Verdachte heeft als ambtenaar van de gemeente Den Haag diverse giften aangenomen en gevraagd

Rechtbank Den Haag 14 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2015:16051 Verdachte heeft als ambtenaar van de gemeente Den Haag diverse giften aangenomen en gevraagd van een eigenaar van een bedrijf in groenvoorzieningen dat regelmatig opdrachten uitvoerde voor de gemeente die door verdachte werden gegund. De totale waarde van de door de rechtbank vastgestelde giften aan verdachte en diens zuster bedraagt ongeveer €35.000 in een periode van ongeveer drie jaar. Verdachte heeft voorts enkele facturen vervalst. Ook heeft hij een valse factuur in zijn eigen administratie gebruikt om als echt te dienen.

Aanleiding

Op 28 november 2011 heeft de Rijksrecherche een anonieme brief ontvangen waarin als afzender is vermeld “een bezorgde Hagenaar”. In de brief uit de schrijver de verdenking van mogelijke corruptie door een ambtenaar van de gemeente Den Haag, te weten verdachte.

Verdachte zou volgens de briefschrijver een levensstandaard hebben die niet past bij zijn betrekking als gemeenteambtenaar. Voorts maakt de schrijver melding van het feit dat verdachte in augustus 2011 een Mercedes E220 met het kentekennummer auto verdachte heeft gekocht, welke auto volgens de schrijver al gauw €65.000 zou kosten. Opvallend is volgens de schrijver dat genoemde Mercedes in april 2011 nieuw is aangeschaft door betrokkene 1 van het bedrijf betrokkene 2.

Na onderzoek door de Rijksrecherche bleek dat verdachte inderdaad deze Mercedes en twee caravans op zijn naam heeft staan. Eén van de caravans zou een waarde van rond de €27.950 hebben.

Voorts bleek dat voornoemde Mercedes op 18 april 2011 voor het eerst op naam is gesteld en wel op naam van betrokkene 2. Op 5 augustus 2011 werd de Mercedes geregistreerd op naam van een Mercedes dealer te Naaldwijk en vervolgens – twee minuten later – op naam van verdachte.

Door de Rijksrecherche was in maart 2011 reeds een onderzoek gestart onder onderzoeksnaam 1. Tijdens dat onderzoek is de verdenking ontstaan dat een ambtenaar bij de gemeente Den Haag, medeverdachte 2, zich heeft laten omkopen door betrokkene 1 / betrokkene 2.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is het onderzoek “onderzoeksnaam 2” gestart.

Gedurende het onderzoek is gebleken dat verdachte in zijn functie als ambtenaar van de gemeente Den Haag diverse opdrachten op het gebied van groenvoorziening heeft gegund aan betrokkene 1 / betrokkene 2. Tevens is de verdenking gerezen dat verdachte diverse luxe privégoederen en diensten heeft ontvangen welke zijn betaald door betrokkene 2, dan wel door betrokkene 1.

Verdachte wordt er thans van verdacht dat hij – kort samengevat – als ambtenaar van de gemeente Den Haag – giften en diensten heeft aangenomen en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Rechtmatigheid van het voorbereidende onderzoek

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van ernstige vormverzuimen in het opsporingsonderzoek zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

Daartoe is aangevoerd dat de anonieme brief van 28 november 2011 op geen enkele wijze een basis kon zijn voor het opstarten van een opsporingsonderzoek.

Naar de mening van de verdediging kan uit de informatie in de anonieme brief niet een redelijk vermoeden van schuld gedestilleerd worden. Gelet hierop heeft het openbaar ministerie ten onrechte een grootschalig onderzoek tegen de verdachte gestart

Voorts heeft de verdediging geen toegang gekregen tot de gehele inhoud van het zaaksdossier onderzoeksnaam 1, terwijl dit dossier relevant is voor de verdere verdenking jegens de verdachte. Tevens is de verdediging niet in de gelegenheid gesteld bij de diverse getuigenverhoren van de ambtenaren van de gemeente Den Haag aanwezig te zijn terwijl de processen-verbaal van die verhoren wel in het dossier van verdachte zijn gevoegd.

Door de handelswijze van het openbaar ministerie is verdachte benadeeld in zijn verdedigingspositie en op onherstelbare wijze geschaad in zijn rechten. Subsidiair heeft de verdediging bewijsuitsluiting van al hetgeen is verkregen uit het opsporingsonderzoek verzocht. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht bij de eventuele strafmaat rekening te houden met de onregelmatigheden in het onderzoek.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen. Hij heeft daarbij verwezen naar het proces-verbaal van verdenking jegens verdachte, waaruit een redelijk vermoeden van schuld tegen verdachte afgeleid kan worden.

Het zaaksdossier “ onderzoeksnaam 1 ” is niet van belang omdat verdachte niet voorkomt in dat onderzoek.

Met betrekking tot de getuigenverklaringen van de gemeenteambtenaren stelt de officier van justitie dat door de verdediging niet is verzocht om deze getuigen te horen. Ook heeft de verdediging op de vraag van de rechter-commissaris of zij zich wil aansluiten bij deze getuigenverhoren, geen reactie gegeven.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank bestond ten tijde van de start van het onderzoek onderzoeksnaam 2 voldoende verdenking tegen verdachte dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan – kort samengevat – ambtelijke corruptie. De rechtbank verwijst naar het proces-verbaal van verdenking van 15 februari 2012. Daaruit blijkt dat niet alleen de anonieme brief uit november 2011 aan de basis stond van het onderzoek maar ook diverse andere onderzoeksgegevens, waardoor informatie uit de anonieme brief werd bevestigd. De rechtbank verwijst naar het onderzoek bij de RDW naar het aantal voertuigen dat verdachte op zijn naam had staan, en het onderzoek naar de tenaamstelling van de Mercedes die in de anonieme brief werd genoemd. In samenhang met de informatie uit het onderzoek “ onderzoeksnaam 1 ” waarin het vermoeden was ontstaan dat betrokkene 1, dan wel betrokkene 2 zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping van de ambtenaar medeverdachte 2, kon naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden een opsporingsonderzoek worden gestart. Op het moment dat BOB-middelen werden ingezet, bestond daarvoor voldoende redelijke verdenking.

Voorts ziet de rechtbank in het feit dat het dossier “ onderzoeksnaam 1 ” niet aan de verdediging is verstrekt, geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Verdachte komt niet in dat dossier voor – en niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze in zijn verdediging is geschaad.

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de omstandigheid dat de verdediging niet aanwezig is geweest bij de getuigenverhoren van de ambtenaren van de gemeente Den Haag nu niet gebleken is dat de verdediging daar om heeft verzocht.

Derhalve is niet komen vast te staan dat in het voorbereidende onderzoek vormen zijn verzuimd. Aan de door de verdediging bepleite toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering – in welke vorm ook: hetzij niet-ontvankelijkheid van het openbare ministerie, hetzij bewijsuitsluiting, hetzij strafvermindering – komt de rechtbank dan ook niet toe.

Het gevoerde verweer wordt verworpen.

Geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig dient te worden verklaard, aangezien de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en onvoldoende specifiek is. De aan verdachte verweten gedragingen zijn vaag en voor meerdere interpretaties vatbaar omschreven. Onduidelijk is aldus waar verdachte zich precies tegen moet verweren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen. Naar zijn mening is de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 voldoende duidelijk en wist verdachte goed waartegen hij zich moet verdedigen. Volgens hem is dit tijdens het onderzoek ter zitting, waar verdachte een verklaring heeft afgelegd, gebleken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Naar haar oordeel voldoet de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 aan de eisen zoals in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gesteld. Voorts is tijdens het onderzoek ter terechtzitting op generlei wijze gebleken dat bij verdachte sprake was van verwarring of onduidelijkheid met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde.

