OM-cassatie na vrijspraak: Onverdoofd/illegaal slachten van schapen. Het hof heeft de tenlasteleggingen aldus uitgelegd dat daarin telkens slechts sprake is van “schapen” in het meervoud.

Hoge Raad 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden heeft verdachte op 11 december 2014 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. 

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"1: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel, in de gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk buiten een slachthuis schapen heeft gedood, terwijl dat slachten zonder voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel gebeurde;

en/of

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel in de gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk schapen heeft geslacht en/of laten slachten, als bedoeld in het derde lid van artikel 44 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren:

- terwijl dit niet geschiedde in een door de minister van Landbouw, in overeenstemming met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen inrichting, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders schapen geslacht in een stal, bedrijfsruimte op het terrein van [A] aan de [a-straat] en/of

- terwijl dit niet geschiedde door personen die daartoe door de in het vijfde lid, onderdeel b van artikel 44 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn aangewezen;

(...)

3: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel, in de gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier pijn of letsel heeft veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier heeft benadeeld, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders schapen onverdoofd geslacht en/of niet gefixeerd."

Het Hof heeft de verdachte daarvan vrijgesproken. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde:

Gelet op de lengte van de in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode (bijna 2 jaren) en het gebruik van het woord 'schapen' uitsluitend in de meervoudsvorm, zowel in het eerste als in het tweede deel van het onder 1 ten laste gelegde, in samenhang beschouwd met het dossier en het requisitoir van de advocaat-generaal, gaat het hof ervan uit dat de steller van de tenlastelegging telkens ondubbelzinnig heeft bedoeld ten laste te leggen dat verdachte, in genoemde pleegperiode op verschillende data met andere in het dossier voorkomende verdachten betrokken is geweest bij het slachten van schapen op het bedrijf van [A] te Espel. Het hof acht slechts bewezen dat verdachte op één datum in de ten laste gelegde pleegperiode bij het slachten van één schaap betrokken is geweest met een ander dan een van de in het dossier voorkomende verdachten. Zodanige bewezenverklaring levert naar het oordeel van het hof een ontoelaatbare grondslagverlating op. Gelet op het vorenstaande acht het hof het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

(...) met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde:

Het hiervoor overwogene met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde geldt ook voor het onder 3 ten laste gelegde. Derhalve acht het hof evenmin het onder 3 ten laste gelegde bewezen, zodat ook daarvan vrijspraak dient te volgen."

Mr. H. Dijkstra, AG bij het Ressortsparket, heeft cassatie ingesteld. Mr. M.E. de Meijer, AG bij het Ressortsparket, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De tenlastelegging zou aldus moet worden opgevat dat de aanduiding van het meervoud 'schapen' ook het enkelvoud 'schaap' omvat. Daarnaast heeft het hof aan de woorden "tezamen en in vereniging met anderen of een ander" een te beperkte uitleg gegeven door deze zinsnede te beperken tot personen die in het dossier zijn genoemd. Maar voor medeplegen is niet noodzakelijk dat de medeplegers met naam en toenaam bekend zijn geworden.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de tenlastelegging aldus uitgelegd dat daarin telkens slechts sprake is van 'schapen' in het meervoud. Die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg is niet onverenigbaar met de bewoordingen daarvan en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd. Daarop stuiten de klachten van het middel af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Klinieken onvoldoende bekend rondom vervoer gevaarlijke stoffen

Particuliere klinieken en zelfstandige behandelcentra zijn onvoldoende bekend met de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dat constateert de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) na de controle van 50 instellingen in de tweede helft van 2015. Bij 48 van de 50 gecontroleerde instellingen had het personeel, betrokken bij het vervoer van gevaarlijke stoffen, niet de vereiste opleiding. Ongeveer 75% van de instellingen voldeden niet aan de voorwaarden voor het vervoer van verontreinigd instrumentarium. En ruim 60% gebruikte geen of onvoldoende absorptiemateriaal bij vloeibaar afval. De ILT heeft het volledige overzicht van de inspectieresultaten op 30 mei gepubliceerd.

De controles waren gericht op handelingen die binnen een instelling worden uitgevoerd in relatie tot het vervoer van gevaarlijke (afval)stoffen, zoals het verpakken, laden, lossen, vervoeren en aanbieden voor vervoer alsmede op de verzending van patiëntenmonsters. Naar aanleiding van overtredingen zijn er met die instellingen afspraken gemaakt over herstel van de overtreding(en). De ILT heeft tijdens herinspecties geconstateerd dat alle onderzochte instellingen de vastgestelde overtredingen hebben gecorrigeerd.

Gezien het aantal en de ernst van de overtredingen, gaat de ILT in de tweede helft van 2016 in deze branche nogmaals controles uitvoeren bij een selectie van klinieken en zelfstandige behandelcentra. Bij overtredingen kan de ILT handhavend optreden, zoals het opmaken van een proces verbaal of opleggen van een last onder dwangsom.

