Brandbrief verschoningsrecht

Het verschoningsrecht van advocaten is momenteel geen rustig bezit. Van verschillende kanten klinkt een roep om kritische beschouwing en inperking. Zeker ook op het gebied waar ondernemingen en strafrecht elkaar raken en ontmoeten. Vorig jaar al pleitte Officier van Justitie Leenders in het NRC Handelsblad bijvoorbeeld voor zo’n beperking, omdat door de geheimhoudingplicht en het verschoningsrecht ‘veel informatie buiten beeld blijft die nuttig is voor een effectieve bestrijding van fraude’. Nogal wiedes. Zeer recent herhaalde hij zijn standpunt in een interview in het FD; het verschoningsrecht zou zijn ‘doorgeschoten’; er zou behoefte bestaan daaraan ‘te knabbelen’. Rense pleit voor het uitermate grote belang van het verschoningsrecht, met het oog op het maatschappelijke goed van adequate rechtsbescherming. In dit geval door middel van een fictieve, toekomstige ‘brandbrief’ aan de politiek. Zij laat zien dat het kan verkeren, en dat het helemaal niet zo evident is het verschoningsrecht in te perken, ook niet voor gevallen van fraude of voor advisering.

Lees hier de volledige brief:

 

Print Friendly and PDF ^

'Ontwikkelingen omtrent het (notarieel) verschoningsrecht'

In de nieuwe aflevering van het Fiscaal Tijdschrift Vermogen (juli/augustus) is een bijdrage gepubliceerd van Jurjan Geertsma getiteld “Ontwikkelingen omtrent het (notarieel) verschoningsrecht.” In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen omtrent het (notarieel) verschoningsrecht in de eerste helft van 2015. Daarbij wordt aandacht besteed aan de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit, de rechtspraak en de parlementaire discussie over het functioneel verschoningsrecht. Er blijkt onder de noemer van misdaadbestrijding fors op de poort van het verschoningsrecht te worden geramd in de hoop daar de sleutel tot het voorkomen en oplossen van alle criminaliteit aan te treffen.

Lees hier het volledige artikel.

 

Print Friendly and PDF ^

'Enkele vragen rondom het professioneel verschoningsrecht in fraudezaken'

Het professioneel verschoningsrecht is een belangrijke hoeksteen van de rechtsstaat. Samen met de geheimhoudingsplicht is het beginsel een voorwaarde voor een beschaafd rechtsstelsel. Dit grote belang rechtvaardigt dat men scherp blijft op de vraag wat er precies onder het beginsel valt. Het broeit namelijk al een tijd rondom het professioneel verschoningsrecht. Diverse partijen constateren al een geruime tijd verscheidene vraag- en knelpunten. Het gaat om serieuze vragen in het domein van de financieel-economische criminaliteit (voornamelijk fraude), die een serieuze bespreking verdienen. In dit artikel wordt ingegaan op de geconstateerde vraag- en knelpunten. Op 3 februari 2015 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een zogenaamde ‘contourennota’ ter consultatie aan diverse organisaties gezonden. In deze contourennota schetst de minister welke wijzigingen hij voorstaat in het kader van het traject Modernisering Wetboek van Strafvordering. Het professioneel verschoningsrecht is één van de (vele) onderwerpen die in deze nota aan bod komen.

Ten aanzien van het professioneel verschoningsrecht stelt de minister in de contourennota dat gebleken is dat “de huidige wettelijke regeling van dit verschoningsrecht […] de stand van zaken (in de jurisprudentie) rondom het verschoningsrecht niet meer weerspiegelt. Hierdoor is het zowel voor de opsporende en vervolgende instanties als de burger lastig een volledig beeld te krijgen van de geldende regels. In lijn met de doelstellingen van de modernisering van het wetboek […] zal de wettelijke regeling in lijn worden gebracht met de bestaande praktijk”.

