Regeling Bouwbesluit 2012

Per 1 juli 2012 treedt de Regeling Bouwbesluit 2012 in werking. Deze regeling vervangt de Regeling Bouwbesluit 2003.

Met de Regeling is een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Bouwbesluit 2012. Diverse voorschriften die onder het Bouwbesluit 2003 in de ministeriële regeling waren opgenomen zijn voortaan in het Bouwbesluit 2012, in NEN-normen, of in een andere regeling zoals bijvoorbeeld de Regeling geluidwerende voorzie-ningen (RGV) opgenomen.

Een belangrijk onderdeel van de regeling is evenals bij de Regeling Bouwbesluit 2003 het geval was, de aanwijzing van normen. Ook zijn in deze regeling de voorschriften met betrekking tot de CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met die artikelen van de verordening bouwproducten (verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (305/2011 PbEU L 88)) die al in werking waren getreden.

Onderwerpen in deze regeling die niet in de Regeling Bouwbesluit 2003 waren opgenomen zijn de nadere prestatievoorschriften voor brandveiligheid waaronder inspectieschema’s van brandveiligheidsinstallaties en opvang- en doorstroomcapaciteit en nadere voorschriften voor duurzaam bouwen en het scheiden van bouw- en sloopafval.

De regeling volgt wat betreft systematiek en terminologie zo veel mogelijk het Bouwbesluit 2012.

Bron: Nota van Toelichting bij de Regeling Bouwbesluit 2012

Print Friendly and PDF ^

Aanwijzing rechtsmachtgeschillen bij strafprocedures

Op 15 juni 2012 is de Aanwijzing rechtsmachtgeschillen bij strafprocedures in werking getreden.

Achtergrond

In 2009 heeft de Raad van de Europese Unie een kaderbesluit (Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures) vastgesteld over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures. Dit besluit bevat regels voor de justitiële autoriteiten van de lidstaten voor het voeren van rechtstreeks en gestructureerd overleg en tot nauwere samenwerking, wanneer tijdens een strafrechtelijk onderzoek (zowel opsporingsfase als vervolgingsfase) blijkt dat een parallel onderzoek wordt gevoerd in het buitenland tegen dezelfde persoon en wegens dezelfde feiten. In deze aanwijzing worden de procedures beschreven voor het leggen van contact en voor het voeren van overleg tussen leden van het Nederlandse Openbaar Ministerie en de bevoegde autoriteiten van andere EU lidstaten teneinde vast te stellen of er parallelle strafprocedures lopen wegens dezelfde feiten en ten aanzien van dezelfde personen. Naast het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem’, kan op deze wijze door de Nederlandse officier van justitie, bij voorkeur in een vroegtijdig stadium,een effectieve oplossing wordt bereikt in een strafzaak door samen te werken met partners in het buitenland.

Print Friendly and PDF ^

Regeling taken NFI

Op 19 mei 2012 is de Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie, d.d. 8 mei 2012, nr. 227774, houdende bepalingen inzake de taakopdracht van het Nederlands Forensisch Instituut (Regeling taken NFI) in werking getreden.
Deze regeling vervangt de Taakbeschikking NFI. De regeling stelt nadere regels over de taken van het NFI en de voorwaarden waaronder het NFI zijn taken dient te verrichten. Hiertoe bevat de regeling een omschrijving van de taken die het NFI uitvoert of uit kan voeren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen kerntaken en bijkomende taken.

Met het oog op de waarheidsvinding in strafzaken heeft het NFI de volgende kerntaken: 

a. het verrichten van onafhankelijk forensisch zaakonderzoek op overwegend technisch, medisch-biologisch en natuurwetenschappelijk gebied en het ter zake daarvan uitbrengen van verslag;
b. het ontwikkelen en implementeren van nieuwe onderzoeksmethoden en technieken ter bevordering van kennis op het gebied van forensisch onderzoek;
c. het zijn van (inter)nationaal kennis- en expertisecentrum op het gebied van het forensisch onderzoek.


Het NFI kan ook producten of diensten leveren indien sprake is van:

a. een activiteit die in het verlengde ligt van de kerntaken, bedoeld in het eerste lid, en een onlosmakelijke samenhang heeft met de waarheidsvinding in strafzaken;
b. een activiteit die bijdraagt aan de handhaving van de (inter)nationale rechtsorde of veiligheid en waarvan het om redenen van kwaliteit, zorgvuldigheid, doelmatigheid, continuïteit of herkenbaarheid wenselijk is dat het NFI deze verricht;
c. ondersteuning bij de hulpverleningstaak van de politie, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993.


Voorts geeft de regeling inzicht in de afnemers van producten en diensten van het NFI, die in twee categoriën verdeeld kunnen worden:

a) de afnemers die voor rekening van het ministerie diensten of producten afnemen (openbaar ministerie, zittende magistratuur, politie, bijzondere opsporingsdiensten en het ministerie); en
b) de overige afnemers van het NFI aan wie het NFI voor de geleverde producten of diensten kosten in rekening brengt.

Tenslotte geeft de Regeling inzicht in de wijze van financiering van het NFI.

Print Friendly and PDF ^

Wet wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak


Deze wijzigingen geven uitvoering aan het rapport "Versterking van de cassatierechtspraak van de commissie Normstellende rol Hoge Raad.

Met de wijzigingen wordt een versterking van de cassatierechtspraak beoogd door andere en nieuwe eisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad en door de introductie van de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep door de Hoge Raad aan het begin van de procedure.

