Erca betaalt 75.000 euro boete voor overtreding Brzo

Erca Emery Surfactant B.V. in Moerdijk heeft een door het Functioneel Parket aangeboden transactie in de vorm van een boete van 75.000 euro geaccepteerd. Het Openbaar Ministerie verwijt het bedrijf - waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt - dat het de veiligheidsregels niet had nageleefd. Hierdoor liep op 17 mei 2014 een werknemer ernstige brandwonden op.

Erca had een alkoxylerings-fabriek op het industrieterrein van Moerdijk. Gealkoxyleerde producten zijn stoffen die ingezet worden als mengstof (emulgator) voor personal care producten (zoals shampoo etc.), voor wasmiddelen en verfstoffen. Het bedrijf valt onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (Brzo). Bedrijven die onder het Brzo vallen, zijn verplicht om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de mogelijke gevolgen daarvan voor mens en milieu zoveel mogelijk te beperken. Zo moet het beleid ter voorkoming van zware ongevallen worden vastgelegd in een document. Daarnaast moet er een veiligheidsbeheerssysteem zijn, waarin precies staat omschreven wat het bedrijf moet doen om ervoor te zorgen dat de kans op ongevallen tot een minimum wordt beperkt.

In mei 2014 kwam bij Erca bij onderhoudswerkzaamheden een beperkte hoeveelheid vloeibare ethyleenoxide (EO) vrij. Een werknemer liep als gevolg daarvan ernstige brandwonden aan zijn voeten op. Onder leiding van hetFunctioneel Parket is door de Inspectie SZW een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt het bedrijf verweten dat ze - dus in strijd met het Brzo - onvoldoende maatregelen hebben genomen om dit ongeval te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken. De risico’s van de werkzaamheden waren door het bedrijf onvoldoende ingeschat, de veiligheidsprocedures onvoldoende nageleefd en tevens waren niet de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer verstrekt.

Daarnaast is het ongewone voorval door het bedrijf niet tijdig gemeld bij de Provincie Noord-Brabant. Dat vindt het OM ernstig, want door het melden van een ongewoon voorval stel je toezichthouders in de gelegenheid om maatregelen te nemen om de gevolgen van een calamiteit voor mens en milieu beperkt te houden.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Cursus Afvalstoffen | Vrijdag 3 juni 2016

Op het gebied van het afvalstoffenrecht hebben de ontwikkelingen zich de afgelopen jaren in hoog tempo opgevolgd. Ook de constante stroom jurisprudentie - zowel op nationaal als Europees niveau - zorgt voor nieuwe inzichten over de vraag of een stof moet worden aangemerkt als grondstof dan wel afvalstof. Tijdens deze cursus wordt relevante wet- en regelgeving (op zowel nationaal als Europees niveau) overzichtelijk gepresenteerd en toegelicht aan de hand van praktijkvoorbeelden en jurisprudentie.   

Programma

Ochtend: Het Begrip Afval

De definitie van afvalstof is van groot belang, omdat de reikwijdte van dit begrip bepaalt of de afvalstoffenwetgeving van toepassing is. Het begrip afvalstof is echter tot op heden nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Tijdens de ochtend zal hier dan ook uitgebreid aandacht worden besteed. Daarbij komen voorts onder andere de volgende onderwerpen aan bod:

 

Middag: Bedrijfs- & Gevaarlijk Afval in Hoofdstuk 10 Wet Milieubeheer

In de afvalstoffenregelgeving geldt een zwaarder regime voor bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijk afval.  Tijdens het middagdeel van deze cursus wordt relevante wet- en regelgeving besproken, welke wordt toegelicht aan de hand van rechtspraak en voorbeelden uit de praktijk. In dat kader komen onder meer de volgende onderwerpen aan bod:

  • Inzamelen
  • Vervoer
  • Beheer
  • Mengverbod
  • Zorgplichten

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Leden van de zittende & staande magistratuur
  • (Overheids)juristen
  • Bedrijfsjuristen
  • Beleidsmedewerkers
  • Toezichthouders
  • Handhavers
  • Bijzonder opsporingsambtenaren
  • Juridisch adviseurs
  • Ontdoeners van afvalstoffen

 

Niveau: Verdieping

Vereiste voorkennis: enige kennis van het (bijzonder) strafrecht wordt verondersteld.