Een ogenschijnlijk beperkte wijziging dus waar het gaat om het professioneel verschoningsrecht. Overigens één waarbij de geheimhoudingsplicht expliciet buiten beeld blijft. Is dat alles terecht? Het broeit namelijk al een tijd rondom het professioneel verschoningsrecht. Diverse partijen constateren al een geruime tijd verscheidene vraag- en knelpunten. Het gaat om serieuze vragen in het domein van de financieel-economische criminaliteit (voornamelijk fraude), die een serieuze bespreking verdienen. In dit artikel zetten de auteurs uiteen over welke vraag- en knelpunten het gaat, waarom discussie over deze punten noodzakelijk is en waarom een brede(re) discussie ten aanzien van het professioneel verschoningsrecht dan ook gewenst is.

Dit artikel is als volgt opgebouwd. Als eerste passeren ratio, juridisch kader en reikwijdte van het professioneel verschoningsrecht de revue. Vervolgens wordt ingegaan op diverse vraag- en knelpunten uit de praktijk. Dit betreffen zowel punten ten aanzien van het verschoningsrecht, als punten ten aanzien van de geheimhoudingsplicht.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling i.v.m. onterecht beroep op verschoningsrecht als getuige in Passagezaak

Rechtbank Noord-Holland 21 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4476 Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. hij op of omstreeks 14 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij alszodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op (aan) hem gestelde vragen en/of zich (daarbij) ten onrechte beroepen op een / zijn verschoningsrecht;
  2. hij op of omstreeks 2 juni 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op (aan) hem gestelde vragen en/of zich (daarbij) ten onrechte beroepen op een /zijn verschoningsrecht.

Verdachte is op 16 november 2009 door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld voor het medeplegen van moord op Thomas van der Bijl op 20 april 2006 in Amsterdam. Bij arrest van 20 september 2011 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd voor wat betreft de opgelegde straf en voor het overige heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. De veroordeling van verdachte voor het medeplegen van de moord is daardoor onherroepelijk geworden.

Op 14 mei 2014 is verdachte, daartoe rechtsgeldig opgeroepen, als getuige verschenen ter terechtzitting van het gerechtshof te Amsterdam, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, om te worden gehoord in de megazaak “Passage”. Binnen “Passage” is de moord op Van der Bijl en de aanloop naar de moord, een van de zaken.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 mei 2014 verklaard geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en heeft vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Vervolgens heeft verdachte als getuige meermalen verklaard dat hij ten aanzien van alle vragen die hem gesteld worden, zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen. Hij deed dit zowel bij inhoudelijke vragen als ook ten aanzien van de vraag of er andere drempels zijn die maakten dat hij niet wenste te verklaren en de vraag of er de afgelopen tijd iets was voorgevallen ten aanzien van verdachte of één van zijn familieleden. Hij heeft daarbij aangegeven van mening te zijn dat dat recht hem toekomt. Ook nadat de advocaat-generaal hem erop heeft gewezen dat zijn opstelling negatieve gevolgen kan hebben voor zijn voorwaardelijke invrijheidstelling en dat hij in gijzeling kan worden genomen, heeft verdachte aangegeven niet bereid te zijn om nader toe te lichten op grond waarvan hij meent dat hem een verschoningsrecht toekomt.

Op vordering van de advocaat-generaal heeft het hof daarop een bevel tot gijzeling afgegeven, oordelend dat de getuige zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden. Voorts heeft het hof beslist dat de getuige op de terechtzitting van 2 juni 2014 wederom diende te verschijnen teneinde nader te worden gehoord omtrent zijn bereidheid om antwoord te geven op vragen en een datum voor een nader verhoor te bepalen.

Verdachte is op 2 juni 2014 wederom als getuige verschenen ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam, zittingslocatie JCS. Verdachte heeft ook toen verklaard geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en heeft vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij, net als ter terechtzitting van 14 mei 2014, zich ten aanzien van alle vragen zal beroepen op zijn verschoningsrecht. Hij wenste hierop geen enkele nadere toelichting te geven, ook niet na een uiteenzetting van zijn rechten en plichten als getuige en aandringen van het hof. Zijn raadsvrouw, mr. Harlequin, advocaat te Den Haag, heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook niet verplicht is dit nader te motiveren en dat hem een algemeen verschoningsrecht toekomt.