De dagvaarding is mitsdien geldig.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zoals verwoord in zijn schriftelijke requisitoir – de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen geacht. Hij heeft – kort samengevat – zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte alle onder a) tot en met g) ten laste gelegde giften of diensten, met uitzondering van het aandragen als koper bij de koop van de Mercedes Benz, van betrokkene 1 heeft ontvangen en dat hij de onder i) en ii) ten laste gelegde ambtshandelingen heeft gepleegd. Volgens de officier van justitie kan uit de verklaringen van verdachte en van betrokkene 1 afgeleid worden dat zowel verdachte als betrokkene 1 wisten dat de giften aan verdachte werden gedaan omwille van werk dat door verdachte gegund werd aan betrokkene 1 en zijn bedrijf betrokkene 2. Hiermee heeft verdachte naar zijn mening ook in strijd met zijn ambtsplicht gehandeld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist dat betrokkene 1 de giften aan hem verstrekte met het oog op een door verdachte te leveren tegenprestatie. Verdachte had niet kunnen vermoeden dat sprake was van giften met een bepaald doel, namelijk het verkrijgen van werk. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten in het dossier op basis waarvan per gift kan worden vastgesteld dat deze het kennelijke doel had of de uiteindelijke strekking had om de zakelijke positie van betrokkene 1 te versterken om projecten van de gemeente te krijgen.

Voorts kan naar de mening van de verdediging de verklaring van betrokkene 1 als kennelijk leugenachtig worden aangemerkt, zodat deze niet tot het bewijs kan worden gebezigd.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte de ten laste gelegde facturen niet heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt. Ook ontbreekt het opzet van verdachte, mocht van enige betrokkenheid blijken bij het vervalsen, dan wel valselijk opmaken van de ten laste gelegde facturen.

Ten aanzien van feit 1

Als ambtenaar van de gemeente Den Haag

Verdachte is van 1 september 1980 tot 1 oktober 2012 werkzaam geweest als ambtenaar bij de gemeente Den Haag. Gedurende de ten laste gelegde periode was hij achtereenvolgens werkzaam in de functie van groenbeheerder, vanaf 1 oktober 2010 in de functie van medior medewerker beheer bij de projectdirectie Deconcentratie van de Bestuursdienst, vanaf 1 februari 2011 als medewerker beheer medior bij de Sector Stadsdelen & Wijken van de dienst Publiekszaken en vanaf 1 juli 2011 in de functie van senior medewerker beheer bij de sector Stadsdelen & Wijken van de Dienst Publiekszaken. Hij hield zich onder andere bezig met het uitbesteden van werk dat in het stadsdeel Loosduinen moest gebeuren aan externe bedrijven, waaronder aan betrokkene 2. Hij was belast met het opmaken van de werkbeschrijvingen en het aanvragen van offertes bij de externe bedrijven die hij daarvoor geschikt achtte. Ook was hij belast met de controle op de uitvoering van opdrachten.

Giften, beloften en diensten aangenomen of gevraagd

Niet ter discussie staat dat verdachte van betrokkene 1, dan wel van een medewerker van betrokkene 2, te weten de zoon van betrokkene 1, tijdens de ten laste gelegde periode de navolgende giften en diensten heeft ontvangen, dan wel gevraagd:

  • een spa van het merk Caldera Cantabria (gedeeltelijk);
  • een houten schutting;
  • een open haard, open haardschermen en een sfeerhaard;
  • een small Big Green Egg barbecue;
  • de aankoop via betrokkene 2 van een sauna, zitgrasmaaier en Sandstone vloer voor zijn zus.

Verdachte heeft bekend bovenstaande giften en diensten te hebben ontvangen en zijn verklaring wordt ondersteund door de navolgende bewijsmiddelen.

betrokkene 1 heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte een spa van het merk Caldera Cantabria en de aankoop van een sauna, een zitgrasmaaier en een Sandstone vloer voor de zus van verdachte, als gift aan verdachte heeft gegeven respectievelijk als dienst heeft verleend. De zus van verdachte, mevrouw betrokkene 6, heeft verklaard dat zij via haar broer het door hem ondersteunde verzoek aan betrokkene 2 heeft gedaan om via betrokkene 2 een sauna, een zitgrasmaaier en een Sandstone vloer aan te kunnen kopen, hetgeen is geschied.

Betrokkene 1 heeft voorts verklaard dat hij een open haard, open haardschermen en een sfeerhaard aan verdachte als gift heeft gegeven.

Uit een e-mailbericht van 11 juli 2012 van verdachte aan betrokkene 1 blijkt dat verdachte tijdens zijn vakantie gebruik maakte van een “Green Egg” en dat hij hiervoor de zoon van betrokkene 1 wilde bedanken. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat de small Big Green Egg barbecue een gift was, welke door de zoon van betrokkene 1 is geregeld.

Met betrekking tot de houten schutting wordt de verklaring van verdachte dat hij de houten schutting van betrokkene 1 als gift heeft ontvangen, bevestigd door het feit dat in de administratie van betrokkene 2 een factuur van Houthandel Van der Marel d.d. 8 april 2011 voor het hout van deze schutting is aangetroffen en dat deze factuur op 10 april 2011 door betrokkene 2 is betaald. Voorts is uit de foto’s die tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte zijn gemaakt, gebleken dat de gehele tuin van de woning van verdachte is voorzien van een (vrij nieuw uitziende) houten schutting.

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat rond de aankoop van de Mercedes geen gift of dienst kan worden bewezen verklaard. Dit geldt ook voor de ten laste gelegde betaling van de ontwerpkosten voor de tuin. Uit de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet onomstotelijk vastgesteld worden dat verdachte wist dat betrokkene 1 die kosten voor hem zou betalen, of had betaald. Voor het aannemen van een gift in de zin van de tenlastelegging is noodzakelijk dat de verdachte op de een of andere wijze wetenschap heeft of krijgt van de gift.

De rechtbank zal verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

Wist of redelijk moest vermoeden dat de giften werden gedaan, teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding de verklaringen van betrokkene 1 als kennelijk leugenachtig te beschouwen. Zijn verklaring is consistent en gedetailleerd en wordt grotendeels ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van verdachte. Deze verklaringen zijn derhalve bruikbaar als bewijsmiddel.

Aan het bestanddeel “wetende dat” is voldaan indien het doel van de giften verdachte duidelijk was. Volgens vaste jurisprudentie is het niet in alle gevallen nodig vast te stellen welke concrete gedraging van de ambtenaar werd gevraagd in ruil voor de gift of dienst. Ook het aannemen van giften teneinde een relatie te doen ontstaan om aldus een voorkeursbehandeling te krijgen voor de verstrekker van de dienst of gift, valt onder de strafbepaling.

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op de vraag wat betrokkene 1 (naar de rechtbank begrijpt: betrokkene 1 betrokkene 1 ) terug kreeg voor de giften verklaard dat betrokkene 1 werk kreeg. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij niet weet waarom betrokkene 1 giften gaf, maar dat hij denkt dat het was om werk te krijgen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte wist waarom de giften door betrokkene 1 aan hem werden gedaan, namelijk om van de gemeente Den Haag opdrachten voor betrokkene 2 te krijgen.

Dit is bevestigd door betrokkene 1. Hij heeft verklaard dat hij de giften deed zodat hij zijn opdrachten bij de gemeente Den Haag niet kwijt zou raken. Als hij wordt ondervraagd over de aankoop van goederen voor de zuster van verdachte verklaart betrokkene 1 dat hij dat uiteindelijk deed voor een ambtenaar die cruciaal was voor het bestaansrecht van zijn bedrijf. Ook heeft betrokkene 1 verklaard dat hij, toen hij een keer een gevraagde gift, te weten elektrische fietsen, weigerde aan verdachte te geven, merkte dat de opdrachten van de gemeente minder werden.

Op basis van deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat betrokkene 1 en betrokkene 2 de bedoeling hadden om met de giften een voorkeursrelatie te bewerkstelligen zodat verdachte zijn mogelijkheden en bevoegdheden zou aanwenden om betrokkene 2 opdrachten te laten krijgen van de gemeente Den Haag en dat verdachte dit wist.

