Veroordeling wegens onrechtmatig bezit en te koop aanbieden van grote hoeveelheid ivoren beeldjes en een bontjas van bedreigde uitheemse diersoorten

Rechtbank Overijssel 18 april 2015, ECLI:NL:RBOVE:2016:1323 Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak bedrijf, gevestigd te woonplaats aan de adres. Hij houdt zich bezig met de in- en verkoop van antieke kunstvoorwerpen. Verdachte handelt voornamelijk via het internet met de domeinnaam website.

Onderzoek

Op 7 januari 2015 heeft de politie een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat via de website tenminste elf vermoedelijk ivoren items en een groepje van zeven bij elkaar horende vermoedelijk ivoren netsuke's (met de hand gesneden gordelknopen) te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze informatie is door de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 op 21 januari 2015 een controle op de legale herkomst van deze vermoedelijk ivoren items bij verdachte thuis uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek onder meer dat:

  • er in meerdere vertrekken in totaal dertig beeldjes van ogenschijnlijk ivoor stonden;
  • verdachte verklaarde dat deze beelden hoofdzakelijk waren gemaakt van olifantenivoor, en een enkele van mammoet- en van walrusivoor;
  • verdachte geen taxatierapporten kon overleggen waarmee aangetoond kon worden dat deze items van vóór 1947 waren;
  • verdachte handtekeningstempels liet zien op de beeldjes waaruit volgens hem zou blijken dat er sprake was van ivoorsnijders van vóór 1947;
  • de totale verkoopwaarde van de vermoedelijk ivoren beeldjes ongeveer € 50.000,-- betrof;
  • verbalisanten diverse van deze beeldjes herkenden als beeldjes die ook op de website website te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze controle is door de genoemde verbalisanten besloten dat een nader onderzoek gewenst was om de herkomst van de vermoedelijk ivoren beeldjes te laten vaststellen. In dat kader was het de bedoeling dat de verzameling beeldjes zou worden beoordeeld door een ivoorexpert van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA).Verdachte zou over de te nemen vervolgstap telefonisch worden benaderd. Verdachte heeft aan de verbalisanten aangegeven dat hij op zoek zou gaan naar een taxateur en dat als het laten taxeren van de beeldjes te duur zou worden, hij die van zijn website zou halen en verder als huisraad onder zich zou gaan houden.

Op 23 maart 2015 is door verbalisant 1 telefonisch contact opgenomen met verdachte, met als doel een afspraak te maken voor een hercontrole samen met een expert van de NVWA. In dat telefoongesprek heeft verdachte meegedeeld dat:

  • hij alle beeldjes naar een veilinghuis in Wenen had gezonden om deze beeldjes daar te laten taxeren op ouderdom;
  • als er door het veilinghuis een redelijke prijs werd geboden het best zou kunnen dat de beeldjes daar bleven en niet meer terugkwamen;
  • hij per e-mail wel aan de verbalisant 1 zou laten weten of de beeldjes getaxeerd waren en of ze terugkwamen;
  • hij niet wilde vertellen welk veilinghuis in Wenen het betrof;
  • hij alleen nog wat houten beeldjes had en langskomen dus geen zin had.

Op 23 maart 2015 is daarom wederom onderzoek gedaan naar de website. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat:

  • op de startpagina stond vermeld bedrijf woonplaats, The Netherlands' en 'Aziatische kunst: Ivoor”;
  • op de startpagina een afbeelding stond van vermoedelijk een ivoren beeldje;
  • indien doorgelinkt werd op deze afbeelding, men terecht kwam op een onderliggende pagina, waar een 80-tal vermoedelijk ivoren beeldjes te koop werd aangeboden;
  • op deze pagina stond vermeld: "!!Alle ivoren kunstvoorwerpen die wij aanbieden zijn toegestaan, volgens de Nederlandse Wetgeving!!".

Op 27 mei 2015 is voornoemde website nogmaals bezocht door verbalisant 1 en daaruit bleek dat er enkele beelden waren verkocht.

Hierop is – na overleg met de officier van justitie – besloten om tweemaal tot pseudokoop over te gaan, namelijk op 29 en 30 juni 2015. Hierbij bleek dat verdachte de beeldjes die waren aangetroffen op 23 maart 2015 nog steeds onder zich had en te koop aanbood. Verdachte heeft op 29 respectievelijk 30 juni 2015 een beeldje aan de pseudokopers verkocht, waarbij het op 29 juni 2015 verkochte beeldje op 30 juni 2015 met bijbetaling van € 150,-- voor een (derde) beeldje werd geruild.

