijk. Hetzelfde geldt voor de derde categorie van de ‘facilitators’.

Strafeis

Het onderstaande grafiekje laat verder zien dat de strafeis, zoals deze volgens de nieuwe witwasrichtlijn door het Openbaar Ministerie moet worden geformuleerd, met name in de omvangrijkere witwaszaken veel hoger uitvalt dan rechters op basis van hun richtlijnen kunnen opleggen. grafiekZeker indien als uitgangspunt moet worden genomen dat het vertrekpunt van de discussie in raadkamer moet liggen bij de minst zware bestraffing zoals deze uit de oriëntatiepunten naar voren komt[1], valt het op dat vooral bij zaken waarin een relatief groot bedrag is witgewassen, het Openbaar Ministerie op basis van de nieuwe richtlijn meer zal moeten eisen dan rechters volgens hun richtlijn zouden moeten opleggen.

Verdediging in witwaszaken

De verdediging zal in de toekomst in witwaszaken vaak moeten aanvoeren dat de richtlijn waarop het openbaar ministerie zich zal (moeten) beroepen, ‘slechts’ een richtlijn van het Openbaar Ministerie zelf is. Zeker in zoverre de richtlijn van het Openbaar Ministerie de oriëntatiepunten van het LOVS overstijgt, moet worden aangevoerd dat deze nieuwe richtlijnen zinledig zijn. Dat het Openbaar Ministerie in de toekomst bij het formuleren van de eis in witwaszaken nog hoger zal inzetten dan nu al het geval is, heeft mogelijk wel tot gevolg dat rechters en raadsheren minder snel van hun beoordelingsvrijheid gebruik maken om tot een milder vonnis te komen dan de oriëntatiepunten voorstellen.

[1] Prof. mr. M.S. Groenhuijsen en prof. mr. T. Kooijmans: bestraffing in Nederland en België, pre-advies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2013, p. 79.

 

Bron: Jaeger Advocaten-belastingkundigen

Print Friendly and PDF ^

'Strafvorderingsrichtlijnen korter en praktischer'

Enige tijd geleden heeft het College van procureurs-generaal besloten het stelsel van beleidsregels te vernieuwen. Vanuit de praktijk was er behoefte aan minder aanwijzingen en richtlijnen, die compact, helder en eenvoudig toegankelijk zijn en de benodigde ruimte voor de professional laten bij de uitvoering van beleid en de beoordeling van zaken. Op 1 maart 2015 treedt een vijftigtal nieuwe richtlijnen voor strafvordering in werking.

De meest relevante nieuwe richtlijnen in het kader van het bijzonder strafrecht zijn:

 

Lees verder:

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Mevis verzorgt college modernisering Wetboek van Strafvordering

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie voert een majeure operatie uit tot modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Prof. mr. Paul Mevis, hoogleraar Straf(proces)recht aan de EUR en lid van de adviescommissie, schetst op 4 maart in een openbaar college de contouren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

Augustus 2014 maakte het Ministerie van Veiligheid en Justitie de benoeming van de Commissie modernisering Wetboek van Strafvordering bekend. Anno februari 2015 heeft de commissie haar adviezen samengevat in de Contourennota Wetboek van Strafvordering. De Contourennota geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingsvoorstellen. Prof. mr. Mevis bespreekt op 4 maart a.s., van 14.00 tot 15.00 uur in een openbaar college (zaal LB-77) de hoofdlijnen van de nota.

De contourennota geeft een schets van een vernieuwd Wetboek van Strafvordering, dat beter aansluit bij de digitale samenleving en toegankelijker is voor de rechtspraktijk en de burger. Ook draagt het bij aan de verbetering van de kwaliteit van de strafrechtspleging, waardoor de prestaties van de strafrechtsketen verbeteren. De nota bevat daartoe een aankondiging van voorstellen tot wijziging van het wetboek. Verder is ‘groot onderhoud’ nodig; in het huidige wetboek staan niet alleen verouderde, onnodige of complexe procedures, maar door de vele wijzigingen in de afgelopen jaren is de rek eruit.

Bij de huidige stand van zaken betreft dat zo’n negentien wetsvoorstellen die allemaal in de loop van 2016 in werking zullen treden.

College: 4 maart 2015, 14.00 uur, zaal LB-77. Aansluitend is er een borrel.

Bron: EUR

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel toegang tot een advocaat in strafprocedures (Salduz) & Wetsvoorstel inzake de verdachte de raadsman en enkele dwangmiddelen ingediend bij Tweede Kamer

Vandaag is het Wetsvoorstel toegang tot een advocaat in strafprocedures (Salduz) bij de Tweede Kamer ingediend.

Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming. Op grond van artikel 15 van de richtlijn rust op lidstaten de verplichting om de richtlijn uiterlijk op 27 november 2016 in nationale regelgeving om te zetten.

