Top Chemie-Pack in hoger beroep opnieuw veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen

In het hoger beroep van de strafzaak naar aanleiding van de brand bij het bedrijf Chemie-Pack in januari 2011 in Moerdijk, zijn de directeur en 2 leidinggevenden van Chemie-Pack veroordeeld tot taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De directeur en de veiligheidscoördinator moeten een taakstraf verrichten van 216 uur. De productieleider is veroordeeld tot een taakstraf van 162 uur. Daarnaast zijn de directeur en de veiligheidscoördinator veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en de productieleider tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Aan de directeur en de veiligheidscoördinator is ook een beroepsverbod voor 2 jaar opgelegd. Het bedrijf Chemie-Pack krijgt een geldboete van 730.000 euro. Ook de rechtbank in Breda veroordeelde de 3 leidinggevenden eerder tot taakstraffen, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een beroepsverbod en het bedrijf tot een boete.

Brand

Op 5 januari 2011 veroorzaakte een productiemedewerker van Chemie-Pack brand toen hij op het buitenterrein met een gasbrander een bevroren pomp probeerde te ontdooien. Daarbij ontstond in een lekbak met een restje brandbare stof (xyleen) een brandje dat  oversloeg op daar opgeslagen kunststofcontainers met brandbare stoffen. Er volgde een enorme brand, waarbij omwonenden tot in de wijde omtrek te maken kregen met een grote rookwolk met mogelijk schadelijke stoffen. De brand heeft veel schade aan het milieu aangericht doordat chemische stoffen met het bluswater zijn weggespoeld.

Brand door schuld

Anders dan het Openbaar Ministerie is het gerechtshof evenals de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van opzettelijke brandstichting. Het hof vindt wel dat Chemie-Pack het ontstaan van de brand kan worden verweten. Dat verwijt treft alleen Chemie-Pack als bedrijf en niet de 3 door het OM vervolgde leidinggevenden. Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat zij wisten van de werkwijze met de gasbrander van de werknemer.

Vergunningsvoorschriften overtreden

Het hof is van oordeel dat alle verdachten vergunningsvoorschriften hebben overtreden en onvoldoende oog hebben gehad voor de risico’s die zijn verbonden aan het werken met gevaarlijke stoffen. De bedrijfsleiding moet op de hoogte zijn geweest van de inhoud van de vergunningen, maar toch werden vergunningsvoorschriften overtreden en de risico’s daarvan te laag ingeschat. Zo werden – in verband met ruimtegebrek in de opslaghallen – in strijd met de vergunning grote hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen opgeslagen in kunststof containers (IBC’s) op het buitenterrein, waar onvoldoende blusvoorzieningen aanwezig waren. Hierdoor kon het door de werknemer veroorzaakte brandje overgaan in een enorme vuurzee.

De directeur, de veiligheidscoördinator en de productieleider van Chemie-Pack hebben volgens het hof een groot gebrek aan bewustzijn van de veiligheidsrisico’s laten zien. Het hof rekent dit de leidinggevenden aan, juist omdat Chemie-Pack een zeer risicovol bedrijf was waar veiligheid hoog in het vaandel zou moeten staan.

Geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Het hof is niet tot het opleggen van onvoorwaardelijke gevangenisstraffen gekomen. Dat was wel geëist door het OM. Maar het OM ging uit van opzettelijke brandstichting en dat vindt het hof niet bewezen. Verder hadden de verdachten een blanco strafblad.

Beroepsverbod

Het hof heeft – net als de rechtbank - een beroepsverbod opgelegd aan de directeur en de veiligheidscoördinator. Zij mogen 2 jaar lang geen leidinggevende of anderszins verantwoordelijke positie bekleden in een chemisch bedrijf in de hoogste risicocategorie.

 

De uitspraken zijn nog niet gepubliceerd.