Verdenking

  • Feit 1: op 30 juni 2015 opzettelijk producten van een beschermde uitheemse diersoort, te weten twee beeldjes vervaardigd van olifantenivoor, heeft verkocht of geruild en onder zich heeft gehad;
  • Feit 2: in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 opzettelijk 26 beeldjes van een beschermde uitheemse diersoorten, te weten olifanten-, walrus- en nijlpaardivoor en een bontjas van de diersoort Ocelot in voorraad heeft gehad en ten verkoop heeft aangeboden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. De beeldjes die verdachte heeft verhandeld en te koop heeft aangeboden op zijn website vallen namelijk onder de zogenaamde antiekvrijstellingsregeling, omdat deze beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman tevens betoogd dat de beeldjes genoemd onder de gedachtestreepjes 15 en 16 en 18 t/m 24 niet vervaardigd zijn van ivoor, afkomstig van de beschermde olifant, maar van mammoet. De mammoet is echter uitgestorven en valt dus volgens de raadsman niet meer onder de bescherming van de FFW.

Tenslotte is de bontjas niet te koop aangeboden maar heeft gediend als verfraaiing van verdachtes website. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachtes partner en valt daarmee onder de vrijstelling van art. 11 lid 1 van de regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Wettelijk kader

Op 1 juli 1975 is de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora, ofwel het CITES-Verdrag, in werking getreden. Dit verdrag beoogt wereldwijd de legale handel in wilde dier- en plantensoorten te reguleren om soorten te beschermen tegen overexploitatie en illegale handel tegen te gaan. Het Verdrag is van toepassing op elk dier of elke plant, levend of dood, van een soort die is opgenomen in een Bijlage bij het CITES-Verdrag. Het CITES-Verdrag bevat de Bijlagen I, II en III, waarin zijn opgenomen:

(I) soorten die met uitsterven worden bedreigd,

(II) soorten die zonder maatregelen mogelijk met uitsterven kunnen worden bedreigd en

(III) soorten waarvan één lidstaat de bescherming eist omdat de soort op haar grondgebied wordt bedreigd.

Ter uitvoering van het CITES-Verdrag heeft de Europese Unie de Basisverordening (Verordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het handelsverkeer) uitgevaardigd. De uitvoeringscriteria zijn neergelegd in de Uitvoeringsverordening (Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen (etc.)). De Basisverordening en de Uitvoeringsverordening vormen samen de wettelijke basis voor effectuering van het CITES-Verdrag in de wetgeving van de EU-Lidstaten.

De Basisverordening kent de Bijlagen A, B, C en D, waarin de beschermde soorten worden opgenoemd. In grote lijnen komen Bijlagen A, B en C overeen met Bijlagen I, II, en III van het CITES-Verdrag. Volgens artikel 8, tweede lid van de Basisverordening kunnen de lidstaten het in bezit hebben van beelden, met name van levende dieren die behoren tot de in bijlage A genoemde soorten, verbieden.

In Nederland is het CITES-regime uitgewerkt in de Flora- en Faunawet (FFW) en de op die wet gebaseerde regelgeving.

In artikel 5, tweede lid van de FFW juncto artikel 4, eerste lid, onder a, van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten FFW, worden de diersoorten van Bijlage A van de Basisverordening als beschermde uitheemse diersoorten aangewezen.

Artikel 13, eerste lid, onder a van de FFW verbiedt – onder meer – het onder zich hebben van dieren of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort.

Van dit bezitsverbod is ingevolge artikel 75, tweede, derde en vijfde lid van de FFW bij ministeriële regeling vrijstelling mogelijk, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

De vrijstellingen zijn neergelegd in artikel 11 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten FFW, dat – zakelijk weergegeven – luidt:

  1. van het bezitsverbod geldt een vrijstelling voor dode beelden van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening, indien:
  2. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte beelden betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de Basisverordening (hierna: de antiekvrijstelling);
  3. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de Basisverordening of
  4. kan worden aangetoond dat de beelden overeenkomstig de wet en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

De genoemde antiekvrijstelling, omschreven in art. 2, onder w, van de Basisverordening, ziet op beelden die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van de Basisverordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke beelden gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn. Gelet op de datum van inwerkingtreding van de Basisverordening kunnen beelden alleen onder de antiekregeling vallen indien deze vóór 1947 zijn vervaardigd.