Vervoer gevaarlijke stoffen

De ILT is onder andere belast met het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is geregeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS), het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs) en in de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG). De basis van deze wetten is de Europese overeenkomst voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het ADR. In het ADR staan alle eisen waaraan het transport van gevaarlijke stoffen moet voldoen.

Bron: ILT

 

Meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

Jaarverslag NVWA: verbeterd toezicht werpt eerste vruchten af

Het toezicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wordt steeds slagvaardiger. In het jaarverslag 2015 staan de eerste voorbeelden. Het verscherpte toezicht in de visindustrie, het risico-gerichte toezicht bij pluimveeslachterijen en een innovatieve manier van controleren bij grondgebonden inspecties. Steviger toezicht levert echter ook commentaar op. Inspecteur-generaal Harry Paul: "Waar na jaren ineens strenger wordt gehandhaafd, ontstaat wrijving met de onder toezicht gestelde. Dit is het krachtenveld waarin de NVWA werkt. Het is daarom essentieel dat de NVWA een autoriteit is. Hier wordt dan ook stevig in geïnvesteerd. De trend van slagvaardiger werken zetten we de komende jaren voort."

Verscherpt toezicht visbedrijven

Een van de sectoren waar de NVWA in 2015 meer is gaan controleren is de visindustrie. Extra controles in de visindustrie hebben er voor gezorgd dat er in 2015 meer bedrijven onder verscherpt toezicht zijn gesteld. Deze stringentere aanpak heeft ook meteen zijn vruchten afgeworpen. Van de 8 bedrijven die in 2015 onder verscherpt toezicht werden gesteld is de situatie bij 7 bedrijven alweer zo verbeterd dat zij konden terugkeren in het reguliere toezicht regime.

Risico-gericht toezicht pluimveeslachterijen

De NVWA is in 2015 ook gestart met uniformer er risicogerichter inspecteren in de pluimveeketen. Dit betekent dat bedrijven met een verhoogd risico op niet-naleving vaker worden gecontroleerd dan bedrijven die zich (waarschijnlijk) aan de regels houden. De nieuwe manier van inspecteren bleek al na 6 weken succesvol te zijn. Werd er eerst in 30% van de gevallen een overtreding geconstateerd, na 6 weken was dit percentage gedaald tot 6% (naleving van 70% naar 94% in 6 weken).

Slimme inspecties grondgebonden subsidies

Eigenaren van agrarische grond kunnen een Europese subsidie krijgen om een gedeelte van hun grasland onder water te zetten. Het onderwater zetten van grasland zorgt namelijk voor foerage- en schuilmogelijkheden voor vogels. De NVWA controleert steekproefsgewijs of deze subsidie terecht wordt uitgekeerd. In 2015 heeft de NVWA voor het eerst gebruik gemaakt van een innovatieve inspectiemethode om te controleren of de percelen waarvoor subsidie was aangevraagd überhaupt wel onder water gezet konden worden vanwege hoogteverschillen en reliëf. Het combineren van gegevens van hoogtekaarten en satellietfoto’s leverde een controlebestand van 15 subsidieaanvragers op die mogelijk onterecht subsidie hadden aangevraagd. Uit inspectie bleek dat 12 van de 15 aanvragers inderdaad niet voldeden aan de voorwaarden. 3 aanvragers hadden maatregelen genomen waardoor het wel mogelijk was een deel van het land onder water te zetten.

Andere onderwerpen die in het jaarverslag aan de orde komen zijn onder meer de risicoanalyse roodvleesketen, etiketfraude bij babymelkpoeder, import- en exportcontroles, koper in varkensvoer, en Ralstonia in rozen. Het jaarverslag bevat dit jaar voor het eerst een hoofdstuk over de organisatieontwikkeling van de NVWA.

Meer informatie:

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van het onthouden van de nodige verzorging aan runderen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4056

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij in of omstreeks de maand maart 2011 als houder van één of meer runderen, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, door een aantal runderen in een stal te laten verblijven zonder beschikking te hebben over een droge zindelijke ligplaats en/of aan één of meer runderen onvoldoende voedselrijk voer te verstrekken en/of voor een (uitgedroogd) rund met één of meer ontstoken oren niet tijdig een dierenarts te consulteren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte de ligplaats van de runderen dagelijks schoonmaakte en dat hij voldoende voer aan de runderen heeft verstrekt. Voor zover de tenlastelegging ziet op voornoemde onderdelen dient vrijspraak te volgen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot gedeeltelijke vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat het tenlastegelegde feit niet kan worden toegerekend aan verdachte, nu de verwijtbaarheid vanwege de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ontbreekt. Dientengevolge dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van psychische overmacht. Volgens de raadsvrouw was sprake van een van buiten komende drang waardoor verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte kon hij geen weerstand bieden. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de omtrent verdachte door GZ-psycholoog [naam] opgemaakte psychologische rapportage van 1 oktober 2015 wordt geadviseerd om verdachte de tenlastegelegde verwaarlozing van zijn vee verminderd toe te rekenen. Uit niets blijkt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar zou zijn en het feit niet aan hem zou kunnen worden toegerekend. Het hof overweegt dat de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte niet met zich brengt dat verdachte geen schuld heeft aan de in de tenlastelegging beschreven gedraging.

Het primair door de raadsvrouw gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht overweegt het hof als volgt.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Het hof is van oordeel dat - gelet op hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht - niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een van buiten komende drang waartegen verdachte geen weerstand kon bieden laat staan redelijkerwijs geen weerstand behoefde te bieden. Het subsidiair door de raadsvrouw gevoerde verweer wordt daarom ook verworpen.

Bewezenverklaring

  • Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeelding overtreding artikel 8.40 van de Wet milieubeheer

Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1118

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 28 april 2010 te Wijdewormer, in de gemeente Wormerland, als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer, opzettelijk er niet voor heeft zorg gedragen dat één of meer voorschriften die zijn opgenomen in het bij het genoemde besluit behorende bijlage werden nageleefd, immers:

  • werden afvalstoffen, te weten oud hooi, vele stukken gescheurd plastic, doek en zeil, kromme metalen spanten, oude balken, oude autobanden, afsnijstroken van isolatiemateriaal, onbruikbaar bouwmateriaal en/of oude, kapotte keukenkastjes, niet op een zodanige wijze opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu werden voorkomen en/of werden geen maatregelen getroffen waarbij gescheiden afgifte mogelijk bleef (vs. 1.3.4) en/of
  • was het verbod op roken en open vuur in de loods, gelegen aan de noordoostelijke zijde van het terrein, waarin brandbare vloeistoffen werden opgeslagen en/of gebruikt, nergens duidelijk aangebracht (vs. 1.6.1) en/of
  • vond de opslag van gevaarlijke stoffen en/of andere vloeibare bodembedreigende stoffen, te weten tenminste 110 liter, in elk geval een zekere hoeveelheid, olie opgeslagen in een houten kast en/of een emmer gevuld met ongeveer 10 liter afgewerkte olie, niet plaats boven een ten minste vloeistofkerende vloer en/of in een vloeistofdichte lekbak, welke vloeistofkerende vloer samen met wanden, drempels en/of opstaande randen een vloeistofkerende opvangvoorziening vormde (vs. 2.6.2) en/of
  • voldeed de opslag in een bovengrondse tank van huisbrandolie en/of gasolie en/of lichte stookolie, niet aan richtlijn PGS 30, immers waren een vijftal kunststoffen mobiele bovengrondse opslagtanks, zogenaamde IBC's elk met een inhoud van 1000 liter, welke geheel en/of gedeeltelijk waren gevuld met gas- en/of dieselolie en/of diesel-biodieselblend, niet voorzien van een geïntegreerde lekbak (vs. 2.6.8) en/of
  • was de inrichting niet ordelijk en/of werd de inrichting niet regelmatig schoongemaakt en/of verkeerde de inrichting niet in goede staat van onderhoud, immers lagen verspreid over het terrein van de inrichting en/of in de loods gelegen op het terrein oud hooi, vele stukken gescheurd plastic, doek en zeil, kromme metalen spanten, oude balken, oude autobanden, afsnijstroken van isolatiemateriaal, onbruikbaar bouwmateriaal en/of oude, kapotte keukenkastjes (vs. 3.1.1).

Partiële vrijspraak

Het hof zal de verdachte vrijspreken voor zover het betreft het onder het eerste en het derde gedachtestreepje tenlastegelegde en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde overweegt het hof dat niet kan worden bewezen verklaard dat door de wijze waarop de verdachte de afvalstoffen heeft opgeslagen, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Gelet hierop, zal het hof de verdachte voorts vrijspreken van het nalaten maatregelen te treffen waarbij gescheiden afgifte mogelijk bleef. Dat dergelijke maatregelen worden getroffen is blijkens het voorschrift waarop dit deel van de tenlastelegging ziet, te weten voorschrift 1.3.4, slechts vereist voor zover nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden voorkomen, zodat met het oordeel dat niet kan worden bewezen dat die nadelige gevolgen konden ontstaan, de verdachte ook van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het derde gedachtestreepje is het hof van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de aangetroffen stof olie betreft.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het tweede en het vierde gedachtestreepje van het tenlastegelegde is het hof van oordeel, dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in twee instanties, onvoldoende concreet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat olie aanwezig was in de bovengrondse opslagtanks, de zogenaamde IBC 's. Bij deze stand van zaken kan niet worden bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk de voorschriften 1.6.1 en 2.6.8 heeft overtreden. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het opzettelijk handelen.

Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje van het tenlastegelegde is het hof van oordeel dat, nu de verdachte ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg op 12 juli 2011 heeft verklaard dat hij wist dat de door hem gedreven inrichting niet ordelijk was omdat er grote hoeveelheden afval, hout en metalen lagen, sprake was van opzettelijk handelen.

Bewezenverklaring

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^