Verdachte was – gelet op zijn functie bij de gemeente Den Haag – ook in staat om dit alles te bewerkstelligen voor betrokkene 1, dan wel betrokkene 2. Hoewel verdachte zelf geen tekeningsbevoegdheid had voor het geven van opdrachten namens de gemeente Den Haag, had hij feitelijk een zeer grote rol bij het verstrekken van orders. Hij vroeg de offertes op bij bedrijven en mede door ingewikkelde en langdurige administratieve procedures kwam het vaak voor dat het werk in mondelinge opdracht van verdachte werd uitgevoerd voordat de formele schriftelijke opdrachtverstrekking was gerealiseerd.

Al dan niet in strijd met zijn plicht

Voor het bestanddeel “in strijd met zijn plicht” uit artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht, is het voldoende indien de giften aan een ambtenaar zijn gedaan met het doel een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan of te onderhouden teneinde een voorkeursbehandeling te krijgen en de ambtenaar dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. De ambtenaar is gehouden de plichten die uit zijn functie voortvloeien, nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt. Van hem mag derhalve worden verwacht dat hij zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden objectief en onpartijdig opstelt. Het geven van een voorkeursbehandeling is op die grond niet toelaatbaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat het optreden van een ambtenaar neutraal en transparant moet zijn en dat hij alle belanghebbenden gelijk dient te behandelen.

Uit de verklaring van betrokkene 1 blijkt dat hij en betrokkene 2 met het doen van giften aan verdachte het oogmerk hadden een zodanige relatie te onderhouden met verdachte dat betrokkene 2 opdrachten zou krijgen van de gemeente Den Haag. Naast het hierboven reeds genoemde verklaart betrokkene 1 omtrent de manier waarop hij verdachte behandelde dat hij dat deed om verdachte te bewegen om, als die werk zou hebben of een aannemer zou zoeken, zou denken: Die Tiem (de rechtbank begrijpt: betrokkene 1 ) is wel een aardige vent, die gun ik dat werk wel. De gedragingen van betrokkene 1 waren derhalve gericht op het verkrijgen van een voorkeurspositie voor betrokkene 2. Verdachte heeft dit onderdeel van de tenlastelegging niet erkend.

Ter beantwoording van de vraag of verdachte wist dat de giften waren bedoeld om hem, in strijd met zijn plicht, te bewegen betrokkene 2 een voorkeurspositie te geven, overweegt de rechtbank als volgt.

De zuster van verdachte heeft verklaard dat zij in 2002 reeds door bemiddeling van verdachte goederen via betrokkene 2 kocht. De waarde van de giften voor verdachte die de rechtbank bewezen verklaart in de ten laste gelegde periode is ongeveer €20.000 en die voor zijn zuster ongeveer €15.000. Het doen van de giften is gestopt door ingrijpen van justitie. Tussen betrokkene 1 en verdachte heeft derhalve een jarenlange relatie bestaan waarin giften van niet geringe omvang hun weg naar verdachte en zijn familie vonden en waarin betrokkene 1 zijn doel met de giften kennelijk bereikte, anders was de giftenstroom wel opgedroogd. Giften van deze omvang worden niet gegeven als ze zich niet terugbetalen. Verdachte heeft zich, blijkens zijn hierboven genoemde verklaringen bij de rechter-commissaris en ter zitting, gerealiseerd dat de giften zijn gedaan om werk van de gemeente Den Haag te krijgen voor betrokkene 2. Voorts blijkt dat verdachte vanaf zijn privé e-mailadres contact met betrokkene 1 heeft gehad over de inhoud van een bij de gemeente in te dienen offerte. Dit bevestigt dat betrokkene 2 door verdachte werd bevoordeeld met relevante informatie. Het kan niet anders dan dat verdachte heeft geweten dat betrokkene 1 een voorkeurspositie voor betrokkene 2 beoogde.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde, zoals hieronder weergegeven, wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte op 5 februari 2013 werd een factuur met nummer nummer 1, gedateerd 29 september 2011, afkomstig van betrokkene 3 Resort, gericht aan Fam. verdachte, aangetroffen. Op deze factuur is vermeld "Te betalen voor een geleverde spa overjarig model met schade" voor een totaalbedrag van €3.500.

Verdachte heeft verklaard dat deze factuur betrekking had op een spa "Caldera Cantabria showmodel White Pearl/Merlot" ter waarde van €13.500,- euro, zonder schade. De factuur is derhalve vals.

In de administratie van betrokkene 2 werd tijdens een doorzoeking op 8 november 2012 een factuur met nummer nummer 2, gedateerd 2 december 2009, afkomstig van het betrokkene 4, gericht aan betrokkene 2, aangetroffen. In die factuur is vermeld "Wij berekenen aan u wegens reparatiewerkzaamheden in de gemalen".

De zus van verdachte heeft verklaard dat deze factuur betrekking had op een gestorte Sandstone vloer in haar woning aan de woning adres medeverdachte te woonplaats medeverdachte. De factuur is derhalve vals. Zij heeft voorts verklaard dat zij op verzoek van verdachte de omschrijving "Wij berekenen aan u wegens reparatiewerkzaamheden in de gemalen" op de factuur heeft laten zetten.

Verdachte heeft verklaard dat de verklaring van zijn zus hieromtrent klopt en dat hij op verzoek van betrokkene 1 tegen zijn zus heeft gezegd dat zij dit op de factuur moest laten zetten.

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – is het onder 2 sub A en sub B ten laste gelegde, zoals hieronder weergegeven, wettig en overtuigend bewezen.

In de administratie van betrokkene 2 werd tijdens een doorzoeking op 8 november 2012 voorts een factuur met nummer nummer 3, gedateerd 29 augustus 2012, afkomstig van betrokkene 5, gericht aan betrokkene 2, aangetroffen. De datum van deze factuur valt buiten de tenlastegelegde periode, zodat verdachte op dit punt zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Feit 1: als ambtenaar een gift, belofte of dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd en als ambtenaar een gift, belofte of dienst vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

  • een taakstraf van 240 uur;
  • een geldboete van €10.000,-
  • de ontzetting van het recht om een ambt te bekleden in rijks- provinciaal of gemeentelijk verband, dan wel enige andere organisatie met overheidsstatus voor de duur van 2 jaar.

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken concludeert de rechtbank dat verdachte in zijn werk juist zijn uiterste best deed de groenvoorziening in de wijk waar hij werkte zo goed mogelijk te regelen. Verdachte voelde zich belemmerd door ingewikkelde administratieve procedures en ervoer een zeer hoge werkdruk. Begrip voor de moeilijke positie waarin verdachte verkeerde kan echter niet meebrengen dat begrip moet worden opgebracht voor het aannemen van giften en diensten. Dit laatste diende immers geen enkel ander doel dan verrijking van verdachte zelf en is en blijft verwerpelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak directeur autoruitschadeherstelbedrijf terzake (grootschalige) oplichting van verzekeringsmaatschappijen en witwassen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3296 Verdachte, directeur van een autoruitschadeherstelbedrijf, wordt verdacht van (grootschalige) oplichting van verzekeringsmaatschappijen en witwassen. 

Feit 1: oplichting 

Zaakdossiers 2, 4, 5 en 6

Het in de tenlastelegging onder 1 aan verdachte gemaakte verwijt houdt in dat zijn bedrijf (verder: rechtspersoon) opzettelijk reparaties heeft gedeclareerd onder de noemer "combinatiebreuk" terwijl van dergelijke schade geen sprake was. Een deel van de in de tenlastelegging genoemde zaakdossiers ziet op feitelijk verrichte en gedeclareerde reparaties, een ander deel op niet verrichte maar wel gedeclareerde reparaties. Verdachte zou aan deze activiteiten leiding hebben gegeven. Verdachte betwist de juistheid van het gemaakte verwijt met de stelling dat in zijn bedrijf, rechtspersoon, slechts echte breuken gerepareerd en gedeclareerd werden. Hij betwist voorts ooit gestimuleerd te hebben dat gedeclareerd werd voor reparaties die feitelijk niet hadden plaats gevonden.