De richtlijn bevat minimumregels met betrekking tot het recht op toegang tot een raadsman in strafprocedures (artikel 3), de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen de verdachte en zijn raadsman (artikel 4), het recht van verdachten om een derde te informeren over de vrijheidsbeneming (artikelen 5 en 7), het recht van verdachten die van hun vrijheid zijn beroofd, om te communiceren met een derde (artikelen 6 en 7) en het recht op toegang tot een raadsman in overleveringsprocedures (artikel 10). Daarnaast bevat de richtlijn bepalingen met betrekking tot het onderwerp en toepassingsgebied van de richtlijn (artikelen 1 en 2), algemene voorwaarden voor het tijdelijk afwijken van bepaalde rechten uit de richtlijn (artikel 8), afstand van recht (artikel 9), rechtsbijstand (artikel 11), rechtsmiddelen (artikel 12) en kwetsbare personen (artikel 13). Ten slotte bevat de richtlijn de in dit verband gebruikelijke bepalingen betreffende non-regressie (artikel 14), omzetting (artikel 15), verslaglegging (artikel 16) en inwerkingtreding (artikel 17).

De richtlijn maakt onderdeel uit van een pakket aan maatregelen die beogen een gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming van verdachten in de lidstaten van de Europese Unie te bevorderen.

Wetsvoorstel inzake de verdachte de raadsman en enkele dwangmiddelen

Afgelopen vrijdag, 20 februari, werd naar aanleiding van bovengenoemd wetsvoorstel ook het wetsvoorstel inzake de verdachte de raadsman en enkele dwangmiddelen bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel wijzigt onder meer de regeling van de dwangmiddelen aanhouding, ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling. Zo wordt:

  • de rechtmatigheidstoets door de rechter-commissaris in het kader van de inverzekeringstelling geschrapt;
  • de bevoegdheid tot aanhouding buiten heterdaad verruimd van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (feiten waarop een gevangenisstraf van vier jaar of langer is gesteld) tot alle misdrijven;
  • de termijn voor ophouden voor onderzoek verruimd van zes naar negen uur bij verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Print Friendly and PDF ^

Meldplicht voor lekken persoonsgegevens

Een meldplicht voor datalekken en een grotere rol voor het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Staatssecretaris Teeven (Justitie) krijgt op hoofdlijnen steun voor zijn wetsvoorstel om privacygevoelige gegevens beter te beschermen.

Een hack van het computersysteem. Het als oud papier aanbieden van gevoelige stukken. Het verliezen van een geheugenstick. Teeven wil dit soort datalekken aanpakken door het invoeren van een meldplicht en het versterken van de bevoegdheden van het CBP. Een belangrijke stap vooruit bij de bescherming van privacygevoelige informatie, vindt Oosenbrug (PvdA). Het wetsvoorstel is goed bedoeld, zegt Helder (PVV), maar niet effectief genoeg. Onder anderen Schouw (D66) en Segers (ChristenUnie) doen aanvullende voorstellen. Ook Van Nispen (SP) wil dat "waakhond CBP scherpere tanden krijgt". Maar die zouden er niet toe mogen leiden dat de administratieve lasten fors stijgen, waarschuwen Oskam (CDA) en Bisschop (SGP).

CBP KAN BOETES OPLEGGEN

Als organisaties opzettelijk privacygevoelige gegevens lekken, kan het CBP direct een bestuurlijke boete opleggen. In andere gevallen moet er eerst een bindende aanwijzing worden gegeven. Schouw en Segers vinden die voorwaarde te beperkend en willen dat het CBP sneller kan besluiten tot een geldboete. Maar dan bestaat het gevaar dat te pas en te onpas boetes worden uitgedeeld, vreest Oskam. Van Wijngaarden (VVD) en Oosenbrug willen daarom als voorwaarde stellen dat er sprake moet zijn van "ernstig verwijtbare nalatigheid". De staatssecretaris sluit zich bij hun voorstel aan.

HOE HOOG MOET DE DREMPEL VOOR MELDEN ZIJN?

Teeven stelt voor dat organisaties datalekken moeten melden die ernstige nadelige gevolgen hebben voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat gaat Schouw, Van Wijngaarden en Oosenbrug niet ver genoeg: ook indien er een "aanzienlijke kans" is op die gevolgen moet er volgens hen al worden gemeld. Bovendien willen zij dat de meldplicht ook geldt voor het lekken van versleutelde gegevens. Gecodeerde data kunnen altijd worden ontsleuteld, zo sluit Van Nispen zich daarbij aan.

DISCUSSIE OVER ONAFHANKELIJKHEID CBP

Het CBP stelt beleidsregels op over de hoogte en de berekening van de boetes. Maar deze moeten wel goedgekeurd worden door de ministeries van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken. Dit tast de onafhankelijkheid van de toezichthouder aan, stellen Schouw, Segers en Van Nispen, en is bovendien in strijd met Europese regels. Teeven heeft begrip voor deze bezwaren en suggereert "goedkeuring" te vervangen door "overleg". Helder en Bisschop vragen zich juist af of het CBP op een ander punt niet te veel vrijheid krijgt: is het wel verstandig om normstelling en sanctieoplegging in één hand te leggen?

De Kamer stemt op 10 februari over het wetsvoorstel en de ingediende moties.

Bron: Tweede Kamer

Print Friendly and PDF ^