 

Docent

  • mr. Luuk Boogert: ervaren milieu-officier van justitie. Hij leidde onder meer de strafzaak tegen Trafigura en ook die tegen Odjfell.

 

Praktische Informatie

Datum & tijd: Vrijdag 3 juni 2016 | 10.00 - 17.00 uur (inloop vanaf 9.30 uur).

Locatie: Plein 15-16 (2511 CR) te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal (ca. 8 minuten) en nabij Pleingarage (2 minuten).

Kosten: € 375,- excl. BTW Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Lunch
  • Consumpties

Nemen er meerdere personen van uw kantoor of organisatie deel aan de cursus, dan ontvangt u beiden €50,- korting.

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Huisvesting legkippen i.s.m. art. 4 Legkippenbesluit 2003. Verweer niet-ontvankelijkheid OM, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen, verworpen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1860

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 te Venhorst, gemeente Boekel, althans in Nederland, een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest en/of verzorgd, terwijl dit niet overeenkomstig de artikelen 4 en/of 7 en/of 8, eerste en/of tweede lid, en/of 9 en/of 10 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in (een) niet-aangepaste kooi(en) (traditionele legbatterij(en)).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen.

Ter onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft de verdediging (in eerste termijn in hoger beroep, ter terechtzitting van 9 april 2015) - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft onrechtmatig gehandeld, door in strijd met het gelijkheidsbeginsel het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de 'recurrent testbedrijven' van betrokkene 1, terwijl verdachte wel aan dat besluit gebonden is. De omstandigheid dat deze testbedrijven deelnemen aan het fokprogramma van betrokkene 1 met als doel nieuwe legpluimveelijnen voort te brengen met verbeterde eigenschappen, waartoe het gedrag van de legkippen op die bedrijven wordt geregistreerd, rechtvaardigt dit onderscheid niet. Evenals verdachte houden deze testbedrijven immers legkippen die consumptie-eieren produceren voor de markt. De testbedrijven zijn derhalve concurrenten van verdachte.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang onder deze omstandigheden een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Om dezelfde reden is de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte wel en de testbedrijven niet te vervolgen ter zake van overtreding van hetzelfde feit onrechtmatig, althans is dit vervolgingsbeleid in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod van willekeur, althans komt dit vervolgingsbeleid in strijd met de goede procesorde.

Na het wijzen van het tussenarrest door het hof d.d. 23 april 2015 heeft de verdediging ter terechtzitting van 17 maart 2016 nog gewezen op de herziene beslissing van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 18 augustus 2015 waarin de bezwaren van verdachte tegen het nadere besluit op bezwaar alsnog gegrond zijn verklaard en het bestreden besluit is herroepen.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Na de inhoudelijke behandeling van de zaak op 9 april 2015 heeft het hof het onderzoek bij tussenarrest van 23 april 2015 heropent, teneinde nader onderzoek te laten verrichten.

Voor het hof was onder andere onvoldoende duidelijk of de in een brief van de directeur Agroketens en Visserij van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neergelegde afspraak om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op ‘recurrent’ testbedrijven van betrokkene 1 zich uitstrekte tot de ‘recurrent testbedrijven’ in zijn geheel of alleen tot de stallen waarin de testkippen worden gehouden. Daartoe achtte het hof ten eerste noodzakelijk dat in een aanvullend proces-verbaal antwoord zou worden gegeven op de in het tussenarrest opgenomen vragen aangaande de bedrijfskenmerken van de ‘recurrent testbedrijven’ in Nederland.

Naar aanleiding hiervan is een aanvullend proces-verbaal opgesteld door J.P.H.M. Vorstermans en M.P.G.M. Martens, beide ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, tevens BOA, d.d. 16 november 2015.

Hieruit is het navolgende gebleken.