Uit het dossier blijkt dat rechtspersoon zich toelegde op het repareren van ruitschades. Het benaderde het publiek daartoe op parkeerplaatsen bij bouwmarkten en dergelijke. Van reparaties werd een reparatieformulier opgemaakt. Op dat formulier werd de aard van de reparatie vermeld. In de tenlastegelegde gevallen was altijd vermeld "combinatiebreuk". De klant tekende een akte van cessie. Die akte van cessie werd met de factuur van rechtspersoon aan de verzekeraar van de klant gezonden. Die verzekeraar betaalde vervolgens, op basis van de cessie, rechtstreeks aan rechtspersoon.

De tenlastegelegde gevallen zijn door inspecteurs van of namens de betrokken verzekeraar onderzocht. Hun bevindingen houden, voor wat betreft de zaakdossiers waarin sprake is van enige reparatie, in dat sprake was van een "opgevulde ruitbeschadiging", "een inslagpuntje, geen breuk", "4x inslagpuntje, geen breuk" en "3x inslagpuntje, geen breuk". Vastgesteld kan voorts worden dat door rechtspersoon in al deze gevallen op de factuur aan de betrokken verzekeraar was vermeld dat het om een combinatiebreuk ging. De te beantwoorden vraag is dus of deze geconstateerde schades (ruitbeschadiging en inslagpuntjes) onder het begrip combinatiebreuk vallen en/of in ieder geval reparaties waren waarvan rechtspersoon wist dat deze niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Rechtspersoon heeft voorafgaand aan haar bedrijfsactiviteiten met geen enkele verzekeraar afspraken gemaakt over te declareren werkzaamheden. Enig initiatief daartoe is noch door haar noch door enige verzekeraar ontplooid. Het begrip "combinatiebreuk" is derhalve nimmer voorwerp of vrucht van een dergelijk overleg geweest. Enigszins breder geformuleerd geldt dat geen afspraken zijn gemaakt over schades die wel en schades die niet voor rekening van de verzekeraar konden worden hersteld. In het bijzonder geldt dat geen afspraak is gemaakt inhoudende dat ruitbeschadigingen en inslagpuntjes niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Ook zonder uitdrukkelijk gemaakte afspraken is echter denkbaar dat rechtspersoon wist welke reparatie wel (combinatiebreuk) en welke niet (ruitbeschadiging en inslagpuntjes) voor rekening van de verzekeraars kon worden uitgevoerd en zij reparaties van die laatste soort presenteerde als combinatiebreukreparaties teneinde aldus, listig, betaling te verkrijgen voor een reparatie die niet onder de polisdekking viel.

Het openbaar ministerie heeft zich in dit verband beroepen op de FOCWA-kwaliteitsnorm voor autoruitreparaties, versie september 2007 en versie december 2011. In de genoemde kwaliteitsnormen (versie 2007 en versie 2011) wordt onderscheid gemaakt tussen te herstellen en niet te herstellen ruitreparaties. Indien sprake is van een "oppervlaktebeschadiging" geldt "geen ruitreparatie op kosten verzekeraars" (versie 2007) respectievelijk "ruitreparatie is vanuit technisch oogpunt niet noodzakelijk" (versie 2011).

Getuige was ten tijde van haar verhoor d.d. 9 juni 2011 bestuurslid van FOCWA, zijnde een brancheorganisatie van, onder andere, autoruitherstelbedrijven, die ook al bestond in de periode waarin de tenlastegelegde feiten hebben plaats gevonden. Zij verklaart dat de organisatie zich ten doel stelt de belangen van haar leden te behartigen. Met het oog daarop zijn kwaliteitsnormen opgesteld waaraan de leden zich hebben te houden. Klachten over reparaties kunnen aan een geschillencommissie worden voorgelegd. Van alle 1.100 autoruitherstelbedrijven in Nederland zijn er 320 lid van FOCWA. De organisatie hanteert criteria waaraan bedrijven moeten voldoen om lid te worden. Rechtspersoon voldeed daaraan niet en kon om die reden geen lid worden.

Uit deze verklaring blijkt dat FOCWA ook op het punt van door haar leden te leveren kwaliteit waarborgen wil bieden aan de klanten van de aangesloten bedrijven. Van het totale aantal autoruitherstelbedrijven is echter slechts een beperkt deel lid: 320 van de 1.100. Reeds dat gegeven maakt dat niet gezegd kan worden dat FOCWA voldoende representatief is voor de door de branche van autoruitherstelbedrijven als geheel gehanteerde kwaliteitsnormen. Daarbij komt dat niet blijkt dat verzekeraars, in de periode van de tenlastegelegde feiten (2008 - 2010) als eis aan reparaties gesteld hebben dat die volgens de FOCWA-kwaliteitsnormen moeten geschieden. Ook anderszins blijkt niet van een breed gedragen zelfbinding van de branche aan de FOCWA-kwaliteitsnormen. Dit oordeel maakt dat in het midden gelaten kan worden of de door rechtspersoon uitgevoerde reparaties de toets aan de FOCWA-kwaliteitsnorm wel of niet zouden kunnen doorstaan nu de beantwoording van deze vraag niet bepalend kan zijn voor de vraag of verdachte wist of had moeten weten dat de gedeclareerde reparaties van de schades niet gedeclareerd hadden mogen worden.

Nu kan het zo zijn dat de polisvoorwaarden, de kennelijke strekking daarvan en/of de toelichting daarop van de betrokken verzekeraars zo duidelijk zijn in de afwijzing van ruitbeschadigingen en inslagpuntjes als vergoedbare schade dat op die grond redelijkerwijs niet voor misverstand vatbaar kon zijn dat ruitbeschadigingen en inslagpuntjes niet voor vergoeding in aanmerking kwamen en het presenteren van die schades als combinatiebreuk dus geen andere reden kan kennen dan via een truc vergoed te krijgen wat niet vergoed kon worden.

De tekst van de polisvoorwaarden van de bij de feiten, die in hoger beroep nog aan de orde zijn, betrokken verzekeraars biedt geen uitsluitsel. De voorwaarden van RVS spreken over "breuk van ruiten", die van Univé over "breken of barsten van ruiten", die van Centraal Beheer over "breken barsten, beschadigen van ruiten" en die van Generali over "breuken". Geen van de polisvoorwaarden kent het begrip "combinatiebreuk". Geen van de polisvoorwaarden geeft ook anderszins enige nadere invulling aan de gehanteerde begrippen "breuk", "breken", "barsten", "beschadigen" en "ruitschade". Dat ruitbeschadigingen en inslagpuntjes niet vallen onder de genoemde, in de onderscheiden polissen, gehanteerde begrippen kan uit de tekst van de polis dus niet worden afgeleid.

Voor het bewijs in zaakdossier 2 is daarmee het doek gevallen. Voor het bewijs in de zaakdossiers 4, 5 en 6 geldt aanvullend het volgende.

Gedurende het opsporingsonderzoek is door tien verzekeringsmaatschappijen aangifte gedaan van oplichting. Die verzekeraars werden in de jaren 2008 tot en met 2010 geconfronteerd met een grote toename van ruitreparaties en dus met een, soms zelfs explosief, gestegen schadelast. Dat verschijnsel werd veroorzaakt door de opkomst van zogenaamde "partytentherstellers", zijnde autoruitherstelbedrijven die, zoals rechtspersoon, op locatie (parkeerplaatsen e.d.) actief klanten benaderden en tot ruitreparatie overgingen. Het werd deze herstelbedrijven door de verzekeraars erg gemakkelijk gemaakt. Via een cessieformulier konden ze rechtstreeks bij de verzekeraar de vergoeding declareren waarop de verzekerde recht had. De polisvoorwaarden waren over het algemeen erg ruim. Enige nadere regulering, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken met een beperkte groep van autoruitherstelbedrijven ontbrak. Enige definiëring van voor vergoeding in aanmerking komende ruitschade ontbrak. Tariefafspraken ontbraken. Voorwaarden met betrekking tot de omschrijving van de schade ontbraken ook. In feite werd alles vergoed, van de meest oppervlakkige schade tot totale ruitvervanging.

