'De punitieve handhaving van de Omgevingswet'

Het onderzoek dat heeft geleid tot het WODC-rapport 'De punitieve handhaving van de Omgevingswet' gaat over de vraag hoe de punitieve handhaving van de nieuwe Omgevingswet zou kunnen worden ingericht. Aanleiding tot het onderzoek vormt de stelselherziening binnen het omgevingsrecht. Bij deze stelselherziening worden verschillende wetten op het terrein van de fysieke leefomgeving geheel of gedeeltelijk geïntegreerd in een nieuwe Omgevingswet. Punitieve handhaving van de wetten en delen van wetten waarvan het voornemen is dat zij uiteindelijk in de Omgevingswet geïntegreerd worden, verloopt thans in belangrijke mate via de Wet op de economische delicten. Sommige al dan niet deels in de Omgevingswet te integreren wetten kennen een mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Dit onderzoek betreft derhalve de keuze hoe de punitieve handhaving van de voorschriften die bij of krachtens de Omgevingswet gesteld worden, vorm moet worden gegeven. Zoals wij zagen ligt het zwaartepunt van de punitieve handhaving bij de wetten die in de Omgevingswet geïntegreerd worden in de huidige situatie in het strafrecht. Maar daarmee is nog niet gezegd dat dit zo moet blijven. Het overgrote deel van de sancties die via strafbeschikking en strafrechtelijke veroordeling worden opgelegd zijn boetes. Dat zou voedsel kunnen geven aan de gedachte dat (ook) in dit deel van het ordeningsrecht op de bestuurlijke boete kan worden overgestapt. Anderzijds zijn er ook strafzaken betreffende overtredingen van uiteindelijk in de Omgevingswet te integreren voorschriften waarin voorwaardelijke en onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen worden opgelegd. Kan, in die situaties, het strafrecht worden gemist? Of is via toepassing van het commune strafrecht al voldoende verzekerd dat bij overtreding van voorschriften uit de Omgevingswet altijd een passende sanctie kan worden opgelegd? Ligt het, bij behoud van de mogelijkheid van punitieve handhaving via het strafrecht, in de rede daarnaast ook de bestuurlijke boete op ruimere schaal te introduceren? Of is het aantrekkelijker de figuur van de bestuurlijke strafbeschikking op uitgebreidere schaal te gaan gebruiken?

Het onderzoek, dat in de periode van juni 2014 tot maart 2015 in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgevoerd door medewerkers van de Juridische Faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen, kent drie delen. Het eerste deel betreft een aantal hoofdstukken waarin beleidsdocumenten, aspecten van het Nederlandse recht en de handhavingspraktijk op het terrein van het omgevingsrecht verkend worden. Het tweede deel betreft een onderzoek naar de inrichting van het Duitse punitieve recht. Het derde deel is een verkenning van opvattingen van personen die werkzaam zijn in de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving van omgevingsrecht. Het onderzoek is afgesloten met een zelfstandig leesbare slotbeschouwing.

Print Friendly and PDF ^

'Medeplegen in een bedrijfscontext; lessen uit het milieu(straf)recht'

Veel normstelling op het gebied van de economische ordening (financieel bestuursrecht, milieurecht, warenwetgeving e.d.) is gericht tot rechtssubjecten met een bepaalde hoedanigheid of kwaliteit: de bestuurder, de vergunninghouder, de werkgever, de aanbieder, de bemiddelaar, de ontdoener of inzamelaar (van afvalstoffen) e.d. Alleen rechtssubjecten met de betreffende hoedanigheid zijn de geadresseerden van de respectievelijke normen (normadressaat). Dat neemt niet weg dat in de praktijk ook anderen betrokken kunnen zijn bij schendingen van die normen. Denk aan werknemers, opdrachtnemers of andere derden – klanten, contractspartners – wier handelen (of nalaten) de normschending feitelijk veroorzaakt of die op enigerlei wijze aan de normschending bijdragen. Onder omstandigheden wordt het dan uit een oogpunt van effectieve handhaving wenselijk geacht dat ook jegens deze anderen kan worden gehandhaafd. Als deze anderen niet zelf de geadresseerde van de norm zijn, is dat echter alleen mogelijk via medeplegen of - als een rechtspersoon als overtreder kan worden aangemerkt - via opdrachtgeven of feitelijk leiding geven. Dit artikel belicht de (on)mogelijkheden van handhaving jegens een ander dan de normadressaat wegens overtredingen gepleegd in een bedrijfscontext, dat wil zeggen binnen een onderneming, waarbij de normen primair tot de onderneming zelf zijn gericht. De nadruk ligt daarbij op medeplegen, maar tevens wordt ingegaan op opdrachtgeven en feitelijk leiding geven.

Allereerst wordt het algemeen juridisch kader voor daderschap in het strafrecht resp. bestuursrecht geschetst. Daarbij wordt - hoewel dat niet het centrale onderwerp van dit artikel is - ook kort aandacht besteed aan het daderschap van rechtspersonen, omdat opdrachtgeven en feitelijk leiding geven afhankelijk zijn van daderschap van de rechtspersoon. Vervolgens wordt aan de hand van milieurechtelijke jurisprudentie belicht welke gevallen handhaving jegens anderen dan de normadressaat mogelijk is. Het milieurecht wordt al decennia lang niet alleen bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk gehandhaafd en biedt daardoor relatief veel voorbeelden. Het artikel sluit af met een conclusie.

Inhoud artikel

  1. Inleiding
  2. Wettelijke regeling van daderschap
  3. Medeplegen (algemeen)
  4. Opdracht geven en feitelijk leidinggeven24
  5. Medeplegen binnen een onderneming; voorbeelden uit het milieustrafrecht
  6. Conclusie

 

Lees verder:

Dit artikel is enkel te raadplegen indien u bent geabonneerd op Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens artikel 10.2 Wet milieubeheer. Geen verlies van status afvalstof door nuttige toepassing.

Gerechtshof Amsterdam 19 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3732 Verdachte heeft houten pallets (met daaraan bevestigd plastic) op en in een weiland gestort ter versterking van oevers en ter versteviging van de bodem.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de door hem gebruikte pallets waren gemaakt van onbehandeld en schoon hout, derhalve een bodemeigen product, welke geen nadelig effect heeft voor het milieu of de volksgezondheid. De verdachte heeft door de pallets bij de oever op en in de bodem van een weiland te brengen, beoogd hiermee de bodem te verstevigen en de (aan)groei van riet aan de oever van dat weiland te bevorderen. Het hof vat dit betoog van de verdachte aldus op, dat hij zich op het standpunt stelt dat hij door zijn handelingen een nuttige toepassing heeft gegeven aan de pallets, waardoor deze niet langer als afvalstof kunnen worden aangemerkt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd.

Het hof overweegt en beslist dienaangaande als volgt.

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet Milieubeheer in artikel 1.1 het begrip afvalstoffen als: alle stoffen, preparaten of voorwerpen (hierna alleen aangeduid met ‘stoffen’), waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Op grond van uitspraken van het Europese Hof van Justitie en de Raad van State dient het begrip ‘het zich ontdoen van’ ruim te worden uitgelegd om te voorkomen dat er stoffen ongecontroleerd in het milieu terechtkomen, die er niet thuishoren. Voor de vraag of een stof een afvalstof is, is niet relevant of de stof verontreinigd is of schoon en/of de stof nog economische waarde heeft.

Wel kunnen stoffen die op grond van bovengenoemde definitie als afvalstof dienen te worden aangemerkt nuttig worden toegepast en daarmee hun (juridische) status als afvalstof verliezen, mits wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, 2008/98/EG, PbEU L 312 (overgenomen in artikel 1.1 lid 6 Wet milieubeheer).

Artikel 6, tweede lid van de Kaderrichtlijn bevat de volgende criteria voor de kwalificatie einde-afvalfase:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen, en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

Het gebruik van houten pallets (met daaraan nog bevestigd enig plastic) voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers voldoet niet (aantoonbaar) aan alle vier criteria. Ook uit de door het Hoogheemraadschap aan de Natuurvereniging ‘Water, Land en Dijken’ – waarbij verdachte is aangesloten - verleende vergunning in het kader van de subsidieregeling blijkt dat het niet de bedoeling was om houten pallets op/aan de kant van de oevers te gebruiken.

Verdachte heeft op zitting ook nog aangevoerd dat houten pallets geschikt zijn voor het versterken van de oevers (ter voorkoming van afkalving) en ter versteviging van de bodem (het dichten van zogenoemde

kleigaten). Ook ten aanzien van deze toepassing is niet gebleken dat de door verdachte gebruikte pallets (aantoonbaar) aan alle vier hiervoor genoemde criteria voldoen. Daarnaast had verdachte - alvorens tot dat gebruik over te gaan - een ontheffing op grond van artikel 10.63 lid 2 Wet milieubeheer kunnen aanvragen. Dat heeft verdachte niet gedaan. Indien en voor zover het verweer van verdachte mede betrekking heeft op de vrijstellingen op grond van de Besluit bodemkwaliteit, merkt het hof op dat verdachte dat onvoldoende heeft onderbouwd.

De verdachte heeft zich derhalve ontdaan van de houten pallets (met daaraan nog bevestigd enig plastic) door het storten ervan op en in het weiland grenzend aan de sloot.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van verdachte.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €2.000 met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Steun voor stroomlijning milieutoezicht

"Een betere en doortastender handhaving, minder vrijblijvendheid en een gelijk speelveld om te komen tot een stelsel dat een veilige omgeving waarborgt." Zo omschrijft Dijkstra (VVD) het doel van de voorgestelde wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Vergunningverlening, toezicht en handhaving worden structureel verbeterd, aldus staatssecretaris Mansveld (Milieu). In dat kader is de afgelopen jaren gewerkt aan een landelijk dekkend netwerk van omgevingsdiensten: loketten voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op milieugebied en eventueel ook op de terreinen van bouwen, natuur en water. Voor de handhaving rondom bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, zijn er inmiddels zes gespecialiseerde omgevingsdiensten.

VERANTWOORDELIJKHEID IS GOED GEREGELD

Mansveld is blij dat het nieuwe stelsel met "daadkrachtige omgevingsdiensten" van onderop is ontstaan. In de opstelling van een modelverordening door provincies en gemeenten gezamenlijk, komt die betrokkenheid volgens de staatssecretaris goed tot uitdrukking. In die verordening staan bijvoorbeeld kwaliteitseisen voor het personeel en voor de behandeling van een vergunningaanvraag. Dijkstra wijst erop dat het voor bedrijven en overheden te allen tijde "glashelder" moet zijn wie wanneer waarvoor verantwoordelijk is. Maar kan de staatssecretaris haar verantwoordelijkheid in het nieuwe stelsel wel waarmaken?, vraagt onafhankelijk Kamerlid Houwers. Hoewel provincies en gemeenten primair verantwoordelijk zijn "ben ik als stelselverantwoordelijke in charge", reageert Mansveld. Zij zegt onder meer via het zogenoemde bestuurlijk omgevingsberaad goed op de hoogte te worden gehouden.

OMGEVINGSDIENSTEN MOETEN GELIJKE STRUCTUUR HEBBEN

Vallen alle gemeenten inmiddels onder een omgevingsdienst? Cegerek (PvdA) vraagt of het stelsel van omgevingsdiensten inmiddels landelijk dekkend is. Geurts (CDA) vindt dat kwaliteit boven organisatievorm moet gaan en bepleit het laten voortbestaan van de drie bestaande netwerkomgevingsdiensten. Waarom iets veranderen dat goed werkt?, vraagt ook Houwers. Maar Mansveld wijst er onder andere op dat de huidige netwerkomgevingsdiensten in tegenstelling tot de gewone omgevingsdiensten geen rechtspersoonlijkheid hebben. Zo is hun personeel in dienst bij de afzonderlijke gemeenten. De staatssecretaris blijft bij haar voornemen om de netwerkomgevingsdiensten uiterlijk per 1 januari 2018 te laten omschakelen naar een uniforme organisatiestructuur. Overigens zijn er geen "witte vlekken" meer.

De Kamer stemt 22 september over het wetsvoorstel en de ingediende moties.

Bron: Tweede Kamer

 

Print Friendly and PDF ^

Doorzoeking bij metaalrecyclingbedrijf

Het team Milieu van de Politie Oost-Nederland heeft samen met het team Financiële Opsporing onder leiding van het Functioneel Parket een onderzoek ingesteld naar een metaalrecyclingbedrijf uit Hengelo. Twee bedrijfspanden en drie woningen zijn woensdag 2 september 2015 doorzocht. De 34-jarige eigenaar uit Borne wordt ervan verdacht grote hoeveelheden (tonnen) accu's met gevaarlijke stoffen te hebben opgeslagen terwijl de vergunning en voorzieningen daarvoor ontbraken.

Tientallen politiemensen en een politiehond, die gespecialiseerd is in het zoeken naar geld, hebben twee bedrijfspanden aan de Oude Boekeloseweg en de Binnenhavenstraat in Hengelo en drie woningen aan het Blauwgras in Borne doorzocht. In het bedrijfspand aan de Hengeloseweg in Hengelo troffen ze een hoeveelheid accu's aan. Daarnaast vonden ze ongeveer € 15.000 euro en een trailer met daarop een speedboot. Het geld en de goederen zijn in beslag genomen om mogelijk illegaal verkregen vermogen van de verdachte af te pakken.

Vuurwapen en munitie

Tijdens de doorzoekingen werd ook een automatisch vuurwapen, munitie, kogelvrije vesten en een gestolen e-bike aangetroffen. Politiemensen hebben een auto (waarin het vuurwapen lag) en administratie in beslag genomen voor verder onderzoek. Een 53-jarige vrouw uit Borne, de eigenaresse van de auto, is aangehouden voor overtreding van de wet wapens en munitie. De gemeente Hengelo is op de hoogte gebracht over de accu's die bij het bedrijfspand stonden.

Aanleiding onderzoek

De politie startte een onderzoek na informatie dat bij het bedrijf grote hoeveelheden accu's worden of werden opgeslagen. Daar heeft het bedrijf niet de benodigde voorzieningen en vergunning voor. Dat kan leiden tot milieuvervuiling. Gevaarlijke stoffen uit de accu's kunnen weglopen in de grond. Daarnaast is onduidelijk hoe de accu's bij het bedrijf terecht komen.

Bron: Politie

 

Print Friendly and PDF ^