Artikel: De strafbaarheid van de spotter

In 1994 werd in artikel 46 Sr een algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen ingevoerd. De bepaling stelt straf op de voorbereiding van delicten waarop een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Aanleiding voor de invoering van de strafbaarstelling vormden problemen bij de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit. Voorbereidingsgedragingen waren voor 1994 nauwelijks strafbaar gesteld, waardoor de politie veelal pas strafvorderlijk kon optreden wanneer sprake was van een begin van uitvoering van het delict. De politie bevond zich door deze leemte geregeld in een spagaat: vroeg ingrijpen in een verdachte situatie leidde tot straffeloosheid van de voorbereiders, terwijl later ingrijpen kon leiden tot onaanvaardbare maatschappelijke risico’s.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Cryptocriminaliteit

Onlangs is de hoofdverdachte in de strafzaak ‘Panter’ in eerste aanleg berecht en veroordeeld. In deze zaak draaide het om afpersingspogingen en aanslagen op een fruitbedrijf. De terreur waaraan het fruitbedrijf was onderworpen, heeft met enige regelmaat aandacht gekregen in de media vanwege de ernst van de feiten en het aanhoudende karakter ervan. Aanleiding voor dit alles was de vondst van een grote hoeveelheid cocaïne tussen een lading fruit, waarvan melding werd gemaakt bij de opsporingsautoriteiten. Personen betrokken bij het fruitbedrijf werden in de daaropvolgende periode bestookt met dreigende berichten waarin een vergoeding werd geëist voor het geleden verlies als gevolg van de ontdekking van de cocaïne. Hoewel deze afpersing zich in eerste instantie richtte op de betaling van contant geld, werd al snel overgegaan tot de eis van betaling in bitcoin.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: De vervolging gevolgd

Bij de invoering van ons huidige Wetboek van Strafvordering kreeg de fase van de vervolging een prominente positie. Die positie kreeg deze fase omdat de vervolging van oudsher sterk verbonden was met de rechtsbescherming van de verdachte. Ondanks die centrale positie en de relatie met de rechtsbescherming van de verdachte, is het de wetgever destijds niet gelukt de vervolging in het Wetboek van Strafvordering scherp af te bakenen. De poging om in artikel 136 ORO een vervolgingsbegrip te formuleren, werd uiteindelijk zonder succes afgeblazen. Daarmee liet de wetgever van 1926 de betekenis van de vervolging over aan de rechtspraktijk en wetenschap. Bij de huidige modernisering van het Wetboek van Strafvordering neemt de minister het heft echter (weer) in handen. Vanwege de centrale positie van de vervolging en de daaraan verbonden rechtsbescherming is diens conclusie evenwel opmerkelijk te noemen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Publiek-private samenwerking bij strafrechtelijke rechtshandhaving

‘Bedrijfsleven wil wetgeving om zelf fraude aan te pakken’ kopte het Financieele Dagblad op 13 januari 2022. Het bedrijfsleven heeft het idee om een cross-sectorale database op te zetten waarin fraudegevallen geregistreerd worden. Door gegevens uit die database uit te wisselen, zouden bedrijven fraude zelf effectiever kunnen aanpakken. Een vergelijkbaar systeem bestaat al ­jaren in het Verenigd Koninkrijk en zou daar voor miljarden aan schade hebben voorkomen. Op dezelfde dag dat het hiervoor genoemde krantenartikel verscheen, diende bij het Gerechtshof Den Haag het hoger beroep in een drietal zaken dat onderdeel uitmaakte van de ­zogenaamde ‘Proeftuin verzekeringsfraude’. Kern van ­deze Proeftuin verzekeringsfraude is dat het Openbaar ­Ministerie van verzekeringsmaatschappijen ‘panklare’ dossiers ontvangt over zaken van verzekeringsfraude, op basis waarvan het Openbaar Ministerie verdachten voor de rechter brengt. In eerste aanleg keurde de rechter deze werkwijze af: de officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat vervolging ingesteld was op basis van feitenonderzoek dat niet door politie en het Openbaar Ministerie zelf was verricht.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: De rechtspositie van de rechtspersoon in het bestraffend publiekrecht

Rechtspersonen zijn vanaf de twintigste eeuw een steeds belangrijkere rol gaan spelen in onze samenleving. Inmiddels zijn zij doorgedrongen tot alle facetten van het dagelijks leven en hun belang als sociale actoren is op een aantal terreinen velen malen groter dan dat van individuen. De toegenomen maatschappelijke relevantie van rechtspersonen heeft geleid tot een zoektocht naar mogelijkheden om te bewerkstelligen dat relevante wet- en regelgeving ook op rechtspersonen van toepassing is, en dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van overtreding van die wet- en regelgeving. Het strafrecht en het bestraffend bestuursrecht – tezamen aangeduid als het bestraffend publiekrecht – spelen daarin inmiddels een belangrijke rol, maar dat is een relatief recent verschijnsel. De korte geschiedenis van de rechtspersoon in het strafrecht en de stormachtige ontwikkelingen in het bestraffend ­bestuursrecht dragen eraan bij dat er diverse vragen bestaan omtrent de rechtspositie van de rechtspersoon in het ­bestraffend publiekrecht. In die openstaande vragen is de aanleiding voor, en relevantie van het onderzoek gelegen.

Read More
Print Friendly and PDF ^