Zoals de verzekeraars zelf ook verklaren in hun (aanvullende) aangiften liep dit verschijnsel commercieel gezien volledig uit de hand. Er moest gezocht worden naar mogelijkheden om te komen tot het terugdringen van de schade. Om die reden werd uiteindelijk (na de tenlastegelegde periode) overgegaan tot het aanpassen van polisvoorwaarden en het nader reguleren van de schadeafwikkeling door het maken van afspraken daarover met een beperkt aantal bedrijven en het daarbij uitsluiten van de genoemde partytentherstelbedrijven. Voor een commercieel probleem werd aldus een commerciële oplossing gezocht.

Tegen deze achtergrond bezien is het niet meer dan fair in deze strafzaak de eis te stellen dat de verzekeraars op niet voor misverstand vatbare wijze aan rechtspersoon kenbaar maakten welke schades voortaan nog wel en welke niet meer vergoed werden. Slechts één verzekeraar, Univé, heeft daartoe een poging gedaan. Op zeker moment heeft Univé zich namelijk tot rechtspersoon gewend. Dat heeft geleid tot een bespreking. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de brief van Univé aan rechtspersoon van 7 april 2009. In de brief is als afspraak vermeld:

  • "Er worden alleen echte ruitschades gerepareerd";
  • "Oppervlakkige beschadigingen -pitfills- worden niet in rekening gebracht".

Naar aanleiding van deze brief van Univé zijn in de kantine van rechtspersoon instructies voor het personeel opgehangen. Regel 1 van die instructies luidt:

  • "1. Geen onzin reparaties! Dus denken aan pit-fills en oppervlakte schades".

In de instructies wordt voorts nog vermeld dat sprake geweest is van controle door Univé en dat de klacht van Univé, onder andere, was dat "geen echte schades" gerepareerd waren. Als oproep aan het personeel is in de instructies opgenomen: "Geen pitjes en opvlakte schades meer repareren voor unive!!! DUS GEEN BAGGER REPARATIES MEER!!"

Kennelijk, zo blijkt uit het samenstel van brief en instructies, was de klacht van Univé dat schades werden gerepareerd die in de ogen van Univé niet als echte schades konden worden aangemerkt. Geen “echte schade” waren kennelijk oppervlakkige beschadigingen, door Univé wel aangeduid als pitfills. Dat type schade mocht dus niet meer voor rekening van Univé gerepareerd worden.

In zaaksdossier 4 is sprake van een, bij Univé verzekerde, schade van 18 december 2008, zijnde een schadedatum voorafgaand aan 7 april 2009. Zoals hiervoor al overwogen was toen als referentiekader hooguit beschikbaar de polis van Univé en die polis bood onvoldoende duidelijkheid.

In zaaksdossier 5 en 6 gaat het om, bij Univé verzekerde, schades van na 7 april 2009. Het gaat in elk van deze gevallen om meerdere inslagpuntjes, die volgens de inspecteur van de verzekeraar geen breuk opleverden. Het criterium van Univé was echter niet "breuk", maar "oppervlakkige schade (pitfill)". Het inspecteursrapport bevat dus niet een beoordeling op basis van het criterium dat Univé zelf had geïntroduceerd. De bruikbaarheid van het rapport voor de bewijsvoering is daarom twijfelachtig.

In de visie van Univé was de door de inspecteur geconstateerde schade niettemin kennelijk telkens geen "echte" schade, namelijk een oppervlakkige beschadiging (pitfill). Bij de verdere beoordeling van deze twee gevallen wreekt zich dat het begrip "oppervlakkige beschadiging (pitfill)" niet nader is omschreven in de tussen rechtspersoon en Univé gemaakte afspraken.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven zich ervan bewust te zijn geweest dat er bij een te declareren reparatie van een beschadiging tenminste sprake moest zijn van barstjes “want die vallen onder de polisvoorwaarden”. Verdachte heeft, ook in hoger beroep, betoogd dat de inslagpuntjes van de in de tenlastelegging opgevoerde zaakdossiers hoe dan ook als een breuk kunnen worden aangemerkt en dus het gebruik van de term “combinatiebreuk” rechtvaardigden en zeker wel voor vergoeding in aanmerking kwamen, althans dat hij niet wist dat zulks niet het geval was. Voor wat betreft zaakdossier 6 heeft hij de ter terechtzitting van het hof op 28 januari 2016 gehoorde deskundige Löbig aan zijn zijde. Deze verklaart immers op de hem getoonde foto te zien dat sprake is van een kegelvormige inslag met kringbarstjes/ rondombarstjes. De deskundige zou deze schade wel aanduiden als breuk. De polisvoorwaarden van Univé dekken “breuk”. Twijfelachtig is dus of deze schade wel onmiskenbaar kan worden aangemerkt als een niet langer te declareren oppervlakkige schade conform de terminologie van Univé.

Geconfronteerd met het fotomateriaal van zaak 5 heeft de deskundige Löbig verklaard dat hij niet kon zien of reparatie had plaats gevonden en of barstjes aanwezig waren. In zoverre biedt zijn verklaring dus geen steun aan de stellingen van verdachte. Dat neemt niet weg dat voorzichtigheid geboden is. Bij het oordeel van de door de verzekeraar ingeschakelde deskundige in zaakdossier 6 zijn zojuist kanttekeningen geplaatst: de inspecteur van de verzekeraar oordeelt dat van breuk geen sprake is, de door het hof gehoorde deskundige spreekt wel van een breuk. Diezelfde verzekeringsdeskundige heeft ook de beoordeling in zaakdossier 5 gedaan waarbij de aard van de schade vergelijkbaar was: inslagpuntjes. Deze aspecten maken dat het hof twijfelt of het wel verantwoord is op basis van die ene conclusie van de door de verzekeraar ingeschakelde deskundige te oordelen dat in zaakdossier 5 onmiskenbaar sprake was van een oppervlakkige schade conform de terminologie van Univé.

De genoemde verklaring van de deskundige van de verzekeraar wordt ook niet door ander bewijsmateriaal ondersteund. De verzekerde heeft schade geconstateerd in de vorm van vier kleine puntjes. Er was sprake van "kleine" beschadigingen, maar dat sluit bepaaldelijk niet uit dat deze toch als breuk(je) en/of niet oppervlakkig hadden te gelden. Overige verklaringen of documenten die specifiek zien op de schade in zaakdossier 5 zijn er niet.

De optelsom van de thans besproken aspecten maakt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat voor rechtspersoon destijds onmiskenbaar duidelijk was of had moeten zijn dat schades als die welke in zaakdossier 5 en 6 aan de orde zijn van vergoeding waren uitgesloten.

Aan deze conclusie kan niet afdoen dat in meerdere getuigenverklaringen van voormalige werknemers van rechtspersoon naar voren komt dat ook oppervlakkige schades werden gerepareerd en dat het bonussysteem daartoe motiveerde. Doordat het begrip "oppervlakkige schade (pitfill)" door Univé onvoldoende nauwkeurig is omschreven en, zoals bij de bespreking van de schade in zaakdossier 6 uiteengezet, deskundigen van mening kunnen verschillen over het al dan niet aanwezig zijn van een breuk (en daarmee van een oppervlakkige schade als door Univé bedoeld) is echter grote voorzichtigheid geboden bij het duiden van die verklaringen met het oog op het thans gemaakte strafrechtelijke verwijt van oplichting/valsheid in geschrift. Ontegenzeggelijk komt uit die verklaringen de suggestie naar voren dat kleine oppervlakkige schades werden gerepareerd en gedeclareerd hoewel iedereen (op een gegeven moment) wist dat die niet (meer) vergoed werden, maar een suggestie is geen bewijs. Hierbij neemt het hof mede in acht dat genoemde verklaringen tot stand zijn gekomen in reactie op een vraagstelling waarin de indruk werd gewekt dat er duidelijkheid bestond aangaande welke reparaties wel en welke niet voor rekening van de verzekeraars kon worden uitgevoerd. Gelet op hetgeen hierboven reeds is overwogen was van een dergelijke duidelijkheid echter geen sprake.