Daarop heeft het hof geoordeeld dat verdachte, die onherroepelijk is veroordeeld in verband met betrokkenheid bij het misdrijf waarover hij zou worden gehoord, geen beroep op enig verschoningsrecht toekomt, nu hij ter toelichting op zijn stelling dat hem een beroep hierop wel toekomt, op geen enkele vraag antwoord heeft willen geven.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich op de terechtzittingen van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2014 en 2 juni 2014 als getuige ten onrechte heeft beroepen op een verschoningsrecht.

De rechtbank neemt daartoe allereerst in aanmerking dat verdachte op die zittingen heeft verklaard dat hij geen bloed- of aanverwant van de verdachten is, zodat hem geen (algemeen) verschoningsrecht op grond van artikel 217 van het wetboek van Strafvordering (Sv) toekomt.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zou worden gehoord over een feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is veroordeeld. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte door het beantwoorden van aan hem gestelde vragen zichzelf nog aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling voor dat feit zou blootstellen. Verdachte zou slechts bepaalde vragen kunnen weigeren te beantwoorden als hij zich daarmee – naar zijn inschatting – aan het gevaar van een andere strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen, maar hiermee komt hem geen algeheel verschoningsrecht toe voor alle vragen.

De rechtbank heeft daarbij oog voor de eventuele problemen die de beantwoording van bepaalde vragen door verdachte in de zaak met zich mee zouden kunnen brengen, maar zolang dit door verdachte niet enigszins nader wordt geconcretiseerd, kan ook een beroep op het verschoningsrecht ex artikel 219 Sv niet slagen.

Voor zover verdachte geen verklaring heeft willen afleggen omdat hij zich zodanig bedreigd acht dat voor zijn leven, gezondheid of veiligheid dan wel voor de ontwrichting van zijn gezinsleven of zijn sociaal-economisch bestaan moet worden gevreesd, merkt de rechtbank op dat ten aanzien van een bedreigde getuige de aparte procedure ex artikel 226a Sv e.v. heeft te gelden. Ook dit is echter door verdachte op geen enkele wijze concreet gemaakt.

Van enig ander verschoningsrecht waarop verdachte een beroep kan doen, is evenmin gebleken.

Verdachte wordt veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 101 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG over verschoningsrecht belastingambtenaren in tipgeverszaak

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 14/05236 naar aanleiding van het beroep in cassatie van twee bij het Hof als getuigen gehoorde belastingambtenaren tegen de afwijzing door (de fungerende voorzitter van) het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van het beroep op een verschoningsrecht dat door de getuigen is gedaan tijdens hun verhoren ter zitting van het Hof op 9 september 2014, als vastgelegd bij proces-verbaal.

De Inspecteur heeft aan erflater aanslagen en navorderingsaanslagen opgelegd vanwege het verzwegen hebben van een Luxemburgse bankrekening. Belanghebbenden, de erven, zijn daartegen opgekomen, stellende dat zo een bankrekening er niet is geweest.

De Belastingdienst is op de hoogte gekomen van de (vermeende) bankrekening via een tipgever. Die tipgever heeft tegen geldelijke vergoeding door de Belastingdienst (tipgeld) informatie over een aantal buitenlandse bankrekeningen aan de Belastingdienst gegeven. Dat is gedaan onder de tussen partijen overeengekomen voorwaarde dat de identiteit van de tipgever niet bekend wordt gemaakt.

Ter zitting in hoger beroep bij het Hof zijn twee door de Inspecteur meegebrachte belastingambtenaren als getuigen gehoord. Met een beroep op hun wettelijke geheimhoudingsplicht ingevolge artikel 67 AWR en het daaraan door hen, als gesteld, ontleende verschoningsrecht, hebben de getuigen desgevraagd geweigerd de, bij hen bekende, naam van de tipgever te noemen.

Nadat de voorzitter de getuigen erop had gewezen dat hun volgens het Hof geen verschoningsrecht toekwam en zij dus tot antwoorden verplicht waren, heeft een van de getuigen verklaard dat hij geen mededeling mocht doen op instructie van het Ministerie van Financiën.

