Veroordeling wegens Bijstandsfraude

Gerechtshof Amsterdam 28 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3984

Verdachte heeft jarenlang nagelaten aan DWI te melden dat zij -naast haar uitkering- de beschikking had over twee bankrekeningen en dat daarop inkomsten werden gestort voor werkzaamheden betaald uit het Persoonsgebonden Budget van haar zoon. Hierdoor is het voor DWI onmogelijk geweest, met inachtneming van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden, het recht van de verdachte op een uitkering dan wel de juiste hoogte of duur hiervan te bepalen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep begrijpt het hof dat de verdachte bedoeld heeft het verweer te voeren dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat gebruik is gemaakt van ongeoorloofde opsporingsmethodes in het onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI), waardoor zij in ernstige mate in haar belangen is geschaad.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat het DWI - laat staan opsporingsambtenaren dan wel ambtenaren van het Openbaar Ministerie - doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft gehandeld, waardoor aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. Het hof verwerpt het verweer.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De tenaamstelling van rekeningnummers

De verdachte heeft verklaard dat de ING-rekening met rekeningnummer 2 wel op haar naam stond, maar dat dit is te wijten aan een fout van de ING-bank. De ING-bank had die rekening op naam van haar zoon verdachte moeten zetten en dat is niet gebeurd. In plaats daarvan is de rekening aanvankelijk op naam van de verdachte gezet, waarna de bank dit nadien heeft gewijzigd in een “en/of”-rekening van de verdachte met zoon verdachte als mederekeninghouder. De verdachte meent dat haar dit niet valt te verwijten. Een zelfde situatie heeft zich volgens de verdachte voorgedaan ten aanzien van de ABN AMRO-rekening met rekeningnummer 1. Ook deze rekening had op naam van zoon verdachte moeten worden gezet.

Het hof overweegt met betrekking tot de tenaamstellingen van opgenoemde bankrekeningen het navolgende. Het hof acht het zeer onwaarschijnlijk dat zowel de ABN AMRO-bank als de ING-bank een fout heeft gemaakt met betrekking tot de tenaamstelling van voornoemde bankrekeningnummers. Het hof constateert dat voornoemde ING-rekening aanvankelijk bijna twee jaar slechts op naam van de verdachte heeft gestaan, waarna dit tussen 17 april 2008 en 15 mei 2008 is gewijzigd in een zogeheten “en/of rekening” ten name van de verdachte en haar zoon verdachte. Een dergelijke wijziging kan slechts plaatsvinden in opdracht van de rekeninghouder. Dat de bank toen wederom een fout zou hebben gemaakt komt het hof zeer onwaarschijnlijk voor. Dit geldt te meer daar de verdachte de tenaamstelling “en/of rekening” in stand heeft gelaten terwijl er nadien ten aanzien van deze rekening nog steeds transacties door de verdachte zijn verricht.

Ten aanzien van de gestelde fout aan de kant van de ABN AMRO-bank overweegt het hof dat deze stelling in strijd is met de door de verdachte afgelegde verklaringen bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij deze rekening heeft geopend zodat zij daarop geld voor haar zoon verdachte kon sparen omdat hij niet goed met geld kon omgaan. Ook ten aanzien van deze rekening geldt dat de verdachte de tenaamstelling op haar naam in stand heeft gelaten.

Het vermogen op bankrekeningen met de bankrekeningnummers 2 en 1

De verdachte heeft verklaard dat de bankrekening met rekeningnummer 1 weliswaar op haar naam staat, maar dat het geld dat daarop werd gestort van haar zoon verdachte is. De verdachte heeft betoogd dat hetzelfde geldt voor het geld dat op bankrekening rekeningnummer 2 werd gestort. Ook dit vermogen behoorde zoon verdachte toe. Dientengevolge kon de verdachte hier naar eigen zeggen niet over beschikken.