De genoemde vrijstelling voor persoonlijke bezittingen of huisraad, omschreven in artikel 2, onder j, van de Basisverordening ziet op dode beelden alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.

Oordeel rechtbank

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder de feiten 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas

Uit het dossier blijkt dat verdachte de onder feit 1 van de tenlastelegging genoemde ivoren beeldjes op 29 en 30 juni 2015 heeft verkocht c.q. geruild. Ook heeft hij de onder feit 2 genoemde beeldjes in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 als eigenaar onder zich gehad en ten verkoop aangeboden.

Met betrekking tot de antiekvrijstelling

De antiekvrijstelling is van toepassing op specimens die in Bijlage A van de Basisverordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 genoemd worden. De nijlpaard en de walrus worden echter beide in Bijlage B bij genoemde Basisverordening genoemd, zodat deze vrijstelling niet van toepassing is op het beeldje van nijlpaardivoor en het beeldje van walrusivoor, beide vermeld onder feit 2 van de tenlastelegging.

Met betrekking tot de overige beeldjes en de bontjas overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet

‘ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat’ heeft aangetoond dat de onder feit 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas van vóór 1947 stammen. Immers, verdachte is op 21 januari 2015 in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat de beeldjes en de bontjas vóór 1947 zijn vervaardigd, te onderbouwen met taxatierapporten. Bij de controle op 23 maart 2015 bleek hij echter niet in het bezit te zijn van de vereiste taxatierapporten. Ook op 30 juni 2015 waren dergelijke rapporten niet aanwezig.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de antiekvrijstelling.

De rechtbank voegt hier ten overvloede nog het volgende aan toe.

Verdachte heeft op 19 augustus 2015 een 28-tal kopieën van taxatierapporten overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de betreffende beeldjes vóór 1947 zijn vervaardigd. Deze taxatierapporten zijn in de periode van 3 tot 10 augustus 2015 opgemaakt door taxateur. Daarnaast heeft verdachte aangevoerd dat hij uit de handtekeningen die zich op de beeldjes bevinden kan afleiden dat de beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn. Hij

heeft deze handtekeningen jarenlang bestudeerd en hij is overtuigd van de echtheid van deze handtekeningen.

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde delicten niet achteraf ongedaan kunnen worden gemaakt door alsnog taxatierapporten te overleggen. Indien dergelijke rapporten achteraf nog zouden worden geaccepteerd dan zou de beschermende werking van de regeling illusoir worden. De regelgeving bepaalt immers dat de rapporten beschikbaar moeten zijn ten tijde van het voorhanden hebben, te koop aanbieden en verkopen van de beeldjes.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat alleen door de bevoegde nationale autoriteiten erkende documenten als bewijsmiddel gelden voor een beroep op de antiekvrijstelling. De op verzoek van verdachte opgemaakte taxatierapporten van de taxateur kunnen echter niet als zodanig gelden, omdat uit het dossier blijkt dat de Nederlandse autoriteiten deze niet als bewijsmiddel hebben aanvaard. Hetzelfde geldt voor verdachtes beroep op zijn eigen deskundigheid.

De rechtbank merkt gelet op het voorgaande op dat zij nader onderzoek naar de vraag of de beeldjes zijn vervaardigd vóór 1947 niet noodzakelijk acht.

Met betrekking tot de beeldjes van mammoetivoor en het beeldje van onbekend materiaal, vermeld onder feit 2

Ten aanzien van het verweer dat de beeldjes van mammoetivoor en van onbekend materiaal niet onder regelgeving van de FFW vallen overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte deze beeldjes op zijn website heeft aangeboden als olifantenivoor.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in artikel 1 van de FFW is uitgewerkt wat valt onder een product van een dier. Daaronder vallen ook alle zaken waarvan uit de begeleidende documenten, de verpakking, een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van dieren bevatten of daaruit bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieronder ook een vermelding op een website. Door beeldjes van mammoetivoor aan te bieden als olifantenivoor heeft verdachte deze beeldjes onder de reikwijdte van de FFW gebracht en vallen ze onder het regiem van het olifantenivoor. Hetzelfde geldt voor het beeldje van onbekend materiaal, omschreven als “Dierenriembal”.