Thans stellen de getuigen in cassatie dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld: (i) dat zij verplicht zijn te antwoorden op vragen naar de naam van de tipgever, (ii) dat onherroepelijk vaststaat dat de naam van de tipgever vrijgegeven kan en moet worden en (iii) dat aan hen terzake geen verschoningsrecht toekomt.

In deze cassatieprocedure doet zich ten eerste de processuele bijzonderheid voor dat dit beroep in cassatie niet, als gebruikelijk, is gericht tegen de (eind)uitspraak van het Hof, maar tegen een eerder in de Hofprocedure genomen (tussen)beslissing, als vastgelegd bij proces-verbaal van de zitting. Een tweede processuele bijzonderheid is dat dit beroep in cassatie niet, als gebruikelijk, is ingesteld door de Staatssecretaris of door de belanghebbende, maar door getuigen die zijn gehoord bij het Hof.

Een en ander roept de processuele voorvraag op of dit beroep in cassatie ontvankelijk te achten is. De A-G richt zich in deze conclusie met name op die vraag.

De A-G meent dat uit de wetgeving en wetsgeschiedenis blijkt dat in belastingzaken de rechtsmiddelen van hoger beroep en beroep in cassatie alleen open staan tegen einduitspraken. Als zodanig is volgens de A-G niet aan te merken de ter zitting meegedeelde (tussen)beslissing van het Hof dat door de getuigen geen beroep kan worden gedaan op een verschoningsrecht en dat zij verplicht zijn om te antwoorden. Dat betekent zijns inziens dat het onderhavige beroep in cassatie reeds deswege niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Daarbij komt volgens de A-G nog dat het belasting(proces)recht, anders dan het civiele recht, een gesloten stelsel van rechtsbescherming kent. Dat gesloten stelsel behelst mede een beperking tot de subjecten die bezwaar of beroep kunnen instellen. De A-G merkt op dat getuigen niet in de wet worden genoemd als bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie.

Verder wijst de A-G erop dat in het belastingprocesrecht de rechtsmiddelen van bezwaar, beroep en volgende wettelijk ook zijn opengesteld voor bepaalde specifiek genoemde derden-belanghebbenden. Voor een getuige bestaat thans niet een dergelijke wettelijke uitzondering.

De A-G betwijfelt of het op de weg van de Hoge Raad zou liggen voor gehoorde getuigen een eigen buitenwettelijke beroepsmogelijkheid te creëren binnen de fiscale procedure. Daarbij speelt mee dat de wetgever specifieke bezwaar- en beroepsmogelijkheden kennelijk alleen heeft willen geven aan derden-belanghebbenden, zoals de echtgenoot, die anders dan het geval is bij getuigen, een eigen financieel belang kunnen hebben bij de materieel fiscale uitkomst van een bepaalde belastingprocedure. Volgens de A-G ligt het weinig in de rede dat de rechter zou overgaan tot uitbreiding van beroepsmogelijkheden buiten het gesloten stelsel van fiscale rechtsgangen in een richting die de wetgever zelf kennelijk niet is ingegaan.

Voorts merkt de A-G op dat het Hof in casu niet de weigerachtige getuigen in gijzeling had kunnen stellen teneinde hen alsnog te bewegen om de naam van de tipgever prijs te geven alleen al omdat daartoe van de kant van belanghebbenden geen verzoek is ingediend, nog afgezien van de discretionaire bevoegdheid van de rechter ter zake. Langs die weg kan het dus niet of vrijwel niet komen tot een door getuigen aanhangig gemaakt kort geding of enige andere procedure strekkende tot opheffing van hun gijzeling wegens een (vermeend) terecht gedaan beroep op een verschoningsrecht. Overigens is in belastingprocedures, voorzover de A-G weet, nog nooit de gijzeling van een weigerachtige getuige bevolen.

De A-G acht het onderhavige beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De vraag of aan deze belastingambtenaren ter zake van bekendmaking van de naam van de tipgever verschoningsrecht toekomt, zal de A-G inhoudelijk behandelen in een komende conclusie inzake het cassatieberoep van de getuigen tegen de (eind)uitspraak van het Hof.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de getuigen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^