Het hof verwijst evenals de rechtbank naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene, dit de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Dit heeft te gelden tenzij aannemelijk wordt dat het tegendeel het geval is.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte niet over de tegoeden op voornoemde bankrekeningen kon beschikken. Uit het dossier en uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat zij wel degelijk over genoemde tegoeden kon beschikken en beschikte. Uit de bankafschriften van de bankrekening met rekeningnummer 1 blijkt dat in de ten laste gelegde periode regelmatig contant geld op deze rekening werd gestort. Uit de bankafschriften van de ING-rekening met rekeningnummer 2, met de verdachte als enig rekeninghouder, blijkt dat zij ook meermalen transacties met deze rekening heeft verricht. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij het Persoonsgebonden Budget (het zogenaamde PGB) van de rekening van haar zoon verdachte opnam en dit geld vervolgens op een andere rekening stortte. Of het geld nu feitelijk aan haar zoon verdachte toebehoorde of aan de verdachte doet niet ter zake, nu de verdachte als heer en meester over die gelden kon beschikken.

De mededeling van de bijstandsconsulent

De verdachte heeft gesteld dat een bijstandsconsulente werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) haar heeft medegedeeld dat zij mocht sparen voor haar zoons en dat zij zulks niet behoefde op te geven bij DWI.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Wat er ook zij van een mondelinge mededeling gedaan door een medewerkster van DWI, uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de verdachte bekend was met de op haar rustende verplichting om veranderingen in haar financiële situatie bij DWI te melden. Dat zij bekend was met deze verplichting volgt tevens uit de aan de verdachte geadresseerde rectificatie van het besluit van 9 mei 2008 dat haar op 26 mei 2008 is toegezonden en waarin in het kader van de op de verdachte rustende inlichtingenplicht op een drietal verplichtingen wordt gewezen onder andere de verplichting om DWI onmiddellijk te informeren als iets in de omstandigheden van de verdachte verandert wat invloed kan hebben op haar arbeidsinschakeling of uitkering, zoals onder andere een wijziging in haar inkomsten of vermogen.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op: in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Uitspraken in beroepen boetes WW- en bijstandszaken

Op 19 december 2014 heeft de rechtbank Rotterdam een aantal uitspraken gedaan over boeteoplegging in het kader van de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij het gaat om zogenoemde 100%-boetes op grond van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. De rechtbank volgt in deze zaken het toetsingskader uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014. In de meeste gevallen komt de rechtbank tot een matiging van het boetebedrag.

WW. Een boete van bijna € 15.000, waarbij sprake was opzettelijk verzwijgen van werkzaamheden, heeft de rechtbank gematigd tot € 7.500, omdat de opgelegde boete in absolute zin hoog is, omdat betrokkene daarnaast al hetzelfde bedrag moet terugbetalen, en omdat betrokkene een uitkeringsgeschiedenis heeft.

Klik hier voor de uitspraak.

WW. Een boete van € 8.795 wordt omgezet in een waarschuwing, omdat het niet tijdig melden van een voor betrokkene gunstig vonnis niet tot een benadeling van het UWV heeft geleid.

Klik hier voor de uitspraak.

WW. Een boete van ruim € 12.500 wegens onvolledige urenopgave en het na ziekte niet melden van werkzaamheden wordt gematigd tot € 4.000, omdat geen sprake is van opzet of grove schuld en ook de omstandigheden van betrokkene en zijn gezin aanleiding zijn voor matiging van de boete.

Klik hier voor de uitspraak.

WWB. Een bestuurlijke boete van ruim € 650 wegens het niet melden werkzaamheden blijft in stand.

Klik hier voor de uitspraak.

WWB. Een boete van ruim € 5.000 voor een echtpaar wegens het in eerste instantie door de vrouw verzwijgen van drie bankrekeningen wordt onder meer vanwege het ontbreken van opzet, de bijzondere persoonlijke omstandigheden van het echtpaar, en de aanvankelijke onwetendheid van de man gematigd tot € 1.500 voor de vrouw en € 150 voor de man. De rechtbank overweegt ook dat toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten niet mag leiden tot een hogere boete dan die volgens de WWB maximaal kan worden opgelegd.

Klik hier voor de uitspraak.

WWB. Een boete van € 8.730 wegens het verzwijgen van een woning in Turkije, wordt gematigd tot € 4.000, omdat er geen sprake is van opzet maar van grove schuld, en omdat sprake is van bijkomende omstandigheden die tot boetematiging leiden.