Zaakdossiers 8, 9, 10, 11 en 12

Het voorgaande had in hoofdzaak betrekking op de zaakdossiers 2, 4, 5 en 6. In de zaakdossiers 8, 9, 10, 11 en 12 gaat het telkens om geclaimde schade zonder dat van een ruitreparatie sprake was. In het midden wordt gelaten of kan worden bewezen dat inderdaad telkens geen reparatie heeft plaats gevonden. Indien daarvan niettemin zou moeten worden uitgegaan geldt dat moet worden beoordeeld of verdachte aan die praktijk in zijn bedrijf feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte betwist wetenschap gehad te hebben van een dergelijke praktijk. Het dossier is volledig gericht op het gestelde verrichten van reparaties die niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Bewijsmiddelen ten aanzien van het niet repareren maar wel declareren zijn uiterst dun gezaaid, laat staan dat bewijsmiddelen aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat verdachte die praktijk kende, maar desondanks niet ingreep. Vrijspraak dus op deze grond.

Voorwaardelijk verzoek benoeming deskundige

De advocaat-generaal heeft nog verzocht een of meer deskundige(n) te benoemen in het geval het hof van oordeel zou zijn dat een "pitfill" wel declarabel zou zijn. Uit het voorgaande blijkt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Het hof oordeelt een "pitfill" niet declarabel, maar oordeelt dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist dat de feitelijk uitgevoerde reparaties niet (meer) declarabel waren. Het verzoek wordt op deze grond afgewezen.

Feiten 2 en 3: witwassen

De in de feiten 2 en 3 genoemde goederen zouden uit misdrijf afkomstig zijn. Dat misdrijf is, zo heeft de advocaat-generaal ter zitting van het hof bevestigd, het misdrijf van oplichting/valsheid in geschrift, zoals in feit 1 omschreven en zoals overigens op identieke wijze gepleegd in alle andere in het dossier genoemde zaken. Nu bewezenverklaring van feit 1 niet volgt en op gronden als ter motivering daarvan gehanteerd evenmin kan worden vastgesteld dat in de overige, in het dossier genoemde, zaken sprake was van oplichting/valsheid in geschrift, geldt dat niet bewezen kan worden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Verdachte wordt om die reden ook van deze feiten vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte is gedurende een lange periode onderdeel geweest van een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van Marktplaatsoplichting

Rechtbank Noord-Nederland 29 april 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2104 Verdachte is gedurende een lange periode onderdeel geweest van een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van Marktplaatsoplichting en het witwassen van gelden afkomstig uit die oplichting. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank geen leidinggevende rol in de organisatie gespeeld, maar behoorde ook zeker niet (slechts) tot de personen die een bankpas ter beschikking stelden of enige andere kleinere rol in het geheel speelden.

Deze oplichting bestond uit het plaatsen van advertenties op Marktplaats.nl voor kaarten voor onder meer concerten en andere goederen, waarop kopers reageerden door een bestelling te plaatsen en het verschuldigde geldbedrag over te maken naar een bankrekening waarover verdachte en/of zijn medeverdachten konden beschikken. Verdachte en/of zijn medeverdachten gebruikten daarbij bewust niet hun eigen naam. De bestelde goederen werden nooit geleverd. Niet gebleken is dat verdachte en/of zijn medeverdachten op enig moment de intentie hebben gehad tot daadwerkelijke levering van hetgeen besteld werd. Het door de kopers overgemaakte geld werd door middel van diverse betaalpassen, gesteld op verschillende namen, gepind door verdachte en/of zijn medeverdachten teneinde over deze geldbedragen te kunnen beschikken.

Om over voormelde betaalpassen te kunnen beschikken, hebben verdachte en/of zijn medeverdachten diverse personen verzocht en/of gedwongen hun betaalpas en bijbehorende pincode aan verdachte en/of zijn medeverdachten af te staan, al dan niet na het op verzoek van verdachte en/of zijn medeverdachten openen van een bankrekening. Verdachte en/of zijn medeverdachten prefereerden daarbij een bankrekening met de mogelijkheid tot internetbankieren waardoor zij via internet het saldo van de diverse rekeningen konden raadplegen en de gelden direct na storting konden opnemen. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een uitwisseling tussen verdachte en/of zijn medeverdachten van de diverse betaalpassen; men gebruikte de betaalpas die op dat moment voorhanden was.

Tussen verdachte en/of zijn medeverdachten en de persoon die reageerde op de Marktplaatsadvertentie vond dikwijls telefonisch contact plaats over de bestelling. In twee processen-verbaal van bevindingen is dit contact tussen de kopers die aangifte hebben gedaan van Marktplaatsoplichting en verdachte nader onderzocht. Hieruit is gebleken dat met de telefoonnummers van de respectieve aangevers, telkens omstreeks de datum van de oplichting waarop de betreffende aangifte zag, contact is geweest met telkens één van de telefoonnummers die op dat moment gebruikt werd in combinatie met een telefoontoestel voorzien van [IMEI-nummer 3] (ook met als laatste cijfer 9) of [IMEI-nummer 2] (ook met als laatste cijfer 0). Het betreft dezelfde IMEI-nummers die door de politie zijn genoteerd toen verdachte op 6 augustus 2014 was aangehouden voor belediging en de politie twee telefoons bij hem aantrof.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/950033-15:

  • Feit 1. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
  • Feit 2. primair witwassen, meermalen gepleegd;
  • Feit 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Parketnummer 18/029891-15:

  • eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Parketnummer 18/002848-15:

  • Feit 1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
  • Feit 2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, waarvan één feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Parketnummer 18/183521-14:

  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Parketnummer 18/123307-14:

  • Feit primair openlijk in vereniging geweld plegen.

Parketnummer 18/168947-14:

  • eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 660 dagen waarvan 297 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling gemeenteraadslid bij de gemeente Bloemendaal voor het schenden van haar ambtsgeheim

Rechtbank Noord-Holland 13 mei 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3961 Een gemeenteraadslid bij de gemeente Bloemendaal wordt door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur voor het schenden van haar ambtsgeheim.

Het gemeenteraadslid schond opzettelijk haar ambtsgeheim toen zij (delen van) stukken, die haar onder geheimhouding waren verstrekt, openbaar heeft gemaakt op een door haar op 16 december 2014 georganiseerde persbijeenkomst en op de website van de partij waarvoor zij raadslid is. De door het gemeenteraadslid aangevoerde verweren dat de betreffende handelingen niet strafbaar zijn, omdat er geen sprake zou zijn van geheime stukken alsook het verweer dat zij er terecht van is uitgegaan dat er geen geheimhouding rustte op die stukken en derhalve geen opzet heeft gehad op het schenden van haar ambtsgeheim, worden door de rechtbank verworpen.

Feiten

Bij besluit van 4 november 2014 is door het College van burgemeester en wethouders van Bloemendaal geheimhouding op grond van artikel 25, tweede lid van de Gemw en artikel 10, tweede lid, onder e en g van de Wob opgelegd ten aanzien van de stukken in het dossier "intern dossier wethouder inzake intimidaties landgoed". Besloten is het dossier met deze stukken te verstrekken aan twee raadsleden, mevrouw verdachte, woonachtig te Bennebroek en de heer mr. raadsman. In de enveloppen zaten genoemde briefbesluiten, alsmede kopieën van genoemd intern dossier met daarop de mededeling: geheim. In de brief is gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan de geheimhouding is opgelegd. De redenen zijn het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en voorkoming van onevenredige benadeling van natuurlijke personen.