Met betrekking tot de bontjas van ocelot, vermeld onder feit 2

Verdachte heeft gesteld dat de bontjas van ocelot niet te koop is aangeboden maar ter verfraaiing van zijn website op deze site stond vermeld. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachte’s partner.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het dossier blijkt dat voornoemde bontmantel in de tenlastegelegde periode duidelijk gecatalogiseerd door middel van verschillende foto’s met daarbij een prijsbepaling is weergegeven op de website van verdachte. De andere voorwerpen die te koop stonden op dezelfde website, zijn door verdachte op dezelfde manier aangeprezen. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte ook de bontmantel van ocelot ten verkoop heeft aangeboden. Het verweer hieromtrent wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 120 uur op.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Top Chemie-Pack in hoger beroep opnieuw veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen

In het hoger beroep van de strafzaak naar aanleiding van de brand bij het bedrijf Chemie-Pack in januari 2011 in Moerdijk, zijn de directeur en 2 leidinggevenden van Chemie-Pack veroordeeld tot taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De directeur en de veiligheidscoördinator moeten een taakstraf verrichten van 216 uur. De productieleider is veroordeeld tot een taakstraf van 162 uur. Daarnaast zijn de directeur en de veiligheidscoördinator veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en de productieleider tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Aan de directeur en de veiligheidscoördinator is ook een beroepsverbod voor 2 jaar opgelegd. Het bedrijf Chemie-Pack krijgt een geldboete van 730.000 euro. Ook de rechtbank in Breda veroordeelde de 3 leidinggevenden eerder tot taakstraffen, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een beroepsverbod en het bedrijf tot een boete.

Brand

Op 5 januari 2011 veroorzaakte een productiemedewerker van Chemie-Pack brand toen hij op het buitenterrein met een gasbrander een bevroren pomp probeerde te ontdooien. Daarbij ontstond in een lekbak met een restje brandbare stof (xyleen) een brandje dat  oversloeg op daar opgeslagen kunststofcontainers met brandbare stoffen. Er volgde een enorme brand, waarbij omwonenden tot in de wijde omtrek te maken kregen met een grote rookwolk met mogelijk schadelijke stoffen. De brand heeft veel schade aan het milieu aangericht doordat chemische stoffen met het bluswater zijn weggespoeld.

Brand door schuld

Anders dan het Openbaar Ministerie is het gerechtshof evenals de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van opzettelijke brandstichting. Het hof vindt wel dat Chemie-Pack het ontstaan van de brand kan worden verweten. Dat verwijt treft alleen Chemie-Pack als bedrijf en niet de 3 door het OM vervolgde leidinggevenden. Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat zij wisten van de werkwijze met de gasbrander van de werknemer.

Vergunningsvoorschriften overtreden

Het hof is van oordeel dat alle verdachten vergunningsvoorschriften hebben overtreden en onvoldoende oog hebben gehad voor de risico’s die zijn verbonden aan het werken met gevaarlijke stoffen. De bedrijfsleiding moet op de hoogte zijn geweest van de inhoud van de vergunningen, maar toch werden vergunningsvoorschriften overtreden en de risico’s daarvan te laag ingeschat. Zo werden – in verband met ruimtegebrek in de opslaghallen – in strijd met de vergunning grote hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen opgeslagen in kunststof containers (IBC’s) op het buitenterrein, waar onvoldoende blusvoorzieningen aanwezig waren. Hierdoor kon het door de werknemer veroorzaakte brandje overgaan in een enorme vuurzee.

De directeur, de veiligheidscoördinator en de productieleider van Chemie-Pack hebben volgens het hof een groot gebrek aan bewustzijn van de veiligheidsrisico’s laten zien. Het hof rekent dit de leidinggevenden aan, juist omdat Chemie-Pack een zeer risicovol bedrijf was waar veiligheid hoog in het vaandel zou moeten staan.

Geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Het hof is niet tot het opleggen van onvoorwaardelijke gevangenisstraffen gekomen. Dat was wel geëist door het OM. Maar het OM ging uit van opzettelijke brandstichting en dat vindt het hof niet bewezen. Verder hadden de verdachten een blanco strafblad.