Klik hier voor de uitspraak.

WWB. Een boete van bijna € 8.000,-- wegens het niet opgeven van een andere uitkering wordt gematigd tot € 2.500, omdat geen sprake is van opzet of grove schuld, en omdat er onder meer sprake is van gezinsproblematiek. De rechtbank volgt niet het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland van 26 augustus 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:3785) over de inwerkingtreding van het Boetebesluit socialezekerheidswetten voor de bijstandswetgeving; het Boetebesluit socialezekerheids¬wetten is ook voor de WWB op 1 januari 2013 in werking getreden.

Klik hier voor de uitspraak.

WWB. Een boete van ruim € 23.000 wegens het niet opgeven van structurele stortingen op drie bankrekeningen wordt gematigd tot € 1.990, omdat de overtreding deels is begaan vóór 2013, toen een boete maximaal 10% van het benadelingsbedrag kon zijn, omdat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat met de niet opgegeven stortingen schulden zijn afgelost, vanwege de hoogte van het terug te betalen bedrag en de zorg voor een kind. Het Boetebesluit socialezekerheidswetten is naar het oordeel van de rechtbank ook voor de WWB op 1 januari 2013 in werking getreden.

Klik hier voor de uitspraak.

Meer weten over punitieve sancties in sociale zekerheidswetten? Kom dan op donderdag 29 januari 2015 naar de Cursus Handhaving van Sociale Zekerheidsfraude.
Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Verweer uitkeringsfraude verworpen

Gerechtshof Amsterdam 4 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4572

Het hof acht, evenals de politierechter, bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode een uitkering ontvangen, zonder aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) door te geven dat zij in die periode een vermogen had, bestaande uit onroerend goed en een voertuig, dat zij was getrouwd en dat zij voor langere tijd in Marokko verbleef. Door die gegevens niet door te geven aan DWI heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden.

De stelling van de verdachte dat zij niet wist of vermoedde dat zij deze gegevens aan DWI dan wel de Sociale Dienst te Amsterdam (SD) moest verstrekken, acht het hof niet geloofwaardig. Het hof overweegt in dit verband dat het een feit van algemene bekendheid is dat de bijstandsuitkering als laatste vangnet fungeert voor een ieder die niet bij machte is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Dat van degene die een beroep op die uitkering doet wordt verwacht dat hij of zij inzage geeft in zijn of haar financiële positie, is evident. Te meer daar het vanzelf spreekt dat veranderingen in de financiële positie van degene die een uitkering ontvangt, door het vergaren van een vermogen dan wel door een huwelijk, gevolgen hebben voor de vaststelling van het recht op verstrekking dan wel voor de hoogte en duur van die verstrekking. Het vorenstaande geldt evenzeer ten aanzien van het door verdachte niet opgegeven verblijf in het buitenland.

Het hof betrekt daarbij de verklaring van de verdachte dat het haar bekend was dat zij vermogen in Nederland aan DWI moest opgeven, en haar verklaring dat zij heeft nagelaten toestemming te vragen aan DWI om naar het buitenland te gaan.

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren verricht, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen.

Het hof is, met de politierechter, van oordeel dat het langdurig misbruik maken van de sociale voorzieningen een ernstig feit oplevert waarop met de oplegging van een gevangenisstraf dient te worden gereageerd. Het hof acht het, gelet op het huidige verblijf in het buitenland van de verdachte niet opportuun de verdachte, zoals de politierechter heeft gedaan, tevens een taakstraf op te leggen. Gelet daarop acht het hof een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Boetes voor fraude met uitkeringen aangepast

De hoogte van de boetes voor fraude met uitkeringen wordt aangepast. Voortaan zullen UWV, SVB en gemeenten overtredingen beoordelen op de ernst van de overtreding en de omstandigheden en meer rekening houden met de verwijtbaarheid van de ontvanger van een uitkering. Dit heeft het kabinet besloten naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en in reactie op het onderzoek van de Ombudsman. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurt vandaag een brief aan de Tweede Kamer waarin hij de wijziging van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) aankondigt.