De wet is erop gericht de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. Een adequate uitvoering van deze kerntaken staat onder druk door het instellen van cassatie in zaken die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie, en doordat sommige kwesties waarin een uitspraak van de Hoge Raad wenselijk is, de Hoge Raad niet of niet tijdig bereiken. Met het stellen van kwaliteitseisen aan advocaten wordt beoogd dat bij beroepen in cassatie cassatieschrifturen worden ingediend die kwalitatief deugdelijk zijn.

Versnelde niet-ontvankelijkheid

Artikel 81 Wet RO biedt de Hoge Raad de mogelijkheid om de motivering van de verwerping van een cassatiemiddel te beperken tot het oordeel dat de daarin aangevoerde klacht niet (tot cassatie kan leiden en niet noopt tot de beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling).

Artikel 81 Wet RO heeft in de afgelopen jaren een belangrijke functie vervuld in het beheersbaar houden van de werklast van de Hoge Raad. In ongeveer de helft van de zaken past de Hoge Raad thans artikel 81 Wet RO toe. De grenzen van deze toepassing zijn echter in zicht. Artikel 81 Wet RO vindt bovendien pas aan het einde van de cassatieprocedure toepassing, en daarbij (in strafzaken altijd) na een conclusie van de procureur-generaal, terwijl het voor zowel de procespartijen als de cassatierechter een aanmerkelijke verlichting zou zijn wanneer kansloze zaken eerder in het proces en op een eenvoudige wijze kunnen worden afgedaan.

Alle zaken waarvan al bij het begin van de procedure kan worden vastgesteld dat de klachten klaarblijkelijk geen kans van slagen hebben of dat de insteller klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, zodat een behandeling van de aangevoerde klachten in cassatie niet is gerechtvaardigd, zou de Hoge Raad zo spoedig mogelijk na binnenkomst moeten kunnen afdoen. De invoering van een dergelijke versnelde afdoening ligt in de lijn van een ontwikkeling die is ingezet met de invoering van artikel 81 (destijds 101a) Wet RO. Zij is thans noodzakelijk omdat de Hoge Raad en het parket worden geconfronteerd met een – per sector in aantal verschillend – aanmerkelijk aantal cassatieberoepen waarin geen vragen aan de orde zijn waarvan de beantwoording in het belang is van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, terwijl evenmin een belangrijk aspect van rechtsbescherming aan de orde is. Deze zaken moeten op een zo snel en eenvoudig mogelijke wijze kunnen worden afgedaan, onder meer om deze zaken een zo gering mogelijk beslag te laten leggen op de beperkte capaciteit van de Hoge Raad en het parket.

De zogeheten selectie aan de poort is hiermee een feit. In het wetsvoorstel is een daartoe strekkende voorziening in artikel 80a, eerste lid, Wet RO opgenomen.

Het voorgestelde selectiemechanisme en het stellen van kwaliteitseisen aan advocaten bij de Hoge Raad werken complementair. Juist de combinatie van deze maatregelen biedt de Hoge Raad de mogelijkheid zich te concentreren op zijn kerntaken en op deugdelijke cassatieschrifturen, waardoor de cassatierechtspraak wordt versterkt.

Klik hier voor de Memorie van Toelichting.

Print Friendly and PDF ^

Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme (Warschau, 16 mei 2005, Trb. 2006, 104)


Het gaat om Verklaringen, voorbehouden en bezwaren bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme dat op 16 mei 2005 is gesloten te Warschau.

Nederland heeft het Verdrag op 17 november 2005 ondertekend en op 13 augustus 2008 geratificeerd. Vervolgens is het Verdrag op 1 december 2008 in werking getreden.


Bij de ratificatie van het Verdrag heeft Nederland verklaard zich het recht voor te behouden art. 3, paragraaf 1 van het Verdrag niet toe te passen met betrekking tot de confiscatie van opbrengsten van feiten die strafbaar zijn gesteld in belastingwetgeving, waaronder wetgeving betreffende douane en accijnzen.

Article 3. Confiscation measures

1.    Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to enable it to confiscate instrumentalities and proceeds or property the value of which corresponds to such proceeds and laundered property.

Voorts heeft Nederland op 9 januari 2012 verklaard dat art. 9, paragraaf 1 van het Verdrag alleen zal worden toegepast ten aanzien van strafbare feiten die kwalificeren als misdrijven.

Article 9. Laundering offences

1.    Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to establish as offences under its domestic law, when committed intentionally:

a.    the conversion or transfer of property, knowing that such property is proceeds, for the purpose of concealing or disguising the illicit origin of the property or of assisting any person who is involved in the commission of the predicate offence to evade the legal consequences of his actions;

b.    the concealment or disguise of the true nature, source, location, disposition, movement, rights with respect to, or ownership of, property, knowing that such property is proceeds;

and, subject to its constitutional principles and the basic concepts of its legal system;

c.     the acquisition, possession or use of property, knowing, at the time of receipt, that such property was proceeds;

d.    participation in, association or conspiracy to commit, attempts to commit and aiding, abetting, facilitating and counselling the commission of any of the offences established in accordance with this article.


Voorts dienen verzoeken (en daarbij behorende documenten) aan Nederland die in een andere taal zijn opgesteld dan Nederlands, Frans of Engels te worden vergezeld van een vertaling in één van deze talen.

Bron: Trb. 2012, 87.

Print Friendly and PDF ^