Op het moment van het opmaken van voornoemd aanvullend proces-verbaal waren er 10 ‘recurrent testbedrijven’ van betrokkene 1 in Nederland met een gezamenlijke capaciteit van 211.368 testdieren. Van de 10 testbedrijven zijn er vier bedrijven met zowel ‘recurrent teststallen’ als reguliere stallen met legkippen. Alleen de aantallen legkippen die vermeld zijn op de lijst als verblijvende in de ‘recurrent teststallen’ zijn onderdeel van het fokprogramma. Het besluit van de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op bepaalde bedrijven, geldt dan ook alleen ten aanzien van de aanwezige legkippen in de ‘recurrent teststallen’ van de ‘recurrent testbedrijven’ die onderdeel zijn van het fokprogramma. In zes van de tien bedrijven zijn dat ook de enige stallen op het bedrijf. De eieren die worden geproduceerd in de ‘recurrent teststallen’ gaan het reguliere afzetkanaal in en worden verwerkt tot ei-producten. Deze eieren worden bestempeld met de code 3. Dat wil zeggen dat ze afgezet worden als kooi-eieren.

In Nederland worden per jaar 10.400.000.000 consumptie-eieren geproduceerd. De eieren uit de testbedrijven hebben een aandeel van 0,06% van de totale eierproductie.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat consumptie-eieren grofweg onderverdeeld kunnen worden in 4 categorieën, te weten:

- Code 0: biologische eieren

- Code 1: vrije uitloop eieren (buitenverblijf)

- Code 2: scharreleieren (binnenverblijf)

- Code 3: kooi-eieren (legbatterij)

Voorts is het hof gebleken, mede op basis van de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, dat eieren met code 0 de duurste eieren zijn en eieren met code 3 de goedkoopste eieren zijn.

Ten tweede achtte het hof noodzakelijk dat ter terechtzitting als getuige zou worden gehoord een door het openbaar ministerie te bepalen in deze materie ingevoegde ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken, teneinde vragen te beantwoorden met betrekking tot de besluitvorming van de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op ‘recurrent testbedrijven’ van betrokkene 1. Ter terechtzitting is als deskundige gehoord dhr. P.J. Kooiman, juridisch adviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijnde een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken.

Deze deskundige heeft op vragen van het hof het navolgende verklaard:

  • een uitvoerend ambtenaar van het Ministerie van LNV heeft destijds de beslissing genomen om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op 'recurrent testbedrijven' van betrokkene 1;
  • de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is pas in 2012 in persoon op de hoogte gesteld van voornoemde beslissing;
  • de uitzondering is niet in het Legkippenbesluit 2003 zelf opgenomen;
  • het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 geldt uitdrukkelijk alleen voor de ‘recurrent teststallen’ waar de ‘recurrent tests’ worden gehouden. De overige - reguliere - stallen van de aangewezen ‘recurrent testbedrijven’ (voor zover aanwezig) zijn wel gebonden aan de voorschriften van het Legkippenbesluit 2003;
  • in het kader van de naleving van het Europese legbatterijverbod in 2012 zijn alle pluimveebedrijven in Nederland gecontroleerd;
  • de 'recurrent testbedrijven' hebben een geheel eigen wijze van bedrijfsvoering. Een gedeelte van de inkomsten van deze bedrijven wordt namelijk voorzien door betrokkene 1. De pluimveehouder van een 'recurrent testbedrijf' moet allerlei data verzamelen over de betreffende legkippen die deelnemen aan het fokprogramma, waarvoor een aparte vergoeding wordt afgegeven. Dat de eieren van de legkippen uit de ‘recurrent teststallen’ op de markt komen is een bron van inkomsten, maar dat is om verspilling van voedsel te voorkomen. Het is niet het primaire doel van deze bedrijven om zoveel mogelijk eieren op de markt te brengen. Het primaire doel ziet op het algemene belang om nieuwe, verbeterde legpluimveelijnen voort te brengen. De eieren worden afgezet als code 3 eieren. Eieren met deze code worden over het algemeen slechts verkocht als ei-producten voor de industrie.

Door de verdediging is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, kort gezegd omdat de ‘recurrent testbedrijven’ concurrenten van verdachte zijn, doordat zij – evenals verdachte – consumptie-eieren voor de markt produceren, terwijl zij zich voor wat betreft de huisvesting van de legkippen niet hoeven te houden aan de voorschriften van het Legkippenbesluit 2003 en hen is toegestaan de legkippen te houden in traditionele legbatterijen.

Het hof stelt ten aanzien van het door de verdediging aangevoerde verweer dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen, het volgende voorop.