Er wordt alleen nog een boete van 100 procent van het gefraudeerde bedrag opgelegd als er met opzet is gefraudeerd. Bij grove schuld volgt een boete van 75 procent. In de overige gevallen bedraagt de boete 50 procent van het gefraudeerde bedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid is de boete 25 procent van dit bedrag. De ten onrechte ontvangen uitkering moet altijd worden terugbetaald. De minimumboete van 150 euro vervalt en UWV, SVB en gemeenten kunnen, als de wet is aangepast, in meer situaties een waarschuwing geven. De uitspraak geldt voor nieuwe en lopende zaken. Dit zijn zaken die nog niet beboet zijn, waar tegen mensen in bezwaar of beroep zijn gegaan of die mogelijkheid nog hebben. De gewijzigde boetes gingen vanaf 24 november j.l. in. Op deze dag deed de Centrale Raad van Beroep zijn uitspraak.

Het doel van de wet verandert niet. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om fraudeurs aan te pakken zodat de sociale voorzieningen bij diegenen terecht komen die dit het hardst nodig hebben. Minister Asscher zoekt nog uit welke financiële gevolgen de aanpassing van de wet heeft. Het kabinet voorzag eerder een besparing van 140 miljoen euro bij de invoering van de Fraudewet.

Bron: Rijksoverheid

Meer weten over de aanpak van uitkeringsfraude? Kom op 29 januari 2015 naar de Cursus Handhaving van Sociale Zekerheidsfraude. Tijdens deze cursus staan recente ontwikkelingen centraal en komende onder meer de bevoegdheden van de toezichthouders sociale zekerheidswetgeving en opsporingsambtenaren uitgebreid aan bod. 

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht bijstandsfraude

Hoge Raad 3 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489

De verdachte is bij vonnis van 29 mei 2013 door de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 1 november 2007 en 28 maart 2008 tot en met 2 juni 2008 en 16 september 2008 tot en met 2 november 2011, te IJsselstein, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet werk en bijstand, door middel van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Wet werk en bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte."

Met betrekking tot de bewijsvoering houdt het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank het volgende in:

"4.3.1 De bewijsmiddelen

[betrokkene] heeft in de volgende periodes een uitkering ingevolge de Wet Werk en bijstand(hierna: WWB) ontvangen van de gemeente IJsselstein:

  • 10 augustus 2004 tot en met 1 november 10 mei 2007;
  • 28 maart 2008 tot en met 2 juni 2008;
  • 16 september 2008 tot en met 2 november 2011.

In de brief waarin de gemeente IJsselstein [betrokkene] met ingang van 10 augustus 2004 een WWB-uitkering heeft toegekend staat vermeld dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering. Tot deze verplichtingen worden gerekend wijzigingen in de gezinssituatie en de financiële situatie.

In de brieven waarin de gemeente IJsselstein [betrokkene] met ingang van 28 maart 2008 en met ingang van 16 september 2008 een WWB-uitkering heeft toegekend staat eveneens vermeld dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering.

[betrokkene] staat sinds 28 mei 2004 ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [a-straat] in IJsselstein.

Gedurende de periode van augustus 2004 tot en met december 2005 heeft [betrokkene] op de rechtmatigheidsformulieren Abw/WWB van de gemeente IJsselstein ingevuld dat haar echtgenoot in hoofdzaak niet op haar adres aan de [a-straat] te IJsselstein verbleef.

In de periode van februari 2006 tot en met 30 november 2007 heeft [betrokkene] op mutatieformulieren van de gemeente IJsselstein ingevuld dat de woon/gezinssituatie niet was gewijzigd.

In de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 november 2011 heeft [betrokkene] op de mutatieformulieren van de gemeente IJsselstein ingevuld dat er geen wijzigingen haar persoonlijke omstandigheden waren opgetreden, noch in de persoonlijke omstandigheden van haar partner.

[betrokkene] heeft op al voormelde formulieren telkens ingevuld dat haar vermogen niet is toegenomen.