Beroepsverbod

Het hof heeft – net als de rechtbank - een beroepsverbod opgelegd aan de directeur en de veiligheidscoördinator. Zij mogen 2 jaar lang geen leidinggevende of anderszins verantwoordelijke positie bekleden in een chemisch bedrijf in de hoogste risicocategorie.

 

De uitspraken zijn nog niet gepubliceerd.

 

Gerelateerde berichten:

 

Print Friendly and PDF ^

Edelchemie Panheel moet kosten vergoeden voor opruimen terrein

Edelchemie Panheel B.V., Phoenica B.V. en hun twee bestuurders moeten de kosten vergoeden die het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft gemaakt om het terrein van de voormalige afvalverwerker aan de Sint Antoniusstraat in Heel op te ruimen. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2016.

Achtergrond

Het provinciebestuur en het gemeentebestuur van Maasgouw besloten op 16 april 2013 bestuursdwang toe te passen. De overheden wilden dat de bedrijven en de bestuurders die op het terrein actief waren binnen 22 weken afvalstoffen, chemicaliën en gevaarlijk afvalwater van het terrein zouden verwijderen. Omdat de bedrijven en de bestuurders niet binnen de termijn alle afvalstoffen hadden verwijderd, besloten de overheden de resterende afvalstoffen zelf te verwijderen en de kosten daarvan op hen te verhalen.

Kosten

Het provinciebestuur en het gemeentebestuur hebben terecht besloten dat het terrein van de voormalige afvalverwerker opgeruimd moest worden. Ze hadden echter niet ook Edelchemie Benelux B.V., haar bestuurder en een werknemer van Phoenica B.V. als overtreders mogen aanmerken op wie de kosten kunnen worden verhaald, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook mocht het provinciebestuur, op wiens kosten het terrein uiteindelijk is opgeruimd, niet de kosten verhalen voor het verwijderen van twee methanoltanks. Edelchemie Panheel B.V., Phoenica B.V. en hun bestuurders, die wel terecht zijn aangemerkt als overtreders, moeten nu het resterende bedrag van bijna € 990.000 terugbetalen aan de provincie Limburg.

Spoedeisende bestuursdwang

Eerder, op 16 augustus 2012, besloot het provinciebestuur om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Het had op 8 augustus 2012 ontdekt dat op het terrein sprake was van een zeer gevaarlijke situatie. Op het terrein werd een grote hoeveelheid afvalstoffen opgeslagen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Op 17 augustus 2012 werd het terrein op last van de provincie afgesloten met een hek. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het provinciebestuur "niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks dat het zelf eerst negen dagen heeft laten verstrijken, de situatie niet toeliet dat Edelchemie een begunstigingstermijn zou worden gegund". Het provinciebestuur had naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak geen spoedeisende bestuursdwang mogen toepassen en had Edelchemie tijd moeten geven om zelf het terrein goed af te sluiten met een hek.

Noodbevel

Op 17 augustus 2012 heeft de burgemeester van Maasgouw een noodbevel gegeven. Op grond hiervan moest het terrein worden afgesloten met een hek en is bewaking ingesteld. Tegen dit besluit was Edelchemie ook in hoger beroep gekomen. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstige vrees voor een ramp bestond die een noodbevel rechtvaardigde. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt hiermee een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg.

Bassins

Voorafgaand aan het bestuursdwangbesluit van 16 april 2013 over het opruimen van het hele terrein, is op 30 augustus 2012 besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen en slib- waterbassins die op het terrein waren achtergebleven te legen en op te ruimen. Dit besluit blijft wel in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Lees de uitspraken met zaaknummers 201500935/1 (bestuursdwang opruimen terrein), 201500937/1 en 201500941/1 (spoedeisende bestuursdwang en noodbevel afsluiten terrein) en 201500935/1 (spoedeisende bestuursdwang slib- en waterbassins).