Het dossier behelst diverse verklaringen van onder meer ambtenaren omtrent door hen ervaren intimidaties en bedreigingen van eigenaren van het landgoed landgoed. Deze verklaringen zijn afgelegd bij de wethouder onder de toezegging dat deze verklaringen niet aan de grote klok zouden worden gehangen. Gelet op die toezegging hebben onder meer de ambtenaren gemeend hun hart te kunnen luchten. Genoemde raadsleden konden zich met de opgelegde geheimhouding niet verenigen. De raadsman en anderen hebben een bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend. Op 16 december 2014 heeft verdachte in restaurant Loetje te Overveen een persconferentie gehouden. aangever heeft verdachte, in zijn hoedanigheid van burgemeester, voorafgaand aan de persconferentie op 14 december 2014 telefonisch gewaarschuwd, dat als zij de geheimhouding zou schenden, hij hiervan aangifte zou doen. Verdachte heeft bij voornoemde gelegenheid, na opening van de enveloppe, de inhoud overhandigd aan de notaris met het verzoek genoemd dossier te anonimiseren, aan welk verzoek de notaris gevolg heeft gegeven.

De notaris heeft van het verloop van de bijeenkomst een proces-verbaal opgesteld, met aan dat proces-verbaal gehecht een deel van de geheime stukken. Een deel van de stukken, al dan niet voorzien van zwarte strepen, is aldaar openbaar ter inzage gelegd. Op de persconferentie heeft verdachte aangekondigd dat het in te scannen dossier op de website van Hart voor Bloemendaal zal worden gepubliceerd. Op 23 december 2014 heeft aangever aangegeven dat het proces-verbaal van de notaris en de daarbij gevoegde geheime stukken zijn geplaatst op de openbare en voor een ieder toegankelijke site van Hart voor Bloemendaal.

Verdachte heeft verklaard dat er voor de persconferentie een draaiboek is opgemaakt, opdat alles met de grootst mogelijke zorgvuldigheid zou geschieden, (mede) omdat verdachte te horen had gekregen dat zij zich mogelijk op een strafbaar pad begaf. Verdachte heeft tijdens de persbijeenkomst kennis genomen van de inhoud van het collegebesluit tot geheimhouding van 4 november 2014, waarvan zij reeds vermoedde dat dit tezamen met de stukken uit het "intern dossier wethouder inzake intimidaties landgoed" in de enveloppe zat, die haar was toegezonden. Verdachte heeft vervolgens (tezamen met de notaris) een deel van de stukken uit het dossier geanonimiseerd door de namen van de betrokken ambtenaren zwart te maken en de stukken te kopiëren. Vervolgens heeft zij deze kopieën ter inzage gelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en indien geen vrijspraak volgt, voorwaardelijk verzocht om prof. mr. hoogleraar 1 – hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht RUG – en prof. mr. hoogleraar 2 - hoogleraar Staatsrecht RUG - als getuigen te horen.

Oordeel rechtbank 

Verdachte erkent dat zij op een door haar bijeengeroepen persbijeenkomst kopieën van stukken uit het zogenoemde “intern dossier wethouder inzake intimidaties landgoed” ter inzage (aan derden) heeft neergelegd en verstrekt. Verdachte is echter van mening dat vorenstaande handelingen niet strafbaar zijn, aangezien er volgens haar geen sprake was van geheime stukken.

Ter onderbouwing van het voormelde standpunt heeft verdachte in de eerste plaats aangevoerd dat het collegebesluit ontbreekt en dat ook anders het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot geheimhouding van de stukken niet is bekrachtigd door de raad, zodat (het eventuele besluit tot) de geheimhouding is komen te vervallen. Ook heeft verdachte aangevoerd dat het niet duidelijk was ten aanzien van welke stukken de geheimhouding zou gelden.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op. Bij briefbesluit van 4 november 2014 van het College van burgemeester en wethouders van Bloemendaal is aan verdachte geheimhouding opgelegd op de aan verdachte verstrekte stukken op grond van artikel 25, tweede lid, Gemeentewet juncto artikel 10, tweede lid onder e en g van de Wet openbaarheid van bestuur. Reeds op basis van dit besluit was verdachte tot geheimhouding van de bij de brief meegestuurde stukken gehouden. Nu in het briefbesluit van 4 november 2014 de geheimhouding van alle met het besluit meegezonden stukken werd bevolen (met uitzondering van een brief aan de raad) kon er voor verdachte ook geen onduidelijkheid hebben bestaan over de vraag op welke stukken de verplichting tot geheimhouding rustte. Het feit dat niet op alle aan verdachte in dit verband verstrekte stukken ‘volledig geheim’ stond vermeld, leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Nu bovendien geen sprake is geweest van verstrekking van de stukken aan de gehele raad, doch slechts (op eigener verzoek) aan verdachte en één ander raadslid, is de bekrachtigingsprocedure van artikel 25, derde lid, Gemw waaraan verdachte refereert, niet aan de orde. De krachtens het op grond van artikel 25, tweede lid, opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen, totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd (…) haar opheft. Nu de geheimhouding niet door het college van burgemeester en wethouders is opgeheven, is het aan verdachte gerichte besluit van 4 november 2014 onverminderd van kracht.

Verdachte heeft daarnaast aangevoerd dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders onrechtmatig is genomen, omdat dit besluit eerst is genomen, nadat verdachte en enkele andere raadsleden de stukken al op 8 september 2014 hadden ingezien, op welk moment de stukken niet geheim waren. Derhalve is ten onrechte aan slechts 2 van de 19 raadsleden later alsnog geheimhouding opgelegd.

Ook dit verweer wordt door de rechtbank niet gevolgd.

De stukken waarop de geheimhouding is toegepast, vormen tezamen het dossier dat een wethouder voor haarzelf heeft samengesteld als werkdossier. Dit werkdossier behelst onder meer mails van recente data met daarin neergelegde ervaringen van een aantal ambtenaren van de gemeente Bloemendaal. Deze ambtenaren zijn betrokken (geweest) bij de ambtelijke behandeling van aanvragen, in het bijzonder van omgevingsvergunningen, ingediend door de eigenaren van het perceel landgoed in Overveen. Onder de toezegging dat deze ervaringen niet aan de grote klok zouden worden gehangen, hebben deze ambtenaren vrij hun harten gelucht.

Uit het vorenstaande kan in de eerste plaats de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van stukken die van meet af aan openbaar waren en waarop eerst in een later stadium geheimhouding is gelegd. Hieraan doet niet af dat de wethouder ermee heeft ingestemd dat een aantal raadsleden, onder wie verdachte, in de gelegenheid is gesteld inzage te hebben in dit werkdossier.

Zelfs al ware dit anders, dan nog staat geen wet of rechtsregel er aan in de weg dat stukken achteraf geheim worden verklaard. Het standpunt van verdachte vindt derhalve geen steun in wet en recht.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aan verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wet. Het is niet de taak van de strafrechter ook daarnaast zelfstandig te beoordelen of de geheimhoudingsplicht terecht aan verdachte is opgelegd.

Tot slot heeft verdachte aangevoerd dat zij geen opzet heeft gehad op het schenden van de geheimhoudingsplicht en aldus van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Verdachte is zelf jurist en heeft uitgebreid juridisch onderzoek gedaan, laten doen en informatie ingewonnen en verkregen vanuit onder andere een officieel orgaan als de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), waarvan het resultaat steeds was, dat er geen geheimhouding rustte op de stukken.

Ook dit laatste verweer faalt naar het oordeel van de rechtbank.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte goed op de hoogte was van de inhoud van het aan haar gerichte collegebesluit van 4 november 2014. In het besluit wordt ook uitgelegd dat het stukken betreft die verband houden met intimidaties en bedreigingen van met name ambtenaren door een tweetal bewoners, gelet waarop de zich in dit dossier bevindende stukken vrijwel allemaal uitermate persoonlijk en gevoelig zijn en dat openbaarmaking (zelfs) (van delen) van de betreffende e-mails ertoe zou leiden dat de e-mails eenvoudig herleidbaar zijn tot personen, van wie de persoonlijke levenssfeer moet worden beschermd. Verdachte is ook voorafgaand aan de door haar belegde persbijeenkomst op 16 december 2014 nadrukkelijk gewaarschuwd door de burgemeester dat hij aangifte zou doen, indien verdachte haar voornemen om de stukken te openbaren, zou uitvoeren. Verdachte heeft verklaard dat zij op de hoogte was van de bezwaarprocedure die door andere raadsleden was aangevangen, een weg die verdachte ook had kunnen bewandelen. Verdachte heeft er echter bewust voor gekozen om dit niet te doen. In plaats daarvan heeft zij op een door haar zelf georganiseerde persconferentie de betreffende stukken openbaargemaakt, ter inzage gelegd en vervolgens op haar website gepubliceerd. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde.