 

Gerelateerde berichten:

 

Print Friendly and PDF ^

Edelchemie Panheel moet kosten vergoeden voor opruimen terrein

Edelchemie Panheel B.V., Phoenica B.V. en hun twee bestuurders moeten de kosten vergoeden die het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft gemaakt om het terrein van de voormalige afvalverwerker aan de Sint Antoniusstraat in Heel op te ruimen. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2016.

Achtergrond

Het provinciebestuur en het gemeentebestuur van Maasgouw besloten op 16 april 2013 bestuursdwang toe te passen. De overheden wilden dat de bedrijven en de bestuurders die op het terrein actief waren binnen 22 weken afvalstoffen, chemicaliën en gevaarlijk afvalwater van het terrein zouden verwijderen. Omdat de bedrijven en de bestuurders niet binnen de termijn alle afvalstoffen hadden verwijderd, besloten de overheden de resterende afvalstoffen zelf te verwijderen en de kosten daarvan op hen te verhalen.

Kosten

Het provinciebestuur en het gemeentebestuur hebben terecht besloten dat het terrein van de voormalige afvalverwerker opgeruimd moest worden. Ze hadden echter niet ook Edelchemie Benelux B.V., haar bestuurder en een werknemer van Phoenica B.V. als overtreders mogen aanmerken op wie de kosten kunnen worden verhaald, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook mocht het provinciebestuur, op wiens kosten het terrein uiteindelijk is opgeruimd, niet de kosten verhalen voor het verwijderen van twee methanoltanks. Edelchemie Panheel B.V., Phoenica B.V. en hun bestuurders, die wel terecht zijn aangemerkt als overtreders, moeten nu het resterende bedrag van bijna € 990.000 terugbetalen aan de provincie Limburg.

Spoedeisende bestuursdwang

Eerder, op 16 augustus 2012, besloot het provinciebestuur om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Het had op 8 augustus 2012 ontdekt dat op het terrein sprake was van een zeer gevaarlijke situatie. Op het terrein werd een grote hoeveelheid afvalstoffen opgeslagen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Op 17 augustus 2012 werd het terrein op last van de provincie afgesloten met een hek. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het provinciebestuur "niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks dat het zelf eerst negen dagen heeft laten verstrijken, de situatie niet toeliet dat Edelchemie een begunstigingstermijn zou worden gegund". Het provinciebestuur had naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak geen spoedeisende bestuursdwang mogen toepassen en had Edelchemie tijd moeten geven om zelf het terrein goed af te sluiten met een hek.

Noodbevel

Op 17 augustus 2012 heeft de burgemeester van Maasgouw een noodbevel gegeven. Op grond hiervan moest het terrein worden afgesloten met een hek en is bewaking ingesteld. Tegen dit besluit was Edelchemie ook in hoger beroep gekomen. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstige vrees voor een ramp bestond die een noodbevel rechtvaardigde. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt hiermee een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg.

Bassins

Voorafgaand aan het bestuursdwangbesluit van 16 april 2013 over het opruimen van het hele terrein, is op 30 augustus 2012 besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen en slib- waterbassins die op het terrein waren achtergebleven te legen en op te ruimen. Dit besluit blijft wel in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Lees de uitspraken met zaaknummers 201500935/1 (bestuursdwang opruimen terrein), 201500937/1 en 201500941/1 (spoedeisende bestuursdwang en noodbevel afsluiten terrein) en 201500935/1 (spoedeisende bestuursdwang slib- en waterbassins).

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon en dierenarts wegens fraude met documenten om Blue Tongue Virus positieve runderen te kunnen exporteren naar het buitenland. Vrijspraak voor directeur.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2961 Verdachte heeft samen met haar mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