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon en dierenarts wegens fraude met documenten om Blue Tongue Virus positieve runderen te kunnen exporteren naar het buitenland. Vrijspraak voor directeur.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2961 Verdachte heeft samen met haar mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

De bloedmonsters van deze 50 runderen zijn vervangen door bloedmonsters afkomstig van (een of meer) andere runderen die negatief op het BTV waren getest en die derhalve wel geschikt waren voor genoemde export. De op deze te exporteren runderen betrekking hebbende formulieren zijn vervolgens valselijk door verdachte en haar mededaders opgemaakt. Zij hebben daarop vermeld dat de betreffende runderen, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen, alle BTV vrij waren en hebben de data van monstername van genoemde 50 runderen veranderd. Vervolgens hebben zij opzettelijk van deze formulieren gebruik gemaakt door deze, vergezeld van laatstgenoemde bloedmonsters, te doen toekomen aan het Centraal Instituut voor dierziekte Controle - Lelystad Wageningen UR (thans genaamd het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR), teneinde van dit instituut een rapport te kunnen verkrijgen waarin was vermeld dat al deze runderen BTV vrij waren, om te kunnen bewijzen dat al deze runderen geschikt waren voor de export naar Roemenië. Met dit valse rapport is de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelicht. Door de inhoud van dit rapport is deze autoriteit bewogen tot de afgifte van (een) gezondheidscertific(a)t(en) voor de export van al deze runderen naar Roemenië, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en die derhalve niet geschikt waren voor genoemde export. Vervolgens zijn al deze runderen geëxporteerd naar Roemenië.

Aannemelijk is geworden dat verdachte kort na het ontdekken van de feiten de nodige maatregelen heeft getroffen om soortgelijk handelen als bewezenverklaard te voorkomen.

Toerekening

Medeverdachte was ten tijde van de onder 1A, 2A en 3A gepleegde feiten als inkoopcoördinator in dienstbetrekking bij verdachte. Hij werd binnen het bedrijf niet gecontroleerd en hield geen administratie bij van zijn handelen. Hij had vergaande bevoegdheden om voor het bedrijf te handelen en kon zijn gang gaan. Het handelen van [medeverdachte 3] paste in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het handelen van [medeverdachte3] is verdachte voorts dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Als gevolg van het door het hof bewezen geachte handelen zijn runderen geëxporteerd, een bedrijfsactiviteit van verdachte, die zonder dit handelen niet hadden mogen worden geëxporteerd. De gedragingen van [medeverdachte 3] werden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard. Onder dat aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen van [medeverdachte 3] . Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het onder 1A, 2A en 3A tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1A: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2A: medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon;

Feit 3A: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2960 (vrijspraak directeur)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte in zijn functie van directeur van de rechtspersoon, dan wel in persoon, eerder wetenschap heeft gekregen van, of betrokken is geweest bij, de ten laste gelegde feiten, dan nadat deze feiten door een medewerker van die rechtspersoon en de dierenarts, die in die functie werkzaamheden voor deze rechtspersoon verrichtte, waren gepleegd. Verdachte wordt dan ook van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2959 (veroordeling dierenarts)

Verdachte heeft als dierenarts gefraudeerd met documenten zodat Blue Tongue Virus positieve runderen konden worden geëxporteerd naar het buitenland.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2958

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

Voorts heeft verdachte 5 rapporten van het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR vervalst door daarin enkele positieve uitslagen van bloedonderzoeken van runderen op een specifieke dierziekte te vervalsen in negatieve uitslagen om daarmee aan te kunnen tonen dat deze runderen, die eerder positief op die specifieke dierziekte waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export buiten Nederland, wel geschikt waren voor genoemde export. Van twee van deze vervalste rapporten heeft verdachte vervolgens opzettelijk gebruik gemaakt door deze te overleggen aan de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten einde gezondheidscertificaten voor deze runderen ten behoeve van genoemde export te verkrijgen. Met de vervalste rapporten heeft verdachte deze autoriteit bewogen tot de afgifte van genoemde gezondheidscertificaten.

Verdachte is aan te merken als medepleger van de onder 1A, 2A en 3A ten laste gelegde feiten.

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 5C, 5D en 5E ten laste gelegde nu daarin het bestanddeel "opzettelijk" ontbreekt, zodat het ten laste gelegde niet oplevert enig strafbaar feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2962 (medepleger)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof stelt vast dat verdachte de (mede-)plegers mogelijk heeft uitgelokt tot het plegen van deze gedragingen, maar uitlokking is niet ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Toezicht op het verbod op asbestdaken: schone taak of hopeloze zaak?'

Asbestdaken op woningen en bedrijfspanden moeten vanaf 2024 voorgoed tot het verleden behoren. De 29 omgevingsdiensten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op asbestverwijdering. Een onmogelijke opgave of een kwestie van de schouders eronder? Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^