Voor wat betreft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van prof. mr. hoogleraar 1 en prof. mr. hoogleraar 2 als getuigen overweegt de rechtbank dat de noodzaak daartoe onvoldoende is onderbouwd.

Bewezenverklaring

  • Opzettelijke schending van een ambtsgeheim meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Voorwaardelijke werkstraf van 60 uur met een proeftijd van twee jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Bewezenverklaring witwassen, maar vrijspraak niet voldoen aan aangifteplicht op grond van de Algemene douanewet

Rechtbank Noord-Holland 15 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3882 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 14.200. Aldus heeft verdachte eraan meegewerkt dat een geldbedrag, afkomstig uit enig misdrijf, aan het zicht van justitie en de fiscus wordt onttrokken.

Verdachte is van het ene EU-land naar het andere EU-land gereisd en niet is gebleken dat verdachte bij aankomst op Schiphol voornemens was door te reizen naar een land buiten de Europese Unie, waardoor op verdachte de plicht rustte aangifte te doen ingevolge artikel 10 van de Algemene Douanewet juncto artikel 3, eerste lid van de Verordening (EG) Nr. 1889/2005.

Feiten

Op woensdag 23 april 2014 wordt een reizigster op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer gecontroleerd. Ze is in het bezit van een Nigeriaans paspoort ten name van verdachte, geboren op geboortedatum te geboorteplaats, Nigeria. Kort daarvoor was zij vanuit Napels met vlucht HV6412 op Schiphol gearriveerd. Als reden voor haar bezoek in Nederland geeft zij aan dat ze kleding komt kopen en dat zij € 8.000 bij zich heeft. Bij verdere controle en kledingvisitatie wordt ter hoogte van de schaamstreek een verdikking gevoeld die hard aanvoelde. Haar is verzocht de verdikkingen uit haar onderbroek te halen en aan de douane te tonen. verdachte haalt uit haar onderbroek een stuk wit papier en een zwarte bol en legt deze op tafel. Als zij opnieuw wordt gevisiteerd, wordt nog steeds een verdikking bij de schaamstreek gevoeld. Er wordt haar nogmaals verzocht dat uit haar onderbroek te halen. verdachte pakte nog een bol uit haar onderbroek en legt deze op tafel. Zij heeft in totaal 4 stuks bollen uit haar onderbroek gehaald. Deze bollen zijn met zwart tape en huishoudfolie omwikkeld en worden herkend als zogenaamde duwersbollen.

verdachte deelt mee dat er geld in de bollen zit, maar dat zij niet weet hoeveel omdat zij haar broer had gevraagd het geld te tellen toen zij in de badkamer was. verdachte heeft als nanny gewerkt en verdiende daarmee € 500 per maand. Met dit werk is zij echter gestopt omdat ze de verdiensten te weinig vond. Ze heeft met haar werk € 5.000 gespaard en van dat geld heeft ze kleding gekocht, wat zij wilde verkopen. Genoemde € 5.000 heeft op de bankrekening van haar broer gestaan en het geld dat in de bollen zat, is geleend van haar broer betrokkene.

In de aangetroffen bollen zat een bedrag van € 6.100. Uit haar handtas heeft verdachte een spijkerbroek gehaald waar uit iedere broekspijp een pakket met eurobiljetten kwam. Verdachte heeft verklaard dat dit haar geld was. In deze twee pakketten zat een bedrag van € 8.100. In totaal is een bedrag van € 14.200 onder verdachte in beslag genomen.

Uit het onderzoek van de mobiele telefoon, merk Samsung, van verdachte komt naar voren dat twee prepaid telefoonnummers met dit toestel zijn gebeld. Als het nummer telefoonnummer door verbalisanten wordt gebeld, neemt een man de telefoon op. Aan de man wordt gevraagd of hij Nederlands spreekt, waarop de man vraagt of zij Engels spreken. Verbalisanten hebben in de Engelse taal kenbaar gemaakt dat ze van de politie Schiphol zijn en gevraagd naar de naam van de man. Op de achtergrond worden door verbalisanten stemmen gehoord en vervolgens wordt de verbinding verbroken. Als nogmaals geprobeerd wordt te bellen, wordt er direct naar de voicemail doorgeschakeld.

Op 2 juni 2014 wordt informatie van Europol ontvangen dat het Nederlandse mobiele telefoonnummer telefoonnummer in gebruik is bij medeverdachte, geboortedatum geboortedatum. medeverdachte is verdachte in een onderzoek naar een Nigeriaanse criminele organisatie die zich bezig houdt met de handel in verdovende middelen naar Nederland en Oostenrijk. Tevens is gebleken dat verdachte in de periode van 21 november 2013 tot 23 april 2014 elf (11) maal vanuit Napels naar Amsterdam of Eindhoven is gevlogen via luchtvaartmaatschappij Transavia zonder opgave te doen van een adres. Niet is bekend geworden hoe verdachte in genoemde periode haar retourreizen van Amsterdam of Eindhoven naar Napels heeft gemaakt.

Feit 1: witwassen

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf ‘witwassen’ is vereist dat komt vast te staan dat het ten laste gelegde geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat via Schiphol niet zelden grote bedragen in contanten, die een illegale herkomst hebben, worden in- of uitgevoerd. Verdachte is aangehouden met een geldbedrag in contanten van totaal € 14.200. Het is hoogst ongebruikelijk om een dergelijk bedrag fysiek te vervoeren, gelet op de risico’s waarmee dat gepaard gaat.

Verdachte voldeed bij aankomst op Schiphol aan een aantal van de zogenaamde ‘typologieën inzake witwassen’. Zo heeft zij het geld, verpakt in zogeheten duwersbollen, in haar onderbroek vervoerd en desgevraagd aangegeven dat zij € 8.000 bij zich had. Bij verdachte is echter een geldbedrag van € 14.200 aangetroffen. Verdachte kon niet aangeven hoeveel geld precies in de vier aangetroffen duwersbollen zat. Volgens verdachte kwam dat omdat haar broer het geld had geteld. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij als nanny heeft gewerkt en met die werkzaamheden € 500 per maand verdiende, maar dat zij met dat werk is gestopt omdat zij de verdiensten te laag vond. Verder heeft verdachte niet willen verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat genoemde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de legale herkomst van genoemd geldbedrag.

Verdachte heeft geen verklaring afgelegd, noch zijn door haar stukken overgelegd die op een legale herkomst van het geldbedrag kunnen duiden. Een legale herkomst van het geldbedrag is dan ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden, geconcretiseerd of aangetoond, dan wel verifieerbaar zodat het – gelet op vermelde feiten en omstandigheden – niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dit wist.

Vrijspraak feit 2: aangifteplicht

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd en moet zij daarvan worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op 23 april 2014 is verdachte vanuit Napels, Italië met vlucht HV6412 op de luchthaven Schiphol gearriveerd. Verdachte is derhalve van het ene EU-land naar het andere EU-land gereisd en niet is gebleken dat verdachte bij aankomst op Schiphol voornemens was door te reizen naar een land buiten de Europese Unie, waardoor op verdachte de plicht rustte aangifte te doen ingevolge artikel 10 van de Algemene Douanewet juncto artikel 3, eerste lid van de Verordening (EG) Nr. 1889/2005. Nu niet kan worden bewezen dat op verdachte te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een aangifteplicht rustte, dient zij van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Witwassen

Strafoplegging

Verdacht wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^