De motorvoertuigen met de volgende kentekens hebben op naam van [betrokkene] gestaan:

  • [001] in de periode van 17-03-2004 tot en met 09-12-2004;
  • [002] in de periode van 03-02-2005 tot en met 04-05-2005;
  • [003] in de periode van 15-09-2005 tot en met 11-11-2005;
  • [004] in de periode van 12-04-2007 tot en met 19-07-2007;
  • [005] in de periode van 29-05-2007 tot en met 30-07-2007;
  • [006] in de periode van 22-08-2007 tot en met 07-02-2008;
  • [007] in de periode van 09-11-1987 tot en met 14-12-2008;
  • [008] in de periode van 05-03-2009 tot en met 02-12-20109.

[betrokkene] heeft op 2 november 2011 tegenover de sociale recherche verklaard dat [verdachte] nooit helemaal bij haar is weggegaan en dat hij bij haar sliep. [verdachte] ging de afgelopen zeven jaar naar een andere vrouw maar sliep meestal bij [betrokkene]. Hij was bij [betrokkene] om te helpen met de kinderen. [verdachte] was het grootste gedeelte van de week bij [betrokkene]. De post en boetes werden op het adres van [betrokkene] bezorgd. De kleding van [verdachte] lag in haar woning en zij deed de was voor hem. [verdachte] had een sleutel van de woning van [betrokkene]. [betrokkene] heeft elke maand gemeentebriefjes ingevuld. Zij werd hierbij soms geholpen door de sociale dienst. Daarbij werd het formulier voorgelezen.

[betrokkene] had de auto met kenteken [001] toen ze een bijstandsuitkering ontving. De auto's met de kentekens [002], [003], [004], [006] heeft [betrokkene] gekocht. De auto met het kenteken [008] heeft ze van [verdachte] gekregen. [verdachte] woonde in mei 2007 bij [betrokkene].

[verdachte] heeft op 2 november 2011 bij de sociale recherche verklaard dat hij bij [betrokkene] woonde. Vanaf 2006 was hij bij een andere vrouw maar ging hij tussendoor naar [betrokkene]. Hij zorgde ervoor dat [betrokkene] geld had. Hij betaalde alles voor haar en hun kinderen. Met de uitkering van [betrokkene] werden de huur en de vaste lasten betaald. [verdachte] deed dit al tien of vijftien jaar. [betrokkene] redde het financieel niet met haar uitkering. Er kwamen bekeuringen en ook andere post van [verdachte] op het adres van [betrokkene]. [verdachte] had een sleutel van de woning van [betrokkene]. Zijn kleding lag in de slaapkamer van die woning.

4.3.2

De bewijsoverwegingen

De rechtbank deelt de mening van de raadsman niet dat geen sprake van een duurzame gezamenlijke huishouding is geweest. De rechtbank heeft hierbij met name gelet op de verklaringen die [betrokkene] en [verdachte] bij de sociale recherche hebben afgelegd. [verdachte] sliep meestal bij [betrokkene] en had zijn kleding in de slaapkamer van de woning van [betrokkene] liggen. Hij had een sleutel van die woning. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat de huur en vaste lasten van de uitkering van [betrokkene] werden betaald en dat [verdachte] verder alles voor haar en de kinderen betaalde. Gelet op laatstgenoemde verklaring verwerpt de rechtbank eveneens de stelling van de raadsman dat [verdachte] geen opzet heeft gehad op het voordeel trekken uit door uitkeringsfraude verkregen geld."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde opzettelijk voordeel trekken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsvoering heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en betrokkene in de tenlastegelegde periodes feitelijk samenwoonden in IJsselstein en dat de verdachte aldus gebruik maakte van het geld van betrokkene dat werd besteed aan dit huishouden, maar de bewijsvoering houdt niets in waaruit kan volgen dat de verdachte wist dat betrokkene niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand, dat zij aldus onjuiste gegevens had verstrekt en op grond van die gegevens een uitkering had genoten en dat derhalve sprake was van geld dat door misdrijf was verkregen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over de aanpak van uitkeringsfraude? Kom op 29 januari 2015 naar de Cursus Handhaving van Sociale Zekerheidsfraude. Tijdens deze cursus staan recente ontwikkelingen centraal en komende onder meer de bevoegdheden van de toezichthouders sociale zekerheidswetgeving en opsporingsambtenaren uitgebreid aan bod. 

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^