De bloedmonsters van deze 50 runderen zijn vervangen door bloedmonsters afkomstig van (een of meer) andere runderen die negatief op het BTV waren getest en die derhalve wel geschikt waren voor genoemde export. De op deze te exporteren runderen betrekking hebbende formulieren zijn vervolgens valselijk door verdachte en haar mededaders opgemaakt. Zij hebben daarop vermeld dat de betreffende runderen, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen, alle BTV vrij waren en hebben de data van monstername van genoemde 50 runderen veranderd. Vervolgens hebben zij opzettelijk van deze formulieren gebruik gemaakt door deze, vergezeld van laatstgenoemde bloedmonsters, te doen toekomen aan het Centraal Instituut voor dierziekte Controle - Lelystad Wageningen UR (thans genaamd het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR), teneinde van dit instituut een rapport te kunnen verkrijgen waarin was vermeld dat al deze runderen BTV vrij waren, om te kunnen bewijzen dat al deze runderen geschikt waren voor de export naar Roemenië. Met dit valse rapport is de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelicht. Door de inhoud van dit rapport is deze autoriteit bewogen tot de afgifte van (een) gezondheidscertific(a)t(en) voor de export van al deze runderen naar Roemenië, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en die derhalve niet geschikt waren voor genoemde export. Vervolgens zijn al deze runderen geëxporteerd naar Roemenië.

Aannemelijk is geworden dat verdachte kort na het ontdekken van de feiten de nodige maatregelen heeft getroffen om soortgelijk handelen als bewezenverklaard te voorkomen.

Toerekening

Medeverdachte was ten tijde van de onder 1A, 2A en 3A gepleegde feiten als inkoopcoördinator in dienstbetrekking bij verdachte. Hij werd binnen het bedrijf niet gecontroleerd en hield geen administratie bij van zijn handelen. Hij had vergaande bevoegdheden om voor het bedrijf te handelen en kon zijn gang gaan. Het handelen van [medeverdachte 3] paste in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het handelen van [medeverdachte3] is verdachte voorts dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Als gevolg van het door het hof bewezen geachte handelen zijn runderen geëxporteerd, een bedrijfsactiviteit van verdachte, die zonder dit handelen niet hadden mogen worden geëxporteerd. De gedragingen van [medeverdachte 3] werden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard. Onder dat aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen van [medeverdachte 3] . Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het onder 1A, 2A en 3A tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1A: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2A: medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon;

Feit 3A: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2960 (vrijspraak directeur)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte in zijn functie van directeur van de rechtspersoon, dan wel in persoon, eerder wetenschap heeft gekregen van, of betrokken is geweest bij, de ten laste gelegde feiten, dan nadat deze feiten door een medewerker van die rechtspersoon en de dierenarts, die in die functie werkzaamheden voor deze rechtspersoon verrichtte, waren gepleegd. Verdachte wordt dan ook van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2959 (veroordeling dierenarts)

Verdachte heeft als dierenarts gefraudeerd met documenten zodat Blue Tongue Virus positieve runderen konden worden geëxporteerd naar het buitenland.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2958

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

Voorts heeft verdachte 5 rapporten van het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR vervalst door daarin enkele positieve uitslagen van bloedonderzoeken van runderen op een specifieke dierziekte te vervalsen in negatieve uitslagen om daarmee aan te kunnen tonen dat deze runderen, die eerder positief op die specifieke dierziekte waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export buiten Nederland, wel geschikt waren voor genoemde export. Van twee van deze vervalste rapporten heeft verdachte vervolgens opzettelijk gebruik gemaakt door deze te overleggen aan de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten einde gezondheidscertificaten voor deze runderen ten behoeve van genoemde export te verkrijgen. Met de vervalste rapporten heeft verdachte deze autoriteit bewogen tot de afgifte van genoemde gezondheidscertificaten.

Verdachte is aan te merken als medepleger van de onder 1A, 2A en 3A ten laste gelegde feiten.

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 5C, 5D en 5E ten laste gelegde nu daarin het bestanddeel "opzettelijk" ontbreekt, zodat het ten laste gelegde niet oplevert enig strafbaar feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2962 (medepleger)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof stelt vast dat verdachte de (mede-)plegers mogelijk heeft uitgelokt tot het plegen van deze gedragingen, maar uitlokking is niet ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Toezicht op het verbod op asbestdaken: schone taak of hopeloze zaak?'

Asbestdaken op woningen en bedrijfspanden moeten vanaf 2024 voorgoed tot het verleden behoren. De 29 omgevingsdiensten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op asbestverwijdering. Een onmogelijke opgave of een kwestie van de schouders eronder? Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuw per 1 mei 2016: kosten aanvullende controles voor veehouders

Per 1 mei 2016 brengt de NVWA de kosten van aanvullende controles bij diergeneesmiddelen, dierenwelzijn en diergezondheid in rekening bij de veehouder. Dit volgt uit het kabinetsstandpunt over het doorberekenen van handhavingskosten, zoals dat staat in het rapport ‘Maat houden 2014’. De basis voor het in rekening brengen van aanvullende controles ligt in Europese regelgeving - artikel 28 van Verordening (EG) nr. 882/2004. Aanvullende controles tegen betaling zijn al gangbaar in de industriële productie, horeca en ambachtelijke productie en worden nu ook ingevoerd bij de veehouders.

Wat zijn aanvullende controles?

Aanvullende controles zijn controles buiten de gebruikelijke controleactiviteiten om en worden op een bedrijf gehouden als gevolg van een geconstateerde overtreding door dat bedrijf. Het gaat om hercontroles (de zogenaamde herinspecties) of aanvullende controles die nodig zijn om de omvang/oorzaak van een probleem/overtreding vast te stellen. Bij de meeste reguliere inspecties blijkt overigens niets aan de hand te zijn. Deze reguliere inspectie brengt de NVWA niet in rekening.

Wat houdt de aanvullende controle in bij diergeneesmiddelen?

Toezicht op diergeneesmiddelen, zoals het gebruik van antibiotica, is een speerpunt in het beleid van het ministerie van Economische zaken. Verkeerd gebruik van diergeneesmiddelen kan risico’s opleveren voor mens en milieu. Daarom gelden er strenge regels voor het toedienen en gebruik van diergeneesmiddelen. Aanvullende controles diergeneesmiddelen richten zich op:

  • onderzoek bij de veehouder nadat in het slachthuis is vastgesteld dat het maximum residu-limiet voor diergeneesmiddelen is overschreden;
  • onderzoek bij de veehouder nadat op het slachthuis is vastgesteld dat het Voedselketeninformatieformulier (VKI-formulier) niet overeenkomt met de feitelijke situatie van het dier. Voor de voedselveiligheid is het noodzakelijk dat dit formulier correct is ingevuld. Dat betreft ook het vermelden van diergeneesmiddelen waarvoor geen wachttermijn geldt.

Welke tarieven hanteert de NVWA?

Het bedrag dat de NVWA bij u in rekening brengt voor de aanvullende controles, bestaat uit een starttarief en een tarief per kwartier dat nodig is voor het uitvoeren van de aanvullende controle.

Werkformulier

Op de locatie houdt de NVWA-inspecteur de tijd bij die nodig is om de aanvullende controle uit te voeren. Deze tijd staat op een werkformulier. Als de aanvullende controle(s) door de inspecteur is afgerond, ontvangt u een doordruk van het werkformulier. Deze doordruk kunt u met de factuur vergelijken.

Gefaseerde invoering aanvullende controles

Het invoeren van het beleid waarbij de kosten van aanvullende controles voor diergeneesmiddelen, dierenwelzijn en diergezondheid bij veehouders in rekening worden gebracht, gebeurt in 3 fasen:

  • Fase 1 Diergeneesmiddelen (aanvullend onderzoek bij VoedselKetenInformatie (VKI) en overschrijdingen maximum residu limiet bij dieren die afgeleverd zijn aan slachthuis) per 1 mei 2016
  • Fase 2 Levende Dieren en Diergezondheid voor Identificatie en registratie van dieren en Dierenwelzijn  (Hoofdstuk 2 Besluit houders van dieren) in juni/juli 2016.
  • Fase 3 voor de resterende categorieën worden in januari 2017 aanvullende controles in rekening gebracht.

 Meer informatie:

 

Bron: NVWA

 

 

Print Friendly and PDF ^