Krachtens het in artikel 167, eerste lid, Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich volgens de staande jurisprudentie slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Ten aanzien van deze, tot terughoudendheid nopende, maatstaf gelden voor de rechter bij een eventuele beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie zware motiveringseisen. Daarbij dient een afweging plaats te vinden tussen het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging en de door de verdediging aangevoerde omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Oordeel hof

Met betrekking tot de onderhavige zaak overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof is bij de strafvervolging van verdachte geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod op willekeur, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat gesproken kan worden van gelijke gevallen. Het hof stelt daarbij voorop dat het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 uitdrukkelijk alleen geldt voor de ‘recurrent teststallen’ die onderdeel zijn van het genoemde fokprogramma. In tegenstelling tot hetgeen waar de verdediging vanuit is gegaan zijn de overige - reguliere - stallen van de ‘recurrent testbedrijven’ wel gehouden aan het Legkippenbesluit 2003. In Nederland zijn thans 10 bedrijven die zijn aangemerkt als ‘recurrent testbedrijven’ van betrokkene 1 en verdachte maakt daar geen deel van uit.

Het hof neemt voorts het volgende in aanmerking.

Op grond van de inhoud van het dossier alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat het (toenmalige) Ministerie van LNV in 2010 bereid was het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de categorie ‘recurrent testbedrijven’ onder de voorwaarden dat het ISA welzijnsverbeterende maatregelen op deze bedrijven zou doorvoeren en er in de 'recurrent testbedrijven' geen 'gangbaar' legpluimvee zou worden gehouden. De hoofddoelstelling van deze ‘recurrent testbedrijven’ is het verkrijgen van gegevens op basis waarvan de zuivere foklijndieren worden geselecteerd voor het voortbrengen van nieuwe, verbeterde legpluimveelijnen. De productie van eieren wordt gezien als een nevendoelstelling en ‘bijproduct’ van de ‘recurrent testbedrijven’. Bij brief van 11 juni 2010 aan het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit heeft betrokkene 1 uitgelegd dat deze individuele huisvesting essentieel is voor de vele metingen aan de dieren en voor de realisatie van genetische vooruitgang.

De eieren die worden geproduceerd in de ‘recurrent teststallen’ worden bestempeld met code 3 en komen op de markt als kooi-eieren oftewel als eieren met de laagste prijs ten opzichte van de overige categorieën eieren. In die zin kan ook niet gesproken worden van concurrentievervalsing.

De omstandigheid dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat het besluit tot stillegging van het bedrijf van verdachte een schending van het gelijkheids-beginsel oplevert, maakt niet dat de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte wel en de testbedrijven met ‘recurrent teststallen’ niet te vervolgen ter zake van overtreding van hetzelfde feit onrechtmatig is. Voor de ‘recurrent teststallen’ is immers een specifieke met een gedoogsituatie te vergelijken uitzondering in het leven geroepen voor wat betreft de handhaving van het Legkippenbesluit 2003 die voor de verdachte niet gold.

Voorwaardelijk verzoek

Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om – indien gewenst –nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag of eieren die door de testbedrijven worden geproduceerd niet in het consumentenkanaal terecht zijn gekomen, overweegt het hof het volgende.

Het hof wijst dit verzoek af, nu de noodzaak tot nader onderzoek niet is gebleken. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof zich op dit punt voldoende voorgelicht.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

  • Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

  • Geldboete van € 5.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraken in zaak asbestsanering in woningen in 2011

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1635, ECLI:NL:GHAMS:2016:1637, ECLI:NL:GHAMS:2016:1639, ECLI:NL:GHAMS:2016:1636, ECLI:NL:GHAMS:2016:1638

In juni en juli 2011 zijn in diverse woningen en garages aan de adres 2 te Hilversum asbestsaneringswerkzaamheden verricht. Het beheer van adres 2 1 tot en met 40 en 71 tot en met 79 was sinds 1 januari 2010 in handen van bedrijfsnaam 1 is bij controle door bewoners op de hoogte gebracht van de aanwezigheid van asbest. Naar aanleiding van een inventarisatie uit 2003 van adres 2 78, waarbij een globale asbestinventarisatie in alle ruimten was uitgevoerd en waaruit bleek dat er in de woning visueel duidelijk asbest aanwezig was in plaatmateriaal tegen het dak (2 m2), in (door doorvoer van een CV-leiding beschadigd) plaatmateriaal tegen het traphek (1 m2), alsmede in plafondplaten in de garage (24 m2), is vervolgens besloten om alle woningen op deze locaties op asbest te laten onderzoeken en te saneren.

De asbestsaneringswerkzaamheden zijn verricht door of in opdracht van bedrijfsnaam 2, een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf dat – via bedrijfsnaam 3 en onder verwijzing naar de asbestinventarisatie uit 2003 – opdracht had gekregen tot het saneren van de asbesthoudende beplating rondom de CV op zolder bij de 49 woningen en van de plafondbeplating in de garage van 15 woningen aan de adres 2.

Voorafgaande aan de verwijdering van asbesthoudend materiaal heeft bedrijfsnaam 4, gecertificeerd voor asbestinventarisatie (SC 540), in opdracht van bedrijfsnaam 2 op de specifieke locaties in de woningen en garages een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbesthoudende/-verdachte materialen. Bij dit onderzoek werd beplating aangetroffen die amosiet bevatte, waarbij het asbest in niet-hechtgebonden vorm aanwezig was. De verdachte is in opdracht van bedrijfsnaam 2 als deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA) opgetreden bij deze sanering. Die werkzaamheden hielden in dat hij doorlopend toezicht diende te houden op de daadwerkelijke verwijdering van het asbesthoudende materiaal en verantwoordelijk was voor het aan de hand van de door bedrijfsnaam 4 uitgevoerde inventarisatie opgestelde werkplan opbouwen van de afgeschermde ruimtes waarbinnen asbesthoudend materiaal diende te worden verwijderd (containments) in de woningen en garages en het na vrijgave door de laboranten van bedrijfsnaam 4. weer afbreken en verwijderen van de containments. De verdachte deed tenslotte als DTA-er de visuele eindbeoordeling nadat de laboranten van bedrijfsnaam 4. na visuele inspecties en luchtmetingen de containments in de woningen en de garages hadden vrijgegeven en het containment was afgebroken.

Vrijspraken

In een vijftal zaken volgt vrijspraak voor het ten laste gelegde:

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1635

De verdachte was als deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA-er) verantwoordelijk voor doorlopend toezicht op de verwijdering van het asbesthoudend materiaal en voor het opbouwen en afbreken van containments waarbinnen dit materiaal diende te worden verwijderd.
Niet wettig en overtuigend is bewezen dat in de containments na vrijgaven visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was dan wel dat vanuit de ruimtes binnen de containments asbestvezels in de lucht zijn gebracht, waardoor gevaar te duchten is geweest. Voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte asbesthoudend materiaal onzorgvuldig heeft verwijderd, achtergelaten en/of afgevoerd waardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1637

De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat in de door de verdachte geïnspecteerde afgeschermde ruimtes (containments) na vrijgaven nog visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was. Tevens niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1639

De verdachte was als werkgever van laboranten verantwoordelijk voor de vrijgaven van afgeschermde ruimtes (containments) nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet is bewezenverklaard dat de inspecties en vrijgaven onjuist of onzorgvuldig zijn geweest dan wel dat asbest in de lucht of op de bodem is gebracht, waardoor te duchten gevaar is ontstaan. De eventuele aanwezigheid van astbesthoudende materialen buiten de containments kunnen niet aan de verdachte (of diens medewerkers) worden verweten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1636

De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet wettig en overtuigend bewezen dat in de door de verdachte geïnspecteerde containments na vrijgaven visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was dan wel dat vanuit de ruimtes binnen de containments asbestvezels in de lucht zijn gebracht, waardoor gevaar te duchten is geweest. Voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt. Vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1638

De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet wettig en overtuigend bewezen is dat in de door de verdachte geïnspecteerde afgeschermde ruimtes (containments) na vrijgaven nog visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was. Tevens niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Kostenverhaal spoedeisende bestuursdwang asbestbrand'

Op 11 mei jl. heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak gewezen over de toepassing van spoedeisende bestuursdwang en het verhalen van de kosten van bestuursdwang  op grond van artikel 17.1 Wet milieubeheer (Wm) in het kader van asbest dat is vrijgekomen bij een